Maarten van der Graaff – Nederland in stukken

De gesampelde Lage Landen

door Levity Peters



Is hij bang voor zijn gevoelens? Zijn zij uit de tijd? On-Nederlands? Of is hij gewoon gevoelsarm? Waarom geeft hij, wat in het gedicht wel ‘aanranding’ genoemd wordt, de titel: ‘Contract tussen man en jongen?’ Hoe kun je spreken van contract tussen een volwassen man en een minderjarige jongen, wanneer er geen sprake is van gelijkwaardigheid? Dat er nog een derde partij bij betrokken is (de dichter die boven de partijen staat?) blijkt uit het woord ‘aanranding’ dat door de man, noch door de jongen gekozen zou zijn: ‘de man verbindt zich de jongen aan te randen’ Het lijkt wel of Maarten van der Graaff (1987) in het eerste gedicht van de bundel Nederland in stukken alles op alles zet om de impact van het gebeuren terug te brengen tot een formaliteit. Stilzwijgende, maar hier tot bindende afspraken geformuleerde handelingen tussen een man en een jongen. De jongen verplicht of verbindt zich, de man verbindt zich, zo wisselen de strofen elkaar af. Alles onder controle. Beider handtekeningen onder het contract, klaar. Ach nee: het is niet ondertekend. De stippellijnen waarop de handtekeningen hadden kunnen staan zijn leeg. Een ongeldig contract. Waar staat de dichter, aan de kant van de man of aan die van de jongen? Aan beide kanten? De keuze voor deze vorm is verontrustend, maar niet vreemd in deze bundel die aan de hand van documenten, flarden van pamfletten, interviews etc. een beeld probeert te geven van wat er in Nederland leeft, of liever: hoe de dichter Nederland ziet. De schrijver als episch centrum van een chaotische stortvloed aan –vaak moeilijk te duiden– informatie. Informatie die de indruk wekt nauwelijks gezift te zijn, wat je een vorm van eerlijkheid zou kunnen noemen. Informatie die niet afwijkt van de benadering van de werkelijkheid zoals in ‘Contract tussen man en jongen’, het helderste en het eenvoudigste gedicht van de bundel Nederland in stukken. In de keuze van de daarop volgende fragmentarische gedichten wordt een dichter zichtbaar die zich niet kennen laat, en ogenschijnlijk geen keuzes maakt. De schijnbare willekeur van zijn keuzes lijkt een stijlkenmerk van zijn werk, een soort van compromisloze niet op communicatie gerichte onpartijdigheid.

Zesde document

Misselijkheid. Ambtenaren citeren. Lullige. Woningnood. Weer een coach
in je tijdlijn. Slaapkamers. Scrollen. Retromania. Belichamen. Kopieerlust. Nota’s
van gevoel. Assemblage van. Parkeerterreinvermoedens. Radicaal. Modern.
Buitengebied. Alles lag. Diepblauw. Bestemmingsplan. Grounded
sciencefiction. Langs de grachten. De loods. Waar je het gevoel hebt
in de blauwdruk van iets rond te lopen wat nooit af zal zijn
en ook niet naar voltooiing streeft, maar naar voortdurende innovatie,
een leven zonder weerwoord of adempauze, organisch en technologisch,
digitaal en fysiek, met een grammatica die iedereen doet verstommen
en de belofte van een comfort
waar weinigen zich iets bij voor kunnen stellen. Pitch.

(p. 21)

Welke ‘Pitch’? Bedoelt hij de toon? De toon van een gedicht, de stemming spreekt direct het gevoel aan. Hier word je geconfronteerd met leegte, vervreemding, een gevoel van onsamenhangendheid en het onvermogen tot verbinding. Je wordt er niet vrolijk van. Ritme? Woorden staan geïsoleerd, vormen geen verbinding met elkaar, zinnen evenmin, ze roepen vaag een kille, weinig leefbare wereld op. Ze lijken waardevrij en verwisselbaar met willekeurige andere zinnen. Hoe wil de dichter met zijn lezer(s) communiceren? Een grammatica die iedereen doet verstommen? Oreert hij liever? Betekent ‘pitch’ voor de dichter meer dan een verkooppraatje van een halve minuut? Wat verkoopt hij?

In de afdeling ‘Index’ schrijft hij:

Dit. Nieuwe gedichten van Maarten van der Graaff worden geschreven,
in de stijl die jullie het beste lijkt. Word heeft onleesbare inhoud aangetroffen.
Kunstige refreinen van logistiek dataverkeer overstemmen het verschil tussen kennis en informatie.
Elke letter indexeert zoiets als wegvloeien. Ipsum.

(…)

(p. 29)

Lorum Ipsum is een opvultekst die gebruikt wordt bij de grafische opmaak van een tekst. Het lijkt latijn, maar betekent niets. Eerlijker kon Maarten van der Graaff niet zijn.

Het verstoppertje spelen is een, misschien wel dé karakteristiek van de poëzie van Maarten van der Graaff. Hier en daar lees je secuur samengestelde flarden die iets te vertellen lijken te hebben, maar veel is het niet. Je leest bijvoorbeeld over zijn seksuele ambivalentie, er zijn plaatsbepalingen, hier en daar treedt er een mens op. De dichter mist de snelheid en flexibiliteit van de start-up. Hij bedoelt? Woord gegeven onmacht. Hij gaat naar bed met stress, staat op zonder energie. Hij werkt bij zijn droombedrijf en is ongelukkig. Ik parafraseer. Ook ik word er ontzettend, ontzettend moe van.

Je een ietsje pietsje bloot te kunnen geven, in de wetenschap dat de kans dat je werkelijk gezien wordt klein is, lijkt Maarten van der Graaff behoorlijk te bevredigen. De dichter heeft de touwtjes in handen, en ‘voert’ de lezer mondjesmaat. Zo creëert hij een vorm van veiligheid die hij nodig lijkt te hebben, een futiele vorm van macht. Misschien is het precies zoals Slauerhoff schreef: ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.’ Misschien alleen daarbinnen voelt hij zich veilig, hoewel afgestompt, maar ‘Ipsum’. Fragiel zijn ze wel, zijn gesampelde, van zin en betekenis ontdane schrijfsels. Het Nederland in stukken van Maarten van der Graaff is een land waar elke –misschien wel geromantiseerde– eenheid totaal verbroken is en tradities verwaterd zijn. De plaats daarvan is ingenomen door een steriel, waardeloos geworden, achtergelaten en verwisselbaar papierwerk. Lege woorden. Vulsel. Het maken van individuele keuzes lijkt ondoenlijk. Met niets en niemand is er een diepe connectie. Die stukken vormen het persoonlijke Nederland van Maarten van der Graaff, een Nederland van taal, maar wel van een taal die grotendeels van zijn muzikale, zijn dichterlijke en zijn emotionele aspecten is ontdaan. Precies die zaken die je menselijkheid uitmaken, en waarin je als mens kwetsbaar bent.

De Nederlandse commune

Het leven is een formele vraag en verdient een formeel antwoord.
De Nederlandse  commune is een temperatuur, een rilling van haar eigen lichaam. We
werden stedelijk om seks te hebben, kunst te maken en ons dood te drinken.
Eerst was het project gereedschap van de manager, toen interventie
van de kritische kunstenaar en nu is het project oneindig.
Wat wil je horen over de tijd dat we het heel erg warm hadden,
maar de kou ons vasthield? Wat wil je horen over de tijd daarvoor?
Als je alleen was, dan keek je naar paren. Want voor de commune ontstond
had iedereen één iemand nodig voor de dans, het bezoek.
Wie alleen liftte riskeerde haar leven.
Het ergste wat iemand kon overkomen was het besef nergens bij te horen.
Dat gebeurde zowel binnen als buiten het huwelijk.

(p. 50)

We kunnen het eens zijn met wat de dichter oppert, of niet. Het maakt niet uit. Voor ons niet, voor hem niet. We kunnen aannemen dat hij voor de seks naar de stad is getrokken, dat hij zuipt. Het laat ons koud. Hij stelt de vraag of wij iets willen horen, antwoord krijgen we toch niet. Al wonen wij samen in de Nederlandse commune: wij kennen hem niet, hij kent ons niet. Als je alleen was keek je naar de paren. Ja. De eenzaamheid is duidelijk, en daar moeten wij het, in alle mogelijke variaties, mee doen.

____

Maarten van der Graaff (2020). Nederland in stukken. Uitgeverij Pluim, 75 blz. € 21,99. ISBN 9789492928603

Geplaatst in Recensies.