Een steen door de ruit van je dromen

door Rogier de Jong

Het mooie van poëzie is dat ze met haar tijd meegaat zonder dat ze wezenlijk verandert. Van sonnet tot terzine en van ollekebolleke tot slam: de dichtkunst mag modieuze snorren, tattoos en andere parafernalia dragen, onder die uitmonstering bezit ze de klassieke naaktheid waar dichters aan hechten en die ze het liefst zo dicht mogelijk tegen zich aan houden.

Of het nu om een canzone van Petrarca gaat, een hekeldicht van Vondel of een schijnbaar eenvoudig rijm, de klassieke naaktheid van poëzie haal je uit elk goed gedicht. Iedere poëzieliefhebber weet dat, want wie is er nooit in aanraking gekomen met die eerste regel of dat eerste couplet dat insloeg als een bom en je zelfbeeld én je beeld van de dichtkunst vakkundig verbrijzelde?

Ach, die eerste keer… na op school veel verplichte poëzie te hebben doorgeworsteld, bleef mijn oog op een dag – vast een onbeduidende dinsdag vlak na de gymles – haken achter de volgende strofe:

.           ik heb het belangrijkste besluit
            ooit door een mens gedaan,
            genomen:
            een steen door de ruit
            te slaan van mijn dromen.

 

Ik denk dat ik op het moment zelf vooral verwonderd was. Ik vond het een krachtig en tegelijk ook vandaliserend beeld dat paste in de tijdgeest (provo’s, protest en popmuziek) maar ook het beeld van poëzie als ‘iets moois’ vernielde. Nu weet ik dat het couplet de naaktheid van poëzie belichaamde, waarin schoonheid hand-in-hand gaat met de afstotelijkheid van de lelijkheid: geen strand zo lieflijk als in Wijk aan Zee, met de walmende schoorstenen van Tata Steel vlak achter je rug. ‘Rozen en motoren’ heette de eerste bundel van Hans Verhagen niet voor niets.

Vanwege deze gedachte heb ik de bundel waarin de strofe voorkomt na een halve eeuw opnieuw opgezocht en voor ik het wist was ik een uur kwijt. Oordeel: kraakheldere, vervreemdende en ongepolijste poëzie – veel minder gekweld en zoetsappig dan ik me het werk van Hans Lodeizen (1924-1950) herinnerde – en vooral: klassiek naakt, ónvolmaakt.

foto uit het literaire tijdschrift De Parelduiker, jaargang 4 (1999), nr.1

 

De gedichten van de bijna vergeten Hans Lodeizen staan na vijftig jaar als een huis omdat goede poëzie staat als een huis. Met de steen die hij als een Bart de Graaff avant la lettre door de ruit van zijn dromen joeg, ontwaakte Hans Lodeizen als dichter én sloeg hij mijn zelfbeeld en het beeld dat ik van de dichtkunst had vakkundig aan diggelen.

Geplaatst in Column, Gedachtes.