Hilda de Windt Ayoubi – Geef me je taal. Dat ik je beter versta

De kracht van de moedertaal

door Hans Franse



De lijvige bundel van Hilda de Windt Ayoubi (1951), die als kind van Libanese ouders opgroeide op Curaçao, is veel meer dan een gedichtenbundel: het is een essay, maar ook een pamflet. Het is een eerbetoon aan Curaçaos schrijver Frank Martinus Arion. En dan speciaal aan zijn boek Dubbelspel dat in grote hoeveelheden gratis over Nederland verspreid werd in 2006, in het kader van de actie ‘Nederland leest’. Het is ook een appèl voor het spreken en bestuderen van minderheidstalen in het algemeen en in het bijzonder het Papiamentu, waarbij alle eer bewezen wordt aan Frank Martinus Arion en aan Pieter Muyskens, kenner van Zuid-Amerikaanse minderheidstalen. De schrijfster toont nog een drietal door haar geschilderde portretten. Ze geeft alles weer in een poëtische vorm waarbij ze als ‘geen geboren spreker’ zich verwondert over ‘de kus van een taal’ (blz. 38). Tenslotte is er de poëzie in het Papiamentu, die ik niet vermag te beoordelen. Al kreeg ik na een tijdje lezen plezier in de klanken en de syntactische constructies, ik durf geen uitspraak te doen over het poëtisch gehalte van haar taalgebruik in deze taal. Dat vind ik jammer. Ik zou willen weten hoe poëtisch ze die taal gebruikt. Of de kwaliteit van de poëzie in het Papiamentu de kwaliteit van het Nederlands in poëtische zin overstijgt. Een paar gedichten zijn niet door haar, maar door Pieter Muyskens vertaald. Ik zie hierin geen verschil. Beide vertalingen zijn ietwat houterig, wat bij mij licht de suggestie wekt dat ze wellicht oorspronkelijk ook zo geschreven zijn. Het is een toetsing, maar ik vind dat gewaagd, ik denk dat ik onrecht zou doen aan het vele werk en de poëzie van deze voormalig docente Spaans aan de middelbare school- ze deed dat 30 jaar- en universitair docent Communicatie en Pedagogiek aan de Universiteit van Curaçao. Zij ontdekte de kracht, de emotionele en pedagogische waarde van de moedertaal/minderheidstaal als lerares én in haar gezin. De anekdote die ze in de inleiding vertelt is wel aardig, zij het dat er een tragisch element in zit: een van haar kinderen kwam huilend uit school, hij begreep ‘niks van wat de juffrouw in het Nederlands uitlegde’. Ze kwam met het idee dat een van de twee ouders Nederlands tegen de kinderen zou spreken, een idee dat door de kinderen werd afgewezen. Ze las daarna veel voor in het Nederlands en vertaalde dat tot de jongste zoon op een dag zei: ‘Niet meer vertalen, mama, ik snap het wel’.’
Bij deze ontdekkingsreis naar de emotionele waarde van de taal van Curaçao ontmoette ze Frank Martinus Arion. Hij had op het eiland de eerste en enige school met het Papiamentu als voertaal opgericht en via dit ere-lid van de Haagse Kunstkring (Arion werd dit erelidmaatschap met groot plezier gegeven) leerde zij de Nijmeegse taalkundige Pieter Muyskens kennen. De fascinerende professor Muyskens die -samen met Mily Crevel- in de vierdelige serie Lenguas de Bolivia de resultaten van hun studie van de inheemse Indiaanse talen in Bolivia hadden weergegeven. De Windt Ayoubi raakte via haar liefde voor taal in het algemeen steeds meer in de ban van de minderheidstalen, ze zag hoe belangrijk de waarde ervan was voor de persoonlijke ontwikkeling van de sprekers. In feite zingt ze in een deel van de poëzie een loflied op de taal van de Antillen, die haar in haar jeugd werd afgeraden als middel voor intellectuele en economische ontwikkeling: ‘Je bereikt niets met Papiamentu’. Die aandacht voor de moedertaal is hartverwarmend als ik zie hoe men hier doet alsof onze eigen Nederlandse taal onmachtig is om gevoelens uit te drukken en onnodig Engelse neologismen worden gevormd om de eigen linguïstische onmacht te maskeren. Maar onze taal hoeft zich niet te bewijzen, niet te verdedigen en niet meer te vechten voor een plaats. De wetenschappelijke waarde van het boek wordt nog versterkt door een tweetal nawoorden en een bibliografie.

Er zijn drie afdelingen in de poëzie in deze lijvige bundel. De eerste afdeling heet ‘Taal staat nooit stil’. Zij behandelt in dichtvorm het belang van de taal, het behoud van de kleine talen en haar eigen plaats daarin. ‘Wond en balsem’ is een lofprijzing voor Frank Martinus Arion en zijn roman Dubbelspel over het nationale dominospel op het eiland. Dan volgt een waardige bijna indrukwekkende ode aan Pieter Muyskens die zoveel deed voor de conservering en de beschrijving van Indiaanse minderheidstalen. Als ook de talen van de Creolen in Suriname, de Zuid-Afrikaanse talen en zijn belangrijke bijdrage aan het Papiamentu van de Benedenwindse Eilanden. Het laatste deel is het voor mij moeilijk te recenseren slotstuk: ’Duna mi bo idioma’ oftewel ‘Geef mij je taal’, een tweetalig deel met poëzie in het Papiamentu door de schrijfster vertaald in het Nederlands. Ik had hier graag wat over gezegd en heb ook gezocht naar dichters in mijn Haagse omgeving die in deze taal schrijven om me daarbij te helpen, maar het is me niet gelukt.

Het gaat hier, ik denk dat het al duidelijk is geworden, om een grotendeels rationele verhandeling. De persoonlijke emoties die vaak de aanleiding tot poëzie zijn bestaan uiteraard, maar de aanleiding is verstandelijk. Ik vind dan ook de poëzie wat verstandelijk aandoen, weinig beeldend, weinig muzikaal, soms houterig zelfs. Ik mis de lyriek, het zingen van de taal, ik had gehoopt dat het Papiamentu zou klinken als een klok. Ze klinken al prachtig als ik ze in het Papiamentu bijna stamelend probeer hardop te lezen.
Maar ik moet hier anders over de poëzie oordelen, hier schrijft iemand die iets ontdekt wat voor haar fundamenteel wordt: ze ontdekt het voertuig van de emoties, de taal van de bevolking op haar eiland en vindt dat belangrijker dan dat je er economisch wat aan zou hebben. Ze schrijft dat voor het grootste deel neer in een taal die niet de hare is. Dit zegt ze er zelf van:

De kus van een taal

Aan de Nederlandse lidwoorden
die ik niet altijd juist gebruik,
merk ik dat ik geen geboren spreker ben

Ik schaam mij daar niet voor,
want zoals de geliefde na de eerste kus
van wie zich met haar wil verbinden
heel anders gaat spreken,
veel mooier gaat zingen…

Zo ook is het
met degene die een taal overneemt
die zij niet al bij de geboorte heeft
maar haar doet stralen als een hemellichaam.

Ik heb zelf poëzie in twee andere talen geschreven dan de mijne en ik weet hoe moeilijk het is. Het is een grote prestatie, gebaseerd op de liefde voor de taal:

Verliefd op de taal

Ik zei
ik ben verliefd

Terstond vroeg men mij
op wie,

Ik antwoordde prompt
op de taal

Onmiddellijk reageerde men
verbaasd met de vraag
op de taal?
Dat is toch geen mens,
geen individu, maar iets
daar wordt niemand
toch op verliefd!

Ik wist het meteen:
nee, maar men hoort,
schrijft, leest en spreekt het
over de hele wereld heen…

Wat wil ik in dit leven nog meer?

____

Hilda de Windt Ayoubi (2019). Geef me je taal. Dat ik je beter versta. In de Knipscheer, 235 blz. € 22,00 ISBN 9789062657810

Geplaatst in Recensies.