Marleen de Crée – Toen gisteren nog vandaag was

Berusting in milde, warme en rijpe poëzie

door Hans Franse




Als je haar staat van dienst ziet, ligt het voor de hand dat Marleen de Crée de ‘eminence grise’ is van de Vlaamse dichters. Of ze dat ook is weet ik niet, ze treedt niet zo naar buiten. De op 26 juli 1941 in Bree (Belgisch Limburg) geboren dichteres debuteerde al in 1969 met de speelse bundel: Ofelia speelt met de maan. Sinds die tijd publiceerde ze een twintigtal bundels. Haar werk was in veel tijdschriften te lezen (ook op Meander), maar voornamelijk in Vlaamse tijdschriften. Mede door haar wat teruggetrokken levensstijl ligt daarin wellicht de oorzaak dat ze in Nederland niet zo bekend is als dat ze verdient. Ze schrijft niet alleen; ze is ook een aan de KU in Leuven afgestudeerde kunsthistoricus, die als beeldend kunstenaar haar sporen heeft verdiend door werk in vele technieken: Oost-Indische inkt, aquarel, pastel, acryl en gouache.

In een interview beschrijft ze wat volgens haar poëzie is. Haar visie sprak mij aan. Na een periode waarin ik als jurylid van een poëziewedstrijd erg veel gedichten moest lezen waarvan ik mij vaak afvroeg of dit nu poëzie was, bloedeloze knap gecomponeerde taalbouwsels die mij weinig deden, vond ik in de warmbloedige definitie steun voor mijn eigen opvattingen: ‘Poëzie is de bloedstroom door de aders van het woord en brengt zuurstof naar het hart van de mededeelzaamheid’. Poëzie heeft dus een lichamelijk-emotionele component, het is: ‘het woord en de klank van het lichaam’.

Even was ik verwonderd toen ik las dat haar favoriete dichtvorm het sonnet is, een zeer geordende vorm van gedichten vol wetten en regels, ontstaan aan het hof van Frederik II in Sicilië en Apulië, onder invloed van de poëzie van de troubadours uit Occitanië, waar het allereerste sonnet werd geschreven door Giacomo da Lentini die vanwege zijn formele benadering ‘il notaio’ werd genoemd, de notaris. Sonnet betekent echter klinkdicht, de muzikaliteit is al ‘ingebakken’. Als Marleen de Grée het sonnet beschrijft als ‘een dichtvorm van alle tijden’ waarvan ze ‘het keurslijf niet te strak’ vindt, wijst ze op ‘de muzikaliteit en de vormdiscipline’. Ik vind dat dat ook geldt voor haar nieuwste bundel Toen gisteren nog vandaag was: muzikaliteit, waardoor warmte ontstaat in een voor de mede te delen emoties perfecte vorm. Het was een genot deze, door uitgeverij P uitgegeven bundel te lezen, waarbij ik minder ‘huiswerk’ moest doen dan bij hun andere uitgaven die ik beoordeelde; het is begrijpelijke, vormvaste, heldere en ontroerende poëzie.

De bundel bestaat uit drie delen. Het eerste onderdeel heet ‘Kleine fuga’, met als motto een regel van Joris Gerits uit zijn bundel Fuga: ‘Ik wil hem aanraken / maar kan hem niet bereiken / steek mijn hand op / vlucht hals over kop’. Het citaat zet de toon voor de bundel: het is berustende, herfstige poëzie, waarin de dichteres zich realiseert dat de schoonheid van het jaargetijde ‘(…) een tijd van nu nog voor de tijd van niet (…)’ is, ‘(…) het lied van duren is uitgezongen(…)’ terwijl er een angst is voor dat laaiend vuur: het is de herfst van het leven. Het eerste sonnet geeft die stemming weer. Ik citeer het:

Vuurlied

weer legt het bos zijn tapijten
uit. een tijd van nu nog voor
de tijd van niet. gevangen in
de knopen van dit kleurig kleed

beginnen wij te zwijgen. het lied
van duren is nu uitgezongen. onze
stappen dralen op het vossenpad.
en toch, we naderen wat we nog

niet zien, iets dat wacht, een vuur
dat nog moet branden. de ultieme
vlam misschien, zij die weet.

zij die de lucht splijt. een laaiend
gezang met vurige tongen
dat hevig in ons bloed glijdt.

De muzikaliteit komt tot uiting in een soms sterke ritmische gevoeligheid en fraaie assonanties en bijna informele alliteraties, die we bijvoorbeeld vinden in het gedicht ‘Zandlied’: klein kan / ik van alles zijn zachter / dan steen, want vallen is niet’ en in de kleine cyclus van 3 gedichten ‘ Zingen als mos’.

Zingen als mos 2

met klanken zo vloeibaar, zo los
van bloed naar bloed. zinnen
zonder woord. licht werd
over ons gespreid, spleet
in de ogen, spoelde het geluid.
zo kunnen wij ons vinden,
zo slingeren de woorden in elkaar.
tweestemmig zwijgen alsof
er niets dan zingend mos
met een zacht en wuivend gebaar.

Ook in het tweede deel van de bundel ‘Blue smoke’ ervaren wij een gemis, een melancholische triestheid die versterkte wordt door woordkeus, woordklank en de vorm van de poëzie. Het bestaan is eindig, de eenzaamheid oneindig. Is er een gemis dat bezongen wordt? Is er een geliefde die afscheid nam? Het motto van Dolly Parton getuigt van die triestheid: ‘de blauwe rook windt zich rond de berg, is om de hoek’ staat er in het Engels om te eindigen met ‘Blue smoke is the name of the heartbreak train / That I am riding on’. Soms is er de herfstsfeer van romanticus Rilke, die de dichteres duidelijk beïnvloed heeft. Soms werd ik gegrepen door prachtige regels en kwam ik in de verleiding te veel te citeren, omdat het zo mooi is. Zoals ik de laatste opname van Reinbert de Leeuw van ‘Das Lied von der Erde’ tweemaal achter elkaar draaide omdat het zo mooi en ingrijpend was. Ik realiseer me dat citeren tekort doet aan de eenheid van het gedicht in het geheel van het thema, maar de warme muzikaliteit, door assonanties en woordverbindingen wordt zichtbaar, terwijl ook de thematiek blijkt. De cyclus begint met een aantal sonnetten. Twee ervan troffen mij, de eerste strofe uit: ‘Lopen’

waarom hij aan dat lopen was begonnen,
waarom de angst hem heen en weer sloeg
in vlagen regen uit een andere tijd,
een storm in de straten van zijn bloed.

(…)

Of deze schitterende beginregels uit: ‘En stilte’

de avond tilde het glimmen
van de straat de bomen in
onderaan de takken hingen
de druppels te glanzen, lantarens

weefden de luchtdraden naar elkaar.
(…)

Volgens mij zijn de twee gedichten Vliegwiel 1 en 2 een zich realiseren dat de tijd voorbij is:
‘de tijd is / op het wiel slingert ons / centrifugaal uit ons hart’, waarna de twee slotgedichten ‘Zwijgen’ en ‘Ruhe aus’ de voleinding en perfecte rust van de ouderdom aangeven, terwijl de onrust om het tekort aan tijd en het definitieve van de verstrijkende tijd onder de regels woelt. Ik citeer er niet uit, dat doet tekort aan de schoonheid van deze twee gedichten.

Het slotdeel ‘Margaretha’ heeft als motto een citaat van Pierre Rieu La Rochelle, het tekent de inhoud van de poëzie en de aanleiding tot het schrijven: ’Je n’étais plus désormais que le rêve immense et confus de ma mémoire’. Het betreft een cyclus over ‘toen’, 10 sonnetten die dezelfde thematiek weer in schoonheid brengen, schrijnend soms, maar ontroerend.

Deze bundel Toen gisteren nog vandaag was is voor mij een aangename verrassing. In deze herfst vol melancholie en bezinning over de eindigheid, versterkt door de pandemie die soms op fluwelen voeten lijkt te naderen, is dit een bundel die die melancholie verwoordt met een muzikaliteit in een vorm die perfect bij de woordkeus en de thematiek van de poëzie aansluit. Ik constateer een bijna perfect meesterschap over de taal. De dichteres slaagt erin het keurslijf van het sonnet te laten klinken alsof de moeilijke vorm vanzelfsprekend is. Een prijswinnaar? Dat is niet aan mij. Iedereen die van mooie, rijpe poëzie houdt, perfect van vorm en klank ,de liefhebbers van wie de ogen soms vochtig worden als ze geraakt worden door de schoonheid van het woord, moet kennis nemen van deze bundel.
____

Marleen de Crée (2020). Toen gisteren nog vandaag was. Uitgeverij P, 48 blz. € 17.00. ISBN 9789493138278

Geplaatst in Recensies.