Je moet het maar durven

door Martijn Benders

 

Toen Tsead Bruinja in 2014 als lid van de Raad van Cultuur alle organisaties die van zijn oordeel over hun subsidie afhankelijk waren, opriep om op hem te stemmen als Dichter des Vaderlands zette hij een nieuw precedent voor generatie Netwerker, een generatie waarvan ik ook het geluk mocht smaken deel te zijn. Ik zag bij sommigen bijna letterlijk het kwijl uit de mond lopen, wow, wat een goede netwerker. Maar niet iedereen was onder de indruk, en het duurde nog twee termijnen voor Bruinja het wel voor elkaar had, en inmiddels was de hele verkiezing vervangen door een geheime commissie met een geheim overleg.

Er liggen twee boeken voor me. Beide zijn vanuit een zekere opnieuw bewonderenswaardige gemakzucht ontstaan, ook op dat vlak zet Bruinja absoluut een standaard neer.

In het eerste boek Mijn overbuurvrouw is een meeuw hebben Bruinja en Wim van Til gedichten die in 3 maanden in de email kwamen over corona, na een oproep van het Poeziecentrum, op chronologische volgorde in een boekje gezet.

In het tweede boek doet hij Ester Naomi Perquin na, waar die al eens een boek over gevangenen schreef en op SBS6-achtige wijze spannend de politie volgde, weet netwerker Bruinja dat TBS nog spannender is en hogere kijkcijfers zal scoren. Hup, weer twee boeken op het C.V.

Je hebt dichters, en je hebt uittrekselkabouters. Een dichter is iemand die met taal bijzondere, kunstzinnige zaakjes voor elkaar weet krijgen. Een uittrekselkabouter is een goedaardig wezen die heel goed samenvattingen kan maken. Geef hem het toverwoordje corona, en hij kan precies mooi opsommen wat daar allemaal bijhoort. Anderhalve meter. Ellenbogen. Toiletpapier. En zo heb je voor je het weet een heel gezellig boekje vol uittrekselkabouters die alle ellende die je wilt vergeten nogmaals keurig voor je samenvatten.

Als je een schaal hebt met een banaan, een appel, een tros druiven en een kiwi dan heet het samenvatten daarvan in de schilderkunst een ‘stilleven maken’. Echter, het idee daar is dat er ook iets ongrijpbaars in zo’n stilleven zal zitten, een sfeer, en die sfeer is nu juist precies wat er ontbreekt in een typisch gedicht van een uittrekselkabouter. Die sfeer komt namelijk pas aan de orde als alle kabouters met de gedichtjes klaar zijn en Joost Oomen binnenkomt met een verse tros lachballonnen.

Wat is eigenlijk literatuur? Het is denk ik belangrijk die vraag af en toe te stellen, al was het maar omdat de wereld geplaagd wordt door een enorme overproductie van boeken. Wat ik altijd mooi vond aan literatuur is dat het een intellectueel medium is dat niets te maken heeft met een klassenmaatschappij. Zelfs een broodarme jongen uit een broodarme familie ergens in een afgelegen streek in Rusland kan een beroemd schrijver worden, als hij maar de beste schrijver is.

Dat idee vereist natuurlijk een open debat en een open structuur. Zodra zaakjes ‘in het geheim’ moeten worden besproken en beargumenteerd, weet je dat er van alles loos kan zijn, behalve een intellectueel klimaat. Ik moest daaraan weer denken toen van de week allerlei grote namen in de dichtkunst plots niet eens de longlist wisten halen van ‘De Grote Poëzieprijs’ en dat bij navraag men liet weten dat juryleden een geheimzinnigheidscontract dienen te tekenen, omdat het waarom nu eenmaal geheim moet blijven. Geheimzinnigheid die we ook kennen van andere overheidsdiensten, bijvoorbeeld door de toeslagenaffaire.

Als een liefhebber van literatuur vind ik dat jammer, want als je het intellectuele van literatuur afhaalt blijft er eigenlijk niets van over. Zonder een open intellectueel klimaat is er, tja, wat eigenlijk? Representatie. Een van de mensen die ‘goed is in representeren’ is Tsead Bruinja.

Wie representeert hij echter? Mij niet, en de TBS patiënten die hij in zijn dunne boekje Springtij te kijk zet ook niet, want al in het tweede gedicht begint hij op een ronduit kwaadaardige wijze die aan goedkoop televisie entertainment doet denken, de hulpeloze patiënt die hij beschrijft voor de gek te houden.

‘X is Intelligent en Stronteigenwijs’ is de titel, en het gedicht is een soort beschrijving van de persoon alsof je naar Ivo Niehe zit te kijken die een ‘paradijsvogel’ in zijn stoel heeft:

eigenlijk is x muzikant
nadat hij van een vriend een computerprogramma kreeg
klooide hij er net zo lang mee tot het programma deed wat hij wou
daarna maakte hij elektronische muziek die zo goed was
dat hij op een cd’tje kon staan

‘X’ is dus intelligent en stronteigenwijs en ook een beetje dom, en Bruinja heeft de lachers op de hand. De bundel bevat een twintigtal ‘samenvattingen’ van mensen, mensen die zich niet kunnen verdedigen. Ze heten allemaal ‘X’, en dat moet het dan anonimiseren, en als uberuittrekselkabouter toog Bruinja van cel tot cel om van elke Tbs’er even een leuk stilleven te maken.

Het is reality-tv op papier. Bruinja maakt het gelukkig echter niet zo bont als Perquin, die zich ook openlijk aan gevangenen ging staan verlustigen. Het onheilige huwelijk tussen Staat en Kunst is hier doorgeschoten naar realiteitsfascisme. Maar zoals gezegd, elke stap dieper de stront in krijgt onder netwerkers een bijna Startrek-achtig aureool. Uittrekseltjes van Tbs’ers. Je moet het maar durven!

 

 

foto (c) Alja Spaan, Ruigoord, april 2013

 

 

Geplaatst in Column.