Rogier de Jong – Seinpost

Lichtbundel

door Peter Vermaat




De bundel Seinpost van Rogier de Jong is als nummer 58 verschenen in de Bordeauxreeks. Deze hardcover-uitgave is prettig, want veel beter bestand tegen herlezing dan de gemiddelde dunne paperback, waartoe de gemiddelde dichtbundel in de regel veroordeeld is.
Eveneens aangenaam zijn de dubbele bodems die je in menig gedicht kunt ontdekken, zowel vanuit de titel als vanuit verwijzingen of – en dat zie ik het liefst – vanuit meerduidigheid van de taal zelf. Neem nu het openingsgedicht:

Sirene

Toen ik op een ochtend wakker werd
en ontdekte dat ik het lichaam had
van een vogel en het hoofd van een

vrouw daalde er een diepe rust op
me neer. Het was al mooi geweest
om in een uil te veranderen maar

dit was nog beter. Het vooruitzicht
schepen te doen stranden met
welluidende gezangen was meer dan

een mens kon verdragen. Dank u dank u
prevelde ik terwijl ik mijn pluimen
streek en mijn mezzosopraan schraapte.

[p. 13]

Zoals uit het eind van de eerste en het begin van de tweede strofe blijkt, gaat het in het gedicht niet over een luidspreker die iedere eerste maandag van de maand alarm jammert over stad en land, maar over de mythologische ‘vrouw-vogel’, die vanaf de rotsen zeelieden lokte om hen, wanneer hun schip door de rotsen vermorzeld was, genadeloos op te peuzelen. De dichter kiest ervoor zich te beperken tot uitsluitend ‘het hoofd van een vrouw’ en niet, wat de mythische Sirene voor de zeebonken extra aantrekkelijk maakte, ook het bovenlichaam van een vrouw aan te nemen. De nadruk moet kennelijk liggen op het gezang en niet op de fysieke lusten. In de ‘welluidende gezangen’ lees ik een duidelijke verwijzing naar het dichterschap, waarmee dit gedicht als eerste van de bundel goed geplaatst is. Persoonlijk had ik om redenen van klanktechniek en ritme het woord ‘mezzosopraan’ (de ‘m’-klank van ‘mijn’ en ‘mezzo’ en de lange ‘o’-klank van ‘…zoso…’ worden in kort bestek herhaald, hetgeen minder mooi klinkt) vervangen door ‘contralto’. Maar misschien zit ik ernaast en heeft de dichter deze ‘lettergreep-teveel’ juist met opzet geplaatst (of laten staan), om daarmee de suggestie van een onzekere stem te wekken, de bijna stotterende dichter die allerminst zeker is van zijn taal. Daarop wijst ook ‘mijn pluimen streek’, aangezien een pluimstrijker (netjes gezegd) een vleier is en als een dichter wil prijzen en vooral wil aanprijzen, bevinden we ons weinig later in de contreien van de marketingmedewerkers en de voorlichters (oftewel de wereld van het betaalde liegen).

Wellicht, wanneer we verder ronddwalen door de kelders van de poëtica, zien we in de titel Seinpost, die ook de naam geeft aan de eerste afdeling in de bundel, het beeld van de dichter die vanaf een duin aan zee of een andere, wat hogere, liefst eenzame plek, zijn boodschap de wereld en mogelijk het universum in zendt, onzeker of hij ooit gehoord of begrepen zal worden. Deze dichter is een heel andere dan bijvoorbeeld een Achterberg, die eigenlijk in alles, maar wel heel expliciet in het gedicht ‘Dwingelo’, gespitst is op signalen van ‘de ander’ die juist van buitenaf komen. De Jong is de zender en juist niet de ontvanger, integendeel. In het tweede gedicht, ook ‘Seinpost’ geheten, wordt het beeld gebruikt van een vuurtoren. Ik denk dat dit essentieel is voor het begrip van de poëzie in deze bundel. Veel hangt immers af van het licht dat de dichter met zijn taal laat schijnen op ‘de dingen’, waarbij niet alleen het perspectief (schijnwerperlicht of strijklicht), maar vooral ook helderheid en kleuring van belang kunnen zijn. De dingen zijn immers wat zij zijn, maar hebben in het voorzichtige ochtendlicht een andere terugkaatsing dan in het bijna-uitgedoofde avondlicht, om maar te zwijgen van de verschillen tussen de lichtbak van de stroper, de zaklantaarn, de lampion of de fakkel.

Op het ‘heldere parlando’, dat De Jong volgens de achterzijde van de bundel zou schrijven, valt gelukkig wel het een en ander af te dingen. Toegegeven, veel metrum tref je in deze bundel niet aan en ook ritme is lang niet altijd waarneembaar, maar juist vanwege de verwijzingen naar film en literatuur en de meervoudige betekenis-suggesties doet de poëzie allesbehalve ‘babbelend’ aan:

Het vlakke land

Soms vind ik het jammer dat
nergens in Nederland gesteente
boven de bodem uitkomt.

Dat de kloven en dalen diep
onder onze voeten bedolven
zijn onder een dikke laag grond.

De vlakte waarop wij
leven staat getekend
op ons gezicht.

Effen bezien wij de wolven
aan onze kust. En de golven,
in het Hollandse licht.

Calvijn is niet onze
aartsvader. Wij zijn
geboren uit sediment.

Klei is de god die onze
voetsporen vult en onze
voetstappen dempt.

[p. 34]

Er is ritme, er is rijm (driemaal rime riche met ‘onze’, daarnaast bedolven-wolven-golven en anagrammatisch rijm met ‘kloven’, waarvan je ook ‘kolven’ kunt maken), er zijn taalvoerende lagen onder de betekenis (in ‘de wolven’ aan de kust zijn de ‘zeewolf’ en de ‘waterwolf’ te herkennen, de stormachtige gulzigaards die van land weer water willen maken). Strikt geologisch gezien klopt het gedicht niet echt, omdat er op de plek van Nederland nooit een gebergte heeft gelegen en er dus door erosie ook nooit dalen en kloven ingesleten zijn. Ook voor het gebruik van ‘grond’ in deze context moet een beroep worden gedaan op de dichterlijke vrijheid. Dat neemt niet weg dat het beeld van het ontbreken van een stevige stenige onderlaag voor ons bestaan en het in plaats daarvan overvloedig aanwezig zijn van slappe en kleffe substantie, die onze sporen al vrijwel meteen na ons heengaan uitwist, een kernachtige ontologie in zich bergt. Wanneer je bent geboren uit sediment, kom je immers slechts voort uit wat iets of iemand min of meer achteloos heeft laten liggen.

Zoals reeds aangegeven zijn er, behalve Calvijn uit het hierboven geciteerde gedicht, nog veel meer verwijzingen en allusies te vinden in deze bundel. Het gedicht ‘Frida’gaat over de Mexicaanse surrealistische schilderes Frida Kahlo (voluit Magdalena Carmen Frida Kahlo y Calderón (1907-1954), van wie de beknopte biografie al leest als een horrorverhaal), het gedicht ‘Lola rent’ verwijst in elk geval qua titel naar de Duitse film ‘Lola rennt’ uit 1998 (waarin drie mogelijke scenario’s rondom dezelfde situatie getoond worden), in ‘Ergo sum’ komen we via Gerard Reve uiteindelijk uit bij Descartes, in ‘De adelaar is geland’ kan het gaan over de Apollo 11, maar is de titel die van een oorlogsfilm uit 1976 over een poging om Winston Churchill te kidnappen, het gedicht met de titel ‘A New World Symphony’ noemt Spengler, maar verwijst ook naar de bijnaam die de Negende Symfonie van Dvořák kreeg en ten slotte zijn we in het gedicht ‘Zoeklicht’ met ‘innerlijk behang’ (een verwijzing naar de eerste en enige bundel van Hans Lodeizen: Het innerlijk behang) weer bij een dichter, waarin eveneens het licht wordt gekoppeld aan de vrees:

Zoeklicht

’s Avonds kroop het
licht van de vuurtoren over
mijn slaapkamermuur.

God zoekt mij dacht
ik dan. Hij kijkt of ik
wel in mijn bed lig.

God was de politieman en de
vuurtoren zijn zaklamp.
Ik heb me nooit meer kunnen

verbergen. Nog steeds vrees
ik die lichtbundel die kruipend
mijn innerlijk behang aftast.

[p. 69]

De dichter is hier wel heel ver van de vuurtoren die bij nacht de omgeving in hel licht laat baden, hij toont zich hier eerder als duinkonijn dat door een jager met schijnwerper opgejaagd wordt. Bij dit laatste beeld drong zich bij mij de vergelijking op met een scène uit het laatste deel van de Lord of the Rings -trilogie, waarin het oog van Sauron als een zoeklicht de omgeving van Mount Doom afspeurt en de nabijheid van die blik door de hoofdpersonen als fysieke marteling ervaren wordt. Het zoeklicht van de hogere macht, dat doordringt tot in je denken en gevoel, is een verschijning van de bijna archetypische angst voor het blootgelegd worden van alles wat jou maakt tot wie je bent en het doorzichtig – en daarmee voor jezelf onzichtbaar en onkenbaar – worden van je binnenste ik.

In dit licht is het WiFi-symbool, dat op de voorkant van de bundel boven de i van Seinpost geplaatst is, mogelijk – naast een symbool van verbinding van het ik met de anderen – tevens een waarschuwing voor de kwetsbaarheid die deze open communicatie onvermijdelijk met zich meebrengt.
De dichter die met zijn dichtbundel een lichtbundel laat schijnen op zijn omgeving, kan door diezelfde lichtbundel met al zijn hebben en houden, zijn neigingen, angsten en liefde, in de felle schijnwerper en het volle licht van de lezer worden gevangen.
____

Rogier de Jong (2021). Seinpost. Liverse, 92 blz. € 19,95 ISBN 9789492519597

Geplaatst in Recensies.