Hans van der Veen – Weemoedig voorwaarts / Wehmut und so weiter

Lévi Weemoedt und Viel Weltschmerz

door Hans Franse




Toen ik de bundel in handen kreeg vermoedde ik dat het niet zo een moeilijke recensie zou worden; de gedichten van Lévi Weemoedt (Isaäc Jacobus van Wijk, 1948) zijn, na een herontdekking in het programma DWDD, alom bekend en waarschijnlijk vele malen gerecenseerd, bovendien is het een keuze uit bestaande gedichten uit een drietal bundels: Geduldig lijden, Geen bloemen, en Gezondheid. Ik vermoed dat na de beschouwing van Matthijs van Nieuwkerk die volgens de redacteur van TZUM geen boek uitleest, maar wel een mening heeft, deze bundels veel verkocht en gelezen zijn. Het is immers geen zware poëzie, edoch luchtig en geestig; misschien bulkt de lezer niet van het lachen, maar een glimlach met opgetrokken mondhoeken en een twinkeling in het oog levert het lezen altijd wel op. Misschien verwachtten sommigen meer lachen, gieren, brullen, maar evenals bij het lezen van Karel Bralleput (=Simon Carmiggelt) levert zijn poëzie naast bewondering voor de virtuositeit, toch de overtuiging op dat het echte poëzie betreft en dieper gaat dan men vermoedt. Wellicht voelt men nog een onbewuste weemoed diep in zichzelf.

De recensie, dacht ik dus, zou moeten gaan over de vertaling in het Duits. Nu ben ik Neerlandicus en al houd ik veel van Duitse literatuur,- de romantiek en het Interbellum tot 1933 leverden juwelen van teksten op, vaak met een milde ironie,(Kästner, Tucholsky) maar zeker geen ‘grimlachjes’. De Duitse romantiek uit de 19e eeuw stond strak van de ‘Sehnsucht’. Ik ben zeker niet linguïstisch competent om de Duitse vertaling als zodanig te beoordelen, maar ik weet iets van het vertaalproces. Ik heb met een vertaler aan tafel gezeten voor mijn Umbrische gedichten, (Het Umbrisch Getijdenboek / Le ore canoniche Umbre) – die ik zelf provisorisch had vertaald – in zware sessies met veel vertaalschermen en veel analyses woord voor woord, zin na zin, klank voor klank. Lettergrepentelling, assonanties en beeldspraken werden weergegeven en vooral de muzikaliteit brachten we er samen in. Over een gedicht deden we een middag voordat de anderstalige equivalent vorm kreeg, ondertussen discussiërend over de poëzie in twee taalsystemen die elkander bijna uitsluiten. En als je dan een vertaling gemakkelijk wegleest en iemand zegt dat dat toch niet zo moeilijk moet zijn, terwijl je weet hoe zwaar het was, dan weet je ongeveer hoe Hans van der Veen heeft moeten zwoegen om niet alleen een vertaling te maken die én vormtechnisch én inhoudelijk én semantisch klopt, maar vooral ook de geest van Lévi Weemoedt weergeeft..

CONSERVATIEF

De zon komt in het oosten op.
Gaat onder in het westen.
Het had ook andersom gekund.
Maar zó is het toch het beste.

____________

KONSERVATIV

Die Sonne geht im Osten auf.
Geht unter in dem Westen.
Geklappt hätte es auch umgekehrt.
Doch so ist’s wohl am besten.

Dat Van der Veen een modale constructie met een conjunctief vertaalt (hätte) is natuurlijk een vondst en er zijn veel van dit soort vondsten. Ik weet dan ook niet of het woord ‘hertaling’ een vorm van al dan niet valse bescheidenheid van Van der Veen is, want als iets nu één echte VERTALING is dan is het wel deze. Ik vraag me bovendien af of het woord ‘hertaling’ hier wel juist is. Is ‘hertaling’ niet voorbehouden aan het omzetten van oudere teksten tot nieuwere in dezelfde taal met woorden en constructies die de schoonheid of helderheid van een tekst voor de lezer van nu verduidelijken? Vondel, Brederode werden ‘hertaald’; Shakespeare wordt vertaald.

Door de Duitse vertaling, woordbeeld en klank, zie je ineens dat de poëzie van Weemoedt in de Duitse romantische traditie past en daarmee de lijn voortzet die de ook in Leiden gestudeerd hebbende Piet Paaltjens oppakte in zijn Snikken en Grimlachjes, waarin we vooral Heine horen. Was Heines humor wat poëtischer, Paaltjens overschreeuwde zijn gevoel met vaak absurde grappen. Misschien was de levensangst van Paaltjens (Francois Haverschmidt 1835-1894) heviger, maar deze Leidse theologie student die met zijn ‘worgengel’ (engel des verderfs) worstelde, inspireerde Weemoedt tot de romantisch-weemoedige traditie vol Weltschmerz. Deze weemoedige ondertoon combineerde Weemoedt met het vernuft en woordenspel van dichters als Christian Morgenstern en Joachim Ringelnatz en het vaak absurde van Paaltjens. Om zo mooi te kunnen vertalen, dat het lijkt alsof alles volledig op zijn plaats valt in de andere taal alsof het daar deel van uitmaakt, is niet alleen knap, maar verraadt ook een grote kennis en een dichterlijk gemoed.

Ik zal twee gedichten weergeven waarbij het mij gaat om de kwaliteiten van Lévi Weemoedt en de vertaling. Ik koos juist deze gedichten omdat ze ook zoveel gemeen hebben met poëzie van Paaltjens die ook vaak vrouwen ten tonele voerde die onbewust, zonder het te weten bemind werden en jongensharten in de war brachten.

NAAR DE POMP

Blond haar en een roodzwart ketelpak:
o, Sandra met die slang die zij in je stak!
Daar spoot zij benzine mee bij je naar binnen.
Dat werkte zo prikkelend op onze zinnen,

dat het één na het andere jongenshart brak
bij dat Texacostation. Van Sandra Bak.
Waar is zij gebleven? Waar ging zij heen?
Stapte zij in een auto? Bleef ze alleen?

Ze maakte op ’t laatst nog je voorruit schoon
en lachte dan naar je. Niets was meer gewoon.

als je sling’rend van liefde de rijksweg opreed
richting een doel dat er niet meer toe deed.

______________

AUF ZUM TANKEN

Blonde Haare, rotschwarzer Arbeitsanzug:
o, Sandra, die willig den Slauch ‘rüber trug!
Damit spritzte sie straff Benzin bei dir ‘rein.
Das wirkte so geil auf unser Gemüt ein,

dass sie Knabenherzen der Reihe nach brach,
an jenem Texaco-Stopp, Sandra im Haag.
Wo ist sie hin? Bei wem stieg sie ein?
Im Wagen verschwunden? Blieb sie allein?

Sie wischte zuletzt dir die Frontscheibe sauber
und lachte dir zu noch. Die Welt war voll Zauber,

wenn man schleudernd vor Liebe zur Autobahn fuhr,
irgendwohin, ja, dem Fahren galt’s nur.

Weemoedt bezong de benzinepomp en gebruikte een modern décor: een auto, een benzinepomp, een rijksweg. In 1867 bezong Paaltjes een meisje dat hij had gezien: Rika, eveneens in een toen modern transportmiddel: de stoomtrein. Hij zag haar: ‘(…) Gezeten in een sneltrein, die den trein / Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart. / De kennismaking kon niet korter zijn (…)’. Sinds die tijd is de dichter van streek, hij zag haar: ‘(…) lang genoeg, om mij / Het eindloos levenspad met fletsen lach / Te doen vervolgen (…)’.
Waarom heeft zij de deur van het rijtuig niet geopend en hem omarmd en gekust? ‘Gij… vreesdet mogelijk voor een spoorwegramp / Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn / dan onder helsch gereutel en gestamp / Met u verplet te worden door één trein?’
Zie dit citaat als eerbetoon aan een inspirator van Lévi Weemoedt, die op zijn beurt de lezer ook confronteert met een trein die via Hans van der Veen weer terugrijdt naar waar hij hoort: in de Duitse romantiek.

BROODJE LEED SPECIAAL

Ik zit vaak op verlaten stadsstationnen
met in mijn mond een beet saucijzebrood.
Denk steeds: waarom ben ik de reis begonnen?
En eig’lijk, eig’lijk wil ik liever dood.

Maar dan begint de trein ineens te rijden
en schiet het zonlicht in mijn zwart gemoed,
dat als een laser-straal ’t gezwel begint te snijden:
wat smaakt dan het saucijzebroodje goed!

En op het ritme van de ratelende slagen
grijpt een geluksgevoel mijn oude jichtkas aan.

Een lied welt in de krop: zal ik gaan vragen
of ik heel even op de bank zou mogen staan?

Maar dàn zie ‘k voor een overweg jouw wagen
en vliegt de rest van het broodje op de spoorwegbaan.

En dan het Duits: het zou Kästner kunnen zijn. In ieder geval een prachtige vertaling, waarbij woorden als ‘saucijzeroodje, jichtkas’ speels vertaald zijn. Ik heb genoten van de bundel, kan hem aanraden aan ieder die van romantiek houdt, van melancholie en verstopt gevoel, van taalvirtuositeit met kleine absurde trekjes. En vooral voor hen die van mooi, zacht Duits houden. Geniet er nog even van.

BRÓTCHEN SPEZIALQUAL

Ich sitze oft in leeren Bahnhofshallen,
in meinem Mund ein kleiner Happen Wurstbrot.
Stets vom’Was soll die Reise?’ überfallen.
Und: eigentlich wär’ich lieber tot.

Doch dann beginnt der Zug sich zu bewegen,
das Sonnenlicht hat meine Trauerbrust entdeckt,
es will als Laserstrahl in dieser Wucherung sägen,
wie gut das Wurstbrot mir dann schmekt!

Und in dem Rhythmus vom rasselnden Jagen
greift Euphorie meinen Altersbrustkorp an.

Ein Lied schwillt mir im Hals: soll ich jetzt fragen,
ob ich ganz kurz aufm Sitzplatz stehen kann?

Doch dann seh’ich bei einen Übergang deinen Wagen,
und kommt der Rest vom Wurstbrot auf den Schienen an.

____

Hans van der Veen (2021). Weemoedig voorwaarts, Wehmut und so weiter. Eenentwintig gedichten van Lévi Weemoedt met Duitse hertaling. Eigen beheer, 59 blz. € 9,95.

Geplaatst in Recensies.