Herbert Mouwen – De tuinen en het licht

Poëzie om niet met elkaar te hoeven praten

door Hettie Marzak




In de derde bundel van Herbert Mouwen (1952), De tuinen en het licht, bevat de eerste afdeling ‘De tuinen’ vijftien gedichten die ook daadwerkelijk allemaal over een tuin gaan of zich in een tuin afspelen: een wilde tuin, een tuin bij avond, een moestuin, een kloostertuin. Er lopen mensen in rond, een kind, een man en een vrouw die een slechte relatie met elkaar hebben, een voormalig straaljagerpiloot die tuiniert ‘bij wijze van zelfreiniging’, een man die zich de tuin van zijn jeugd herinnert. Net als de mensen wisselen ook de seizoenen elkaar af in de tuinen, tot in het laatste gedicht ‘Dode bladeren’ de herfst niet alleen een einde maakt aan de bloei in de tuinen, maar ook aan de relatie van een liefdespaar. Als het over dezelfde mensen gaat, was die relatie al niet zo best:

Vlammen

De man heeft met een stuk karton het vuur
aangewakkerd totdat de vlammentongen
aan de withete kooltjes ontsnappen

hij pakt een fles wijn en twee glazen
de vrouw plooit haar gelaat in een glimlach
en haar spreekwolk loopt langzaam vol

voor iemand iets voelen is denken iemand
te kennen zonder dat je iets wilt van die
ander zonder dat je weet wie hij is zegt ze

de man kijkt naar de tattoo die boven haar
borsten bloeit en ziet dat aan de witte sering
de eerste bruine bladeren krullen

de vrouw neemt wat van de witte koolsalade
legt een bleke kipfilet op de rooster en
doet een lepel red hot chilisaus op haar bord

zij kent de leugen van het minnen
de charmeur die haar nooit bloemen geeft
de vogelverschrikker die haar toegrijnst

de vuurspuwer die haar mond wil dichtnaaien
de zondagsdichter die aan zijn glas wijn nipt
en zich verslikt in haar leeftijd

De vierde strofe springt eruit, je hoopt dat de vrouw een tatoeage van een seringenboom op haar borst heeft laten zetten en dat ‘de eerste bruine bladeren’ niet van een echte boom zijn, maar verwijzen naar ‘haar leeftijd’ in de laatste strofe.

Er worden geen andere leestekens gebruikt dan een hoofdletter aan het begin van een titel en de eerste versregel. Dat geeft een beetje een staccato-effect, alsof je een rapportage leest van een observatie. De gedichten maken een afstandelijke indruk, doen geen poging om te appelleren aan een emotie of identificatie. Het wil nergens echt spannend of vrolijk worden, er gebeurt weinig. In het gedicht ‘Verdwaald’ vertelt de dichter over een man en een vrouw: ‘(…) ze lazen poëzie / om niet met elkaar te hoeven praten’. Als dat de reden is waarom je poëzie leest, dan maakt het niet uit wat je leest. Dan hoeft het niet te verbazen dat het hier om gezapige poëzie gaat zonder echte verrassingen.

In de tweede afdeling, ‘Voedingsbodem’, wordt de achtergrond van diverse mensen belicht en de beweegredenen voor hun daden. Ook in deze gedichten wil het met de liefde niet echt lukken: ‘de verse jus d’orange ontbreekt / bij het ontbijt / hij kan haar bloed wel drinken’.
Toch zijn de gedichten in deze afdeling positiever en ook interessanter, omdat ze complexer zijn wat metaforen betreft en zich ook meer bezighouden met innerlijke zaken dan met alleen wat je ziet. Het verschil met de vorige afdeling is dat de gedichten zich meer toespitsen op een individu in plaats van algemeenheden. Er is een gedicht opgenomen over de vader van een meisje met anorexia, een vrouw met een hersentumor, een man bij wie het begin van de ziekte van Alzheimer te merken is: ‘het geheugen van de man graaft / nog geen kuilen in zijn hoofd / maar de zin van het onthouden / is hem ontvallen’. Maar niet alle gedichten gaan over persoonlijk leed; er is een ode gewijd aan het Franse platteland, aan Picasso, zonlicht en meisjes: het seizoen van deze afdeling is zomer.
Mouwen hanteert vaak ironie in zijn gedichten. De ene keer lukt dat wat beter dan de andere, maar een echt succes wordt het nergens:

Kopzorgen

een handleiding

Je hoofd even verzetten klonk het
op de radio
niet je zinnen maar je hoofd verzetten

a doe latex handschoenen
en een bloedbestendige schort aan
b leg een plastic tafellaken op de tafel
en schroef het hoofd van de romp
c houd het met beide handen vast en
vang de bloedgedachten die eruit
lopen in een maatbeker op
d  zet het lege hoofd op de tafel
e  zie het niet in de ogen

nb niet vergeten het hoofd te verzetten

Je kunt je wel ergeren aan een verkeerd gebruikte of verhaspelde uitdrukking, maar door zo’n gedicht te schrijven als reactie daarop bega je een grotere zonde.

De titel van de derde afdeling is ‘Het bodemloze’, een woord dat vaak gebruikt wordt als adjectief bij wanhoop en verdriet, of als de vaste grond onder je voeten weg is. De gedichten gaan dan ook over ernstige zaken: eenzaamheid, verwarring, duisternis. De winter heeft zich aangekondigd en de dichter ‘(…) weet als geen ander / dat over de winter dichten geen zin heeft’. De tijd verstrijkt en herinneringen kondigen zich aan:

Vroeg of laat

Het dient zich aan zonder inhoud
vandaag of morgen
op een andere wijze wellicht
vroeg of laat
bij wijze van tijd tot tijd

er is niets
ook daarna niet
wat blijft is een huis van marsepein
een leeg harnas
misschien iets van liefde
een herinnering zo je wilt

wellicht is er een vooraf
wat dat ook mag zijn
waar duurzaamheid aanwezig lijkt
maar voor je het weet vertrekt het
blijft het zoals het blijft

Ik vraag me af waarom de bundel de titel De tuinen en het licht heeft. Er zijn genoeg gedichten over tuinen in te lezen, maar ik heb nergens het licht gezien.
____

Herbert Mouwen (2021). De tuinen en het licht. Brave New Books, 52 blz. € 12,76. ISBN 9789464350890

Geplaatst in Recensies.