Mark Boog – Liefde in tijden van brand

Het vuur, het bed en wij

door Herbert Mouwen



Je kunt proberen de maatschappij te veranderen, wereldbranden te blussen of andere idealen na te streven, maar als je ouder wordt ontdek je dat veel van je pogingen gedoemd zijn te mislukken. Wellicht is je eigen leefwereld (en die van je dierbaren) afschermen voor de gevaren van buitenaf een beter idee. Alleen maar leven in je eigen innerlijke wereld is het proberen waard, hoewel je je kunt afvragen hoe sociaal en of dat mogelijk is. Echter, de buitenwereld kan zo destructief zijn, zo alles vernietigend in brand staan, zo’n vuurzee zijn, dat je geen keus hebt. Je moet. Wanneer je je dat realiseert, dan is er altijd nog het vuur in jezelf dat jou (en je geliefde) ontplooiingskansen geeft: de vurige liefde, het brandende verlangen, ‘het zinderende lijf’, de smeulende aanwezigheid van de geliefde die bij tijd en wijle explodeert in verhitte hunkering. Dit is de inhoudelijke poëtische lijn die in de bundel Liefde in tijden van brand van Mark Boog terug te vinden is. Het is zijn achtste dichtbundel, die zeer toegankelijk en de moeite van het lezen waard is. Dat het op jezelf aangewezen zijn in deze tijd noodzakelijk is, behoeft geen nadere uitleg. Binnen blijven, afstand houden van anderen omdat een onzichtbaar virus rondwaart ‘in dit het enige stenen huis’, is op zich bedreigend. Dat laat Liefde in tijden van brand onmiskenbaar zien in het zesde gedicht:

Woestijn waarover onbelemmerd
een winterse storm raast, wij schuilen
in dit het enige stenen huis, hier is
de bron, hier ook het einde van warmte,
precies in dit, precies hier,
en weer vliegt op de verbeelde vogel,
verwoede vogel, uit de zwarte as.
Elders is nooit leven aangetroffen,
er is naar gezocht. We vliegen hoog.

Liefde in tijden van brand is opgebouwd uit vier gelijkmatige, genummerde afdelingen. Elke afdeling bevat veertien gedichten. De afdelingen en de gedichten zijn titelloos. Het eerste gedicht van een afdeling is cursief weergegeven en een thematische annonce, een inleiding op de volgende dertien gedichten. De eerste afdeling presenteert een ‘wij’, die zich in de rest van de bundel uitsplitst in een ‘ik’ en een ‘jij’, die geliefden van elkaar zijn. De lezer waant zich in het eerste gedicht in een eigentijds Arcadië: ‘Schaterlachend dansen wij het korenveld in’. Voor de rest is er in de volgende gedichten ‘Het vuur, het bed en wij’ met een sterke nadruk op de fysieke liefde: ‘Dit bed is een vindplaats / van onschatbaar waardevolle artefacten, / daarom graven wij zo diep.’ In een ander gedicht wordt het bed ‘Dompelbad, vuurzee’ genoemd.

In de tweede afdeling ‘openbaart zich’ niet de zon, maar ‘het blinken van een mes achter de wolken’. De buitenwereld roert zich heftig. Levens- en liefdesbedreigende gevaren zijn in aantocht:

Er zal gewelddadig veranderen
op de allerzoetste manier,
en de verwarring zal een naam
hebben, een naam die wij kozen.

Waakzaamheid is geboden. De twee aanwezigen zijn alleen en bewaken het trappenhuis. De ‘jij’ bij de brievenbus, de ‘ik’ een paar etages hoger en omgedraaid: de ‘jij’ boven, de ‘ik’ ‘met de sleutel in de hand terwijl achter me / de deur dichtviel.’ Er is in deze afdeling sprake van een verschillende beleving van de werkelijkheid, waarin de jij initiatieven neemt en de ik volgzaam is: ‘Ik, door jou uitgezonderd, zinder / stilletjes mee.’

Het openingsgedicht van de derde afdeling wijkt af van de andere openingsgedichten in de eerste, tweede en vierde afdeling. Het is langer en strofisch opgebouwd in 21 drieregelige strofen met een afsluitend kort vers ‘en alles ademt’. Het is een zeer fraai gedicht met een stapeling van beelden en met speelse woordherhalingen, parallelismen en tegenstellingen. Het opent met ‘Op de glorieuze wereld staat / de glorieuze hemel, leeg en blauw.’ In het gedicht wordt de stand van zaken opgemaakt na de ontwikkelingen in de eerste twee afdelingen. Het is het kantelgedicht in de bundel: de twee geliefden vluchten naar een toekomst, een nieuwe schuilplaats. De achttiende en negentiende strofe luiden als volgt:

De weg ligt in het midden.
De auto volgt de weg.
Jij zit links, ik zit rechts.
 
Naast ons en in ons en om ons en boven ons
en voor en achter ons de vele dieren
en de vele mensen en alles wat we vergaten.

Dat de titel van de bundel verwijst naar Liefde in tijden van cholera (1985) van Gabriel García Márquez wordt mij al lezende steeds duidelijker. Er zijn overeenkomsten tussen de ‘ik’ en de ‘jij’ uit de dichtbundel en de romanfiguren Florentina Ariza en Fermina Daza uit de roman, die elkaar pas na meer dan vijftig jaar in de liefde vinden en dan beseffen dat ze oud zijn en veel geleden hebben onder hun eenzaamheid en de bedreiging van de cholera. Overigens staat de lichamelijke aftakeling van de twee in de roman de lichamelijke liefdesbeleving niet in de weg. Een verschil met de roman is dat in de dichtbundel de ‘ik’ en ‘jij’ elkaar meteen vinden (‘We verwelkomen de handtastelijkheden gretig’) en dat hun liefde (‘druiventroszware momenten’) ogenblikkelijk een prominente rol speelt.

Het eerste vers van het openingsgedicht van de vierde afdeling neemt de lezer mee naar de gedachtewereld van de mens: ‘Een mens resideert in zijn hoofd.’ De bedreigende buitenwereld van de eerste drie afdelingen wordt binnenwereld: ‘Buiten zijn hoofd vindt de mens raadselen. / In zijn hoofd vindt de mens oplossingen.’ In de gedichten die volgen, keren de ‘we’, de ‘ik’ en de ‘jij’ terug in concrete inhouden van de gedichten. Het ouder worden, het voortgaan van de tijd, lichamelijke veranderingen (‘Lichaam. Vleeshemd.’) en gedachten aan vroeger, zijn de aan elkaar gekoppelde thema’s in deze afdeling. Later is er ‘meer / troost in het uitzicht, meer troost / in het gekende gezelschap, meer / verlies.’ Uiteindelijk zijn er de verschillende verschijningsvormen van de maan: de ‘bloedmaan, oogstmaan’ en ‘de vale maan, de verveelde’, waaronder de mens gedwongen wordt te schuilen. Alles is nu bepaald, alles ligt vast; er is voor de twee geliefden geen ontkomen aan. De maanvormen zijn richtinggevend: ‘alles vanaf nu staat in dit teken, en stelt teleur.’ Het vuur gloeit na, de kleuren zijn verdwenen, de nachtdieren vliegen rond. Wat rest na het branden is kou en verdriet, zoals het laatste korte gedicht weergeeft:

In ons smeulen vuren, ons oppervlak
is zwart en stil, een kratermeer
bij wolkeloze avond. Daar vliegen
de vleermuizen, daar gaan de uilen.
we gooien het koude hoofd in de nek
en huilen, eindelijk huilen we.

____

Mark Boog (2019) Liefde in tijden van brand. Uitgeverij Cossee, 72 blz. € 20,99. ISBN 9789059368767

Geplaatst in Recensies.