William Wordsworth – Prelude

‘Lees dit boek – lees het vele malen’ (Anneke Brassinga)

door Hans Puper




Over William Wordsworth (1770 – 1850) lees je nogal eens dat poëzie volgens hem ‘the spontaneous overflow of powerful feelings’ was. Pletterde hij als een geëxalteerde puber zijn gevoelens op papier? Natuurlijk niet. Iedereen die ook maar een halve bladzijde van Prelude leest, ziet dat. De uitspraak is dan ook onvolledig: poëzie was volgens hem ‘the spontaneous overflow of powerful feelings from emotions recollected in tranquility’. (De cursivering is van mij). Het hart is de zetel van poëzie, de gevoelens (omgevormde emoties?) zijn soms heftig, maar toch gaat hij weloverwogen te werk. Voelen is niet genoeg, je moet echt je verstand gebruiken, ook omdat je dan inzicht krijgt in ‘een macht (…) / die kenmerk, vorm en beeld is van de juiste / soort rede – een rede die haar handelingen / volvoert naar vaste wetten; (…)’, de rede die inzicht geeft in ‘de universele, goddelijke genade / die ons doordrong, doordringt en zal doordringen.’ (p. 235/236). De natuur voldoet aan die wetten, dat wordt de ik door aanschouwing duidelijk. Anneke Brassinga geeft in haar nawoord een mooie typering van Wordsworth’s poëzie. Verbeelding is een grondprincipe: ‘Hij herschept in zijn werk zowel de plekken als de innerlijke belevenis ervan. Sensitivistische stemmingen wisselen af met zich vereeuwigende momenten van grandeur en nietigheid, en met overwegingen aangaande de plaats van de mens (in vrijheid en in gemeenschap) binnen het grote geheel’. En dat moet, nee, kan alleen in alledaagse taal; daarover later in deze recensie.

Wat brengt mensen ertoe om het citaat te verminken? Moedwil? Gemakzucht? Ik weet het niet, maar ergerniswekkend is het wel, want het leidt tot een verkeerd beeld van Wordsworth, waardoor hij waarschijnlijk minder wordt gelezen dan verdiend.

Prelude is vertaald en van aantekeningen voorzien door Jan Kuyper; die hadden wel wat uitgebreider kunnen zijn, maar dat is eigenlijk mijn enige punt van kritiek op zijn werk. Anneke Brassinga schrijft in het nawoord geanimeerd wat haar zo boeit in de dichter.
Het is een lang verhalend gedicht (253 bladzijden), onderverdeeld in dertien boeken. Het is voltooid in 1805, maar pas gepubliceerd kort na Wordsworth’s dood. Jan Kuyper schrijft in zijn toelichting over de context van het gedicht het volgende: ‘Wordsworth beschouwde zijn prelude als een onlosmakelijk gedeelte van De kluizenaar, een reusachtig dichtwerk waarin hij zijn wereldvisie wilde ontvouwen. Een onderdeel uit te geven dat zich op zijn eigen persoon toespitste, leek hem te aanmatigend. Een ander deel, The Excursion, publiceerde hij wel; zoals de titel aangeeft, gaat het daar om een soort tussenspel. De twee belangrijkste gedeelten van De kluizenaar, het deel dat tussen de prelude en de excursie moest komen en het slotdeel, zou Wordsworth nooit schrijven.’ (p. 269).

Prelude is gericht aan Wordsworth’s vriend Coleridge, met wie hij Lyrische balladen (1798) schreef, de eerste romantische bundel, die als revolutionair werd ervaren omdat beide dichters radicaal braken met de gekunstelde, classicistische taal over verheven personen – Griekse goden bijvoorbeeld. Het uitgebreide voorwoord bij de derde druk van de balladen in 1802 wordt beschouwd als het manifest van de Romantiek. In het laatste hoofdstuk blijkt dat Prelude ook is gericht aan zijn geliefde zuster Dorothy.
De ondertitel (die Kuyper overigens niet geeft) is ‘de groei van de geest van een dichter’. Let wel: de groei en een dichter: Prelude is meer dan een autobiografie; in zekere zin is de ontwikkelingsgang exemplarisch. We lezen wat Wordsworth als dichter nastreefde en de rol die de natuur daarin speelt – hij groeide op in het ruige, majestueuze en toen nog ongerepte Lake district in Noordwest-Engeland. Ten onrechte wordt weleens gedacht dat hij een saaie groenzoeter was, zo’n heer die de vier vrienden uit Nescio’s Titaantjes tegenkwamen toen ze op weg waren naar Walden, de utopische leefgemeenschap van Frederik van Eeden, en hen deed besluiten weer naar huis te gaan: ‘een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes [etend] uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en z’n baard vol kruimels.’ Zo was hij beslist niet. De bundel gaat ook over zijn studietijd in Cambridge en het jaar dat hij in Londen woonde en volop van het leven genoot. Hij was verre van braaf. Na een jaar verliet hij de stad ‘zonder veel spijt, behalve dan misschien / van boekenstalletjes en wilde pluk, / die links en rechts hing om de slenteraar / van ’t rechte pad te brengen (…)’. (p. 166). (Wat zou die wilde pluk zijn?) Hij maakte vervolgens twee reizen naar Frankrijk (de eerste op doorreis naar Zwitserland), waarin hij de revolutie van nabij meemaakte, aanvankelijk enthousiast, later verbijsterd door de bloedige dictatuur van Robespierre en ronduit afwijzend na de kroning in 1805 van Napoleon tot keizer door de paus.

Wordsworth zocht naar het universele in de mens en dat vond je in eenvoudige taal, ‘the real language of men’, die werd gesproken door de herders en boeren die hij op zijn wandelingen tegenkwam, pure mensen, die op een vanzelfsprekende manier wisten waar het in het leven om draait: ‘the essential passions of the heart’ en ‘elementary feelings’, die alle mensen met elkaar verbinden. (De citaten komen uit bovengenoemd voorwoord bij Lyrische balladen). Van zijn classicistische voorgangers moest hij niets hebben: ‘(…) jullie die zijn gevoed / niet door de geest, maar door de dode letter, / wier waarheid geen met levenskracht bezielde / gestalte is of beweging, maar een blok / of wassen beeld van eigen makelij / dat jullie zelf aanbidt! (…)’ (p. 151).
Alledaagse taal, het universele in het kleine, natuurbeelden die stemmingen uitdrukken: het is iets wat een grote invloed heeft gehad, onder andere op J.C. Bloem – lees zijn Media vita er nog maar eens op na.
Als we de vaak lange, meanderende zinnen in Prelude lezen, verbinden we die overigens niet direct met spreektaal, maar in contrast met de taal van zijn voorgangers is die van Wordsworth een toonbeeld van eenvoud.

De vorm van Prelude wijkt ook radicaal af van die van zijn voorgangers: het gedicht is geschreven in blank verse: metrisch, geen eindrijm. Vloeken in de kerk voor classicisten.
Dat brengt ons op de vertaling door Jan Kuyper, een prestatie. Hij doet heel natuurlijk aan, niet per se metrisch, maar zeer ritmisch, ondersteund door alliteratie en halfrijm, soms ook inhoudelijk op elkaar betrokken: ‘zoetjes’, ‘mild’ en ‘zonneglimpjes’ , in onderstaand citaat op p. 141 bijvoorbeeld. (Ik citeerde Nescio hierboven niet voor niets):

Het was zo’n dag waarop zich wasems spreidden
over de bergen, stoomachtige nevels
zegen aan alle kanten neer, niet heftig
maar kalm en zoetjes, mild en prachtig-mooi,
met zonneglimpjes op de heuvels hun
schietgaten – die, als je ze zag, in ’t kalm
verloop verdwenen, en als ze opengingen
alweer op ’t punt stonden om dicht te gaan.

In het laatste boek, ‘Slotsom’, beschrijft de ik wat zijn ontwikkelingsgang hem heeft gebracht. Dat moet op tijdgenoten een diepe indruk hebben gemaakt, omdat je hierin een aantal thema’s ziet die gemeengoed werden in de Romantiek, zoals de sublieme natuurervaring die diepe inzichten voortbracht. Als de ik op de Snowdon in Wales wordt overweldigd door een machtig, voortdurend veranderend schouwspel van wolkenpartijen en ‘een blauwe kloof, een afgrond in de mist, / een diep en duister luchtgat waar ‘t gebulder / uit opsteeg van ontelbare watervallen, / stortbeken, sprangen, brullend met één stem!’, dan vertelt hij wat dat doe met een beschouwer:

———                                —’t Geweld dat hij
daarbij ervaart, waar de natuur de zinnen
mee overmant, is de in zijn volle kracht
getoonde sprekende gelijkenis –
een ware tegenhanger en een broer –
met het glorieus vermogen dat de hogere
geest met zich omdraagt als zijn eigendom.
Dat is de visie van waaruit de laatste
alles bejegent in het universum:
zelf kan hij van nature de oorzaak zijn
van zo’n metamorfose, voor zichzelf
zoiets in ’t leven roepen; instinctmatig
begrijpt hij ’t als het voor hem wórdt gedaan.
Zowel het duurzame en het vluchtige brengt
hem in vervoering. Uit de kleinste wenken
bouwt hij de grootste dingen, altijd waakzaam,
ontvankelijk zowel als productief.

(p. 249)

Wat betekent deze ontwikkeling van de geest van een dichter voor u, lezers, en in het bijzonder de dichters onder u? Wordsworth heeft een goed advies.

(…) Wees je eigen sterkte hier, o mens –
je hebt geen helper – als individu
hou je hier stand. Geen ander is in staat
dat werk met jou te delen, tussenbeide
te komen om jouw gaven bij te werken
als secondant. ’t Is helemaal aan jou,
’t vitale grondbeginsel zit bij jou,
in schuilhoeken van jouw natuur, ver weg,
buiten bereik van alle kameraadschap –
óf ’t is het jouwe niet. (…)

(p. 252)

Het was een daad van rechtvaardigheid dat Jan Kuyper de grote dichter Wordsworth op zo’n indrukwekkende wijze voor het voetlicht heeft gebracht. Ik wens Prelude het aantal lezers dat het verdient.

—-
William Wordsworth (2020). Prelude. Vertaald en toegelicht door Jan Kuyper. Met een nawoord van Anneke Brassinga. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 275 blz. € 22,99. ISBN 9789025312060

Geplaatst in Recensies.