Hans Warren – Grafkrans

Nu een nieuw gezicht

door Herbert Mouwen


Na een maand

Graf, grauwe verse wond in hoge zomer:
dit is het doodlijk voortgaan der seizoenen
het brandend licht verpulverde tot lome
warmzoete geuren de verbruinde bloemen.

Strooiende rozen, luidruisende bomen –
en buiten ’t openliggend dodenerf
deinen de velden, vloeien trage stromen
waarover schepen glijden naar de herfst.

Van dag tot dag steeds hopelozer dervend
denk ik steeds aan je kleine blanke handen
die mij nog troosten wilden toen je mond
al zweeg. Mijn zomer, moeder, na je sterven
is als je graf in de welige landen:
verschroeide bloemen op verdroogde grond.

Het gedicht ‘Na een maand’ is het openingsgedicht van de kleine bundel Grafkrans van Hans Warren. Hij ziet het graf van zijn moeder als ‘een grauwe verse wond in hoge zomer’. Er is geen tijd om er lang bij stil te staan, geen tijd om te rouwen, er ‘is het doodlijk voortgaan der seizoenen’. Echter, de ik-figuur mist zijn moeder ‘Van dag tot dag steeds hopelozer’.

Het is het eerste sonnet van een reeks van acht sonnetten naar aanleiding van de dood van zijn moeder. Het boekje van 32 pagina’s bevat ook een nawoord van zijn levenspartner Mario Molegraaf met de paradoxale titel ‘De echtheid van vervalsing’. Voor de lezer die niet op de hoogte is van zijn bekende gedicht ‘174’ duurt het even voordat hij vat krijgt op de tekst van Molegraaf. Het getal ‘174’ staat voor het nummer, waar het graf van zijn moeder zich bevindt. Het was vermeld op een betonnen paaltje dat inmiddels verdwenen is. Ook de dichter zelf heeft daar sinds 2001 zijn laatste rustplaats. Het construeren van een kleine tijdlijn schept duidelijkheid. De begrafenis van Warrens moeder is op 9 juni 1951. Precies drie jaar later (9 juni 1954) is Warren op haar begraafplaats in Borssele. Na thuiskomst schrijft hij het gedicht ‘174’. Warrens mededeling ‘Drie jaar geleden / huilde ik een grafkrans van sonnetten bij elkaar, / lelijk als de pareltjestooi / die men in gevangenissen vlecht’ maakt de lezer nieuwsgierig. De dichter vindt blijkbaar na het overlijden van zijn moeder dat de ‘grafkransgedichten’ die hij heeft geschreven niet voor publicatie in aanmerking komen. De reden is niet helemaal duidelijk. Molegraaf citeert Ad den Besten die in Stroomgebied. Een inleiding tot de poëzie van de na-oorlogse dichtersgeneratie (1954) erop wijst dat de gedichten niet meer pasten in de volgende bundel van Warren, namelijk Leeuw Lente (1953), ‘ongetwijfeld de luidruchtigste dichtbundel uit het oeuvre van Hans Warren, misschien wel uit de complete Nederlandse literatuur’. Met de kennis van nu kunnen we dit laatste zonder meer relativeren, maar dat Hans Warren met Leeuw Lente een voor hem nieuwe weg insloeg is waar.

‘Grafkrans’ is nooit gepubliceerd, maar wel in Warrens nalatenschap teruggevonden. Hij schijnt met het idee rondgelopen te hebben om deze gedichten in een bundel over de Watersnood op te nemen. Die zou uitgegeven worden ten bate van het Rampenfonds, maar het is er nooit van gekomen. Wel geeft Molegraaf op basis van gegevens uit Warrens dagboek aan dat zijn levensgezel een dichtbundel van 25 gedichten wilde schrijven ter nagedachtenis aan zijn moeder met de titel Haar kamer in het najaar. De acht sonnetten zouden deel uitmaken van deze bundel.

Mario Molegraaf geeft met dit boekje niet alleen de acht sonnetten uit, maar hij wil hiermee ook zijn biografie Opperhuidmens. Een biografie van Hans Warren aankondigen, die in 2022 zal verschijnen promoten. De tekst bevat dan ook enkele biografische gegevens betreffende zijn huwelijk met Helen, de abortus van haar eerste zwangerschap, de geboorte van hun dochter enige tijd later en zijn verdere liefdesleven in Parijs. Het is geen informatie die relevant is voor de inhoud van de acht sonnetten; hij had zich beter alleen kunnen richten op de poëzie. Deze vooraankondiging krijgt nu het karakter van een reclamefolder voor de komende biografie. Het bespreken van de sonnetten, in relatie tot oude en nieuwe dagboekaantekeningen, de fragmenten van gedichten die het niet gehaald hebben en allerlei biografische gegevens maken de tekst er niet duidelijker op. Inhoudelijk komt deze verwarrend over. Hopelijk krijgt de biografie van Molegraaf een heldere opzet, maar ik heb zo mijn twijfels.

De gedichten zijn ook voor de tijd waarin ze ontstonden traditioneel van opzet. Zoals bij Hans Warren te verwachten valt, speelt de natuur een centrale rol. De gedichten zijn bevolkt met allerlei soorten vogels en bloemen. Soms bevatten ze mooie versregels, zoals in ‘Aarde en avond’ waar de ik-figuur aangeeft wat hij van het rouwproces van zijn moeder geleerd heeft: ‘Omzichtig leer je mij dat dood en leven / spiegel en beeld van eendre schaduw zijn’. In ‘Herfstmorgen’ vraagt de ik-figuur om vergeving om uiteindelijk te zeggen: ‘met laffe tranen in de ogen / aanvaard ‘k de herfst maar ik heb niets geleerd.’ Uiteindelijk is het slotgedicht ‘Incipit vita nova’ (Een nieuw leven begint) een louterend nieuw begin. De ik-figuur heeft het over herboren worden en over het herkrijgen van de zin van het leven.

Het is voor jou dat ik opnieuw begin,
de dingen noem met jonge frisse woorden.
Ik werd zojuist opeens bewust herboren
liep toen verrast en blij de regen in.

’t Leven van elke dag herkreeg zijn zin,
ik liet me als de bomen ringeloren
door de novemberstormen en ik hoorde
branding dreunen aan onbekende kim.

‘k Ben als narcissen die nu diep in d’aarde
reeds strekken naar waar eens die zon zal zijn,
‘k vlieg verheugd als een vogel naar het licht.

Weg met portret en graf, de trouw bewaarde
zoete herinneringen aan de pijn:
jij hebt, als alles, nu een nieuw gezicht.

Hans Warren (2021). Grafkrans. Artistiek Bureau, 32 blz. € 20,00. ISBN 9789083144900

Geplaatst in Recensies.