Jeroen Dera – Poëzie als alternatief

Poëzie als pamflet

door Herbert Mouwen



In zijn boek Poëzie als alternatief dat net verschenen is, wil Jeroen Dera aantonen ‘dat poëzie, juist in de 21e eeuw, een fenomeen is dat – tegen alle clichébeelden in – de blik naar buiten richt.’ Hij veroordeelt niet de poëzie ‘waarin het om het innerlijke gaat’, maar hij vindt het wel ‘kortzichtig’ als het bij poëzie bij uitstek daarom gaat.

Een meeslepend boek

Erg hoopvol klinkt Jeroen Dera niet in het eerste hoofdstuk dat de titel ‘Een onderdompeling. Poëzie en de buitenwereld’ heeft, maar hij is bereid de strijd aan te gaan, zoals blijkt uit de zin: ‘Je zou hopen dat je anno 2021 van zo’n inzicht moet gapen, maar de algemene beschouwing is te hardnekkig om er niets tegenover te stellen. Inderdaad, Poëzie als alternatief is geen boek waarbij je in slaap valt. Integendeel, Jeroen Dera sleurt je mee van de ene naar de andere dichter die buiten de behoudende poëzielijntjes kleurt en dat doet hij in een hoog tempo met een grote diepgang oftewel: je komt leesadem tekort.

Een verwijzing naar het werk van Ester Naomi Perquin maakt wat hem betreft duidelijk hoe ook hij poëzie ziet: ‘poëzie is taal die lak heeft aan het geijkte denken.’ Wanneer hij het werk van Faverey aan de orde stelt om aan te tonen dat het bij deze dichter in zijn gedichten om de taal zelf gaat en niet om een boodschap, dan wordt dat duidelijk in een vroeg gedicht van hem: ‘Geen metafoor // komt hier aan te pas. / De lucifer, // conform zijn opdracht, / communiceerde verbrandend.’ Treffend verwoordt Jeroen Dera het werk van deze alternatieve, strikt autonome dichter aan het eind van zijn bespreking: ‘Poëzie is wat anders dan een middagje de stad in.’

In Poëzie als alternatief stelt Dera in duidelijke bewoordingen: ‘De 21e-eeuwse gedichten die ik in dit boek bespreek, zetten met hun blik op de wereld allemaal iets op het spel, ondermijnen het hapklare recept, waarmee het alledaagse spreken de wereld voor ons bakt.’ Dat maakt hij waar, het boek is een divers en kleurrijk boek geworden dat op eigenzinnige en deskundige wijze gedichten van moderne dichters analyseert en bespreekt en dat tevens een pleidooi is voor de andere poëzie. Voor dit actuele boek heeft hij geput uit zijn poëziebesprekingen die hij sinds 2009 geschreven heeft, zoals hij in zijn ‘Verantwoording’ achter in het boek aangeeft. Naast de dichtbundel als klassiek medium, waarin overigens gedichten in de meest uiteenlopende vormen te vinden zijn, wijst hij op de grote variëteit van publicatiemogelijkheden, zoals apps, websites, gebouwen, posters, standbeelden en zelfs ‘wegwerpzakjes voor hondenpoep’.

Maatschappelijke thema’s

Kwaad gesternte (2016) van debuterend dichter Hannah van Binsbergen won de VSB Poëzieprijs 2017. Dera plaatst de bundel in de actuele ontwikkelingen van het groter worden van de scheiding tussen arm en rijk, de overheersing van het neoliberalisme en de bedreiging van het ecosysteem. Dit leidt tot bespiegelende poëzie waarbij aan de ene kant de dichters zich keren tegen ‘de kapitalistische consumptiemachine’, terwijl ze aan de andere kant driftig werken ‘aan hun image op Instagram’. Ook ‘gebruiken ze Skyscanner om het goedkoopste vliegticket naar een internationaal poëziefestival te vinden.’ Voor Van Binsbergen heeft de poëzieprijs die haar een bedrag van € 25.000 oplevert ‘kosmische proporties’,  die haar in verwarring brengen. De dichter en publiciste Ellen Deckwitz zet een volgende stap. Zij noemt zichzelf ‘het product Ellen Deckwitz’, richt zich op een groot publiek en pakt haar dichterschap commerciëler aan. Na deze twee dichters komt binnen de economische thematiek van dit hoofdstuk het werk van Dominique De Groen, Paul Bogaert, F. van Dixhoorn en Jeroen de Rooij aan bod. Aan de hand van scherpe analyses van representatieve gedichten uit hun werk maken ze de paradox van ageren tegen het economisch systeem, terwijl ze daar zelf deel van uitmaken zichtbaar. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de zelfspot van de dichters die beseffen dat ze in een dubbele positie zitten nauwelijks effect heeft op de lezer.

Terecht heeft Jeroen Dera veel aandacht voor het oeuvre van H.H. ter Balkt (1938-2015), ‘de taalvirtuoos’ die zich vanaf zijn debuut Boerengedichten (1969) keerde tegen degenen die de natuur ‘in haar mythische oerstaat’ vernietigen. De bespreking van de bundel Onder de bladerkronen (2010) graaft diep en geeft de lezer allerlei beweegredenen waarom Ter Balkt dit soort ‘ecokritische’ natuurpoëzie schrijft. Als lezer voel je je geroepen deze bundel te (her)lezen. Veel van dit soort geëngageerde poëzie heeft een onderkoelde toon en een zakelijke registratie. Dera citeert en becommentarieert een gedicht uit de bundel Tempel (2013) van Mustafa Stitou dat met de tegenstellingen ‘mens-dier’, ‘koe-woonwijk’, ‘woonwijk-voortuintje’ en levend dier-dood dier de afstandelijkheid van de mens tot de dierenwereld laat zien. De lezer wordt door het enjambement ‘bekijks-wanneer’ en de regel wit op het verkeerde been gezet: de sensatiezucht van de mensen overheerst (‘doodgeschoten, doodbloedt’), niet de bezorgdheid voor het dier dat in een woonwijk terecht is gekomen:

Op een zomeravond
raakt in een woonwijk een koe
verzeild. Trekt veel bekijkswanneer ze door een agent
wordt doodgeschoten, doodbloedt
in het voortuintje van een rijtjeshuis

In het hoofdstuk ‘Geschiedenis weg, nu ik. Poëzie en gender’ heeft Jeroen Dera achtereenvolgens aandacht voor het werk van Annemarie Estor, Anne Vegter, Maartje Smits, Marieke Lucas Rijneveld en Radna Fabias. Deze laatste dichter kreeg voor haar debuutbundel Habitus (2018) veel prijzen. De positie van de vrouw in het bijbelboek Genesis, de vrouwelijke seksualiteit, het huwelijk, de betekenis van de kleur wit en de dominante mannelijke cultuur zijn thema’s in deze bundel, die Dera overigens niet ‘pamflettistisch’ vindt, omdat Fabias niet ‘predikt’, maar haar thematiek ‘zichtbaar maakt’. Hij vraagt zich ook af of hij ‘het privilege’ – als witte man – heeft ‘om dit soort vrouwelijke stemmen van commentaar te voorzien’. Gelukkig komt hij tot de conclusie ‘dat ook mannelijke critici aandacht blijven vragen voor sterke teksten van vrouwen die seksisme, onderdrukking of stereotypering aan de orde stellen – want deze mechanismen zijn te kwalijk om niet over te schrijven.’ Dit gender-hoofdstuk is het boeiendste van Poëzie als alternatief: het schudt je als lezer écht wakker.

Een gemis

In Hoofdstuk 6 ‘Een alternatief voor de Hollandse zondvloed. Wat moet er gebeuren aan ons poëzieonderwijs’ gaat Jeroen Dera in op de didactiek van het poëzieonderwijs en op de verschillende lesmethodeboeken die in het voortgezet onderwijs gebruikt worden. Hij stelt vast dat er nog veel ‘werk aan de winkel’ is. Ik denk dat meer aandacht voor zaken als poetry slam, poëziewedstrijden voor jongeren, poëziefestivals en publicatiemogelijkheden op social media e.d. ook een wezenlijke rol kunnen vervullen bij het ontwikkelen van belangstelling bij jonge mensen die graag poëzie (willen) lezen en schrijven.

Na het lezen van Poëzie als alternatief kan het boek dienst doen als naslagwerk van besprekingen van moderne poëziebundels die verschenen zijn. Het heeft de status van een actuele poëziegeschiedenis vanuit de door Dera zelf genoemde thema’s economie, ecologie en genderdiversiteit. Het kan goed naast de bestaande boeken over literatuurgeschiedenis geraadpleegd kan worden. Daarom is het onbegrijpelijk dat Poëzie als alternatief geen inhoudsgave en een personenregister – eventueel met de titels van de besproken bundels – bevat. Die twee zaken zouden de praktische bruikbaarheid van dit boeiende boek sterk bevorderd hebben. Nu is voor de lezer het achteraf opzoeken van een dichter of dichtbundel een tijdverspillende oefening in langdurig bladeren en geduld hebben, al geef ik toe dat ik bij dat bladerend opzoeken, telkens weer aan het lezen sla en de aan mijzelf gestelde opzoekopdracht voor even vergeet.

____

Jeroen Dera (2021) Poëzie als alternatief. Wereldbibliotheek, 190 blz. € 18,99. ISBN 9789028451971

Geplaatst in Recensies.