Elly Stolwijk

Elly Stolwijk (1957) is beeldend kunstenaar en dichter. Gedichten van haar zijn opgenomen in tijdschriften en verzamelbundels. In februari 2020 verscheen het poëziedebuut  liefde de vluchtige holte  bij uitgeverij In de Knipscheer. Dit jaar volgt een tweede bundel.
Eind 2020 kwam  Return to Familiar Grounds  uit, een boek-met-CD van Michel Duijves in samenwerking met het Upperworld Underworld Ensemble (twee blazers, twee akkoordinstrumenten en een dichter). Elly schreef hiervoor zeven nieuwe gedichten. Na de première op 23 november 2020 zijn alle voorstellingen voorlopig afgelast vanwege Covid-19.

foto Jan Brinkman

 

 

oost

goudvisjes waren we, zwemmend in een bekroosde waterplas
ergens op het platteland, hoewel dat niet onze habitat was.
bij aanvang van de winter kropen we diep in de modder
en ontwaakten toen het voorjaar kwam.

we bleken gegroeid, wapperend, waaierend met staart
en vinnen zochten we een opening in het spiegelende vlies
dat ons scheidde van de lucht, we zagen onze bekken happen,
het stikken nabij omdat we vergaten dat we kieuwen hadden.

het blauw van de hemel lokte. o,
dat vinnen zouden veranderen in vleugels, schubben in veren,
dat we als ijsvogeltjes konden worden, de rug zo prachtig turkoois,

de borst nog oranje, de ademnood overstijgen,
pijlsnel schichten boven een gulle beek, goudvisjes vangen
en die met liefde stukslaan tegen een tak en verteren.
zuid

we kwamen aan land.
de boompjes die we kweekten bleven klein, dat moest.
we hielden de wortels kort en knipten uitwassen weg.
van het licht controleerden we intensiteit en duur,

voeding wogen we af.
een uitdaging lag in het stabiliseren van de temperatuur.
de naam- en geslachtsloze gewassen waren ondergeschikte
vormen zonder inhoud. met inhoud bedoel ik ziel.

op een dag komt er een vloedgolf. de bomen met hun kleine kluitjes
slaan de wortels uit, draaien de kruinen naar de zon.
ze drijven weg, de zee op, we zijn ze kwijt.

we moeten de bakens verzetten en zeilen naar de horizon,
eten rauwe vis, drinken regen. als ons haar lang is stuiten we op
een warme kust waar hoge bomen met rijpe vruchten ons verwelkomen.
west

er staan tractoren op het strand. de houten huisjes
tegen de duinrand zijn weer leeg en wachten.
in de flauwe branding schrobt een smalle vrouw een blauwe plastic ton.
ze kijkt op en ziet hoe de vuurtoren aangloeit,

trekt haar overall uit, ook de wollen muts gaat af.
zonder aarzeling loopt ze het water in en dobberend in het avondrood
ziet zij de laatste sterns overvliegen,
voelt tegen de schouderbladen kleine visjes tikken.

het is genoeg. lege mesheften kraken onder haar voeten,
ze zwaait een handdoek om haar middel,
ruikt blaasjeswier, zeeschuim, kerosine.

bundels van licht schampen de grijze duintoppen.
de vrouw beweegt nauwelijks en alleen nog om het zout
van haar gerimpelde handen te likken.
noord

het slechts door vogels – zoals grote stern, dwergstern, bonte pieten –
bewoonde eiland zal ik bereiken
door vroeg in de ochtend over het drooggevallen wad te lopen,
proviand op de rug, verrekijker op de borst.

omdat het koud is draag ik een surfpak.
het bij elke stap wegzakken in het slik weerhoudt me van puur genieten.
nevel beperkt het zicht, ik verlaat me op herinnerde navigatie
en de wetenschap dat het voorgaande keren ook is gelukt.

gedachten dwalen af naar de tijd dat mijn haar nog zwart was,
huid strak met gouden glans, hart groen als gras, gewrichten soepel;
naar zomerse nachten onder zeldzaam oplichtende wolken.

na het wegtrekken van de mist
blijkt dat ik in een cirkel heb gelopen en het vasteland nader.
dat er nooit enige rechte lijn is geweest.
Geplaatst in Gedichten.