Herlinda Vekemans – Appelblauwzeegroen

Hangen aan een touw van zand

door Ivan Sacharov




Wie zijn wij? Dat is een vraag die al heel oud is. Staat niet op de tempel van Apollo in Delphi de bekende spreuk ‘Ken uzelf’? Het antwoord was blijkbaar toen al niet zo gemakkelijk als het lijkt! Ik haal de vraag aan omdat hij een belangrijke rol speelt in de bundel Appelblauwzeegroen van Herlinda Vekemans, die ik hier wil bespreken. ‘Appelblauwzeegroen’: een moeilijk thuis te brengen kleur. Maar misschien wel toepasselijk voor waar het op slaat. Het gelijknamige gedicht in het gelijknamige derde en laatste hoofdstuk van de bundel laat zien waarom:

Appelblauwzeegroen

Mensen, zo wisten de dieren,
zijn appelblauwzeegroen,
een zee van gezichten en lichamen
maar vachtloos, hoornloos, staartloos, schubbenloos, vleugelloos

verwarrend en onbestemd kleurloos

Bij de god met de drietand zagen ze de koude kleuren, het genadeloze spietsen,
het woekeren en heersen

Mensen, zo besloten de dieren,
zijn zoogdier, vlees, vis, insect noch vogel
Ze zijn veelal cyanideblauw
en slechts af en toe zacht zeegroen

Opvallend: niet wij, maar de dieren vragen zich hier af wie wij zijn. En daar hebben ze (niet alleen in deze bundel) goede redenen voor. De mens is zo’n beetje het meest destructieve dier dat bestaat (dat kunnen we nu wel als bekend veronderstellen, hoewel deze kennis nog niet bijzonder veel heeft uitgemaakt voor ons gedrag). Intussen is het interessant dat volgens dit gedicht de mens geen (zoog)dier is. ‘Vlees noch vis’, wordt zelfs tussen de regels door geopperd. En dat correspondeert wel een beetje met de titel. Maar de mens blijkt vooral cyanideblauw (kan het nog giftiger?) en slechts af en toe zeegroen: een term die wat positiever ‘de natuur’ (het platteland?) van de zee beschrijft. Misschien is appelblauw afgeleid van ‘aardappelblauw’ dat ook giftig is. En in de pitten van appels komt ook cyanide voor. Is dat een verklaring? Nou ja, de dieren zetten zich in ieder geval in dit gedicht een beetje af tegen de mens. Het ‘wij tegenover zij’ effect, zullen we maar zeggen. En de dichter lijkt partij te kiezen voor de dieren. In het tweede hoofdstuk van de bundel – met de titel ‘zeegroen’ – kruipt ze (soms bijna letterlijk) in hun huid:

Heremietkreeft

———Pagurus bernardus

Kraker van schaaldierpanden
van schelpdieren die hun huis
strak en dicht om het lijf hielden
tot het sparen van jaarringen in kalk stopte
of ze onverwacht aan hogere machten ten prooi vielen
en het leven leeg achterlieten

Zonder huis is hij overgeleverd aan zeestormen
het loeren en de vraatzucht van diepzeemonsters

Een bedreigd bestaan
in een geleende kluis

Met een knipoog naar onze maatschappelijke problemen van huisvesting, etc. is ook dit een gedicht dat over ons gaat. Ja, wie zijn wij: dat was de vraag. Wanneer we de eerste regel op onszelf toepassen is het niet zozeer de heremietkreeft als wel de mens die ‘de kraker’ is van schaaldierpanden. De mens als ‘de hogere macht’ die de dieren dwingt hun leven leeg achter te laten en huizen bouwt op plaatsen waar eerst dieren woonden. Zonder huis is de mens immers uitgeleverd aan zeestormen en de vraatzucht van diepzeemonsters… De mens leeft in een geleende kluis (onze planeet) en wordt bedreigd in zijn bestaan door wat de toekomst (dat werkelijk zéér griezelige diepzeemonster) brengt.
De laatste interpretatie neem ik geheel voor eigen rekening. Het gaat in het gedicht om meerdere diepzeemonsters. Daar zijn ook meerdere interpretaties bij mogelijk. Het gedicht zelf lijkt een ‘geleende kluis’, waar wij lezers als heremietkreeften in wonen! Maar het is ook mogelijk dat de dichter, heel braaf, hier gewoon over het leven van een heremietkreeft schrijft. Waarom niet? Dat is het mooie van poëzie. Het is taal waar we wat mee (moeten) kunnen. Als het klip en klaar was wat er stond, kon het gelijk de bak in (en dat zou niet bijdragen aan ons milieu). De ruimte voor de fantasie bepaalt in zekere zin de mate van kunst. En die ruimte is er, in deze ietwat merkwaardige poëzie:

Kromp

———Arctica islandica

Tijd kan krimpen tot een kromp
een tweekleppige schelp rond een week zeebodemdier
dat zuinig met zuurstof en in zilte stilte
van Mingdynastie tot warp drive

Honderden jaarringen op enkele millimeters verdicht
tot een vlondertje van vlees op slib van ruimtetijd

Ik vind dit een schitterend gedicht! Het beschrijft op een gedetailleerde manier een schelpdier, en eigenlijk tegelijkertijd hoe een gedicht tot stand komt. Een gedicht is een kromp! Honderden jaarringen (ervaringen) op enkele millimeters ‘verdicht’. En de mens? De mens, met al zijn kennis, is niet meer dan een vlondertje van vlees op slib van ruimtetijd! Zuinig met zuurstof? Nee, dat doet dat beestje beter. Weer even dat besef van een kwetsbaar milieu dat om de hoek komt kijken…
De dichter heeft een verfijnde geest. Ze heeft oog voor details, het minutieuze, maar ook voor het gigantisch grote. Een gave. Het maakt haar poëzie zeer bijzonder, geeft er een aparte smaak aan.

Een smaak die bepaald wordt door meer zaken dan ik binnen het bestek van deze recensie kan behandelen. Maar ik wil er toch nog iets over kwijt. In het eerste gedicht van de bundel, ‘Zeewering’, wordt verteld waarom het land de zee verliet: ‘Het had genoeg van de zee gezien / De gesel van niet aflatende golven / De eentonigheid van het zoute water / De koude heerschappij van de god met de drietand’. En: ‘Het ontsnapte aan de dwingelandij en voelde zo voor het eerst de zon (…) ‘. De scheiding van water en land staat voor orde. Een orde die bedreigd wordt door de mens. De mens die ‘op het land levend’ weliswaar niet direct onder de heerschappij van Poseidon valt, maar toch moet uitkijken om niet de toorn van de god op te wekken, want water en land zijn slechts gescheiden van elkaar door ‘ropes of sand’, zoals het (in het begin van de bundel aangehaalde) motto-gedicht van Emily Dickinson suggereert. In een ander gedicht spreekt de dichter over witte haaien en noemt ze toproofdieren. De mens is ook een toproofdier, maar moet er misschien toch rekening mee houden dat hij niet het ‘absolute toproofdier’ is. Een gedicht als ‘Hymne van Odysseus, gezellen aan de ziedende god van de zee’, lijkt daarop te zinspelen. En ook het daarop volgende gedicht ‘Offer’:

Offer

——–Bronzen drietand, J. Paul Getty Museum, Getty Villa, Malibu, Californië

Een kolossale drietand uit de vierde eeuw voor Christus
binnengehaald door een steenrijke exploitant van het zwarte goud

Een antieke staf ter ontketening van zeebevingen en vloedgolven
achteloos over de grote oceaan naar de nieuwe wereld verscheept

Odysseus daalde af in de onderwereld
nadat hij de zoon van de zeegod zijn enige oog uitstak
en aan de blinde Tiresias vroeg wat hij kon doen
om de zeewoede te verzachten
——–Neem een roeiriem
——–en ga ermee naar een plek waar de zee niet bekend is
——–Als men je vraagt waar je met die dorsvlegel naartoe gaat
——–Begraaf dan de roeiriem ter ere van de grote god van de zee
en zo gebeurde

De oliemagnaat begaf zich met Poseidons gerei
naar de zeekant van zijn land

Het ‘offer van Odysseus’ heeft Poseidon voor een poosje gunstig gestemd. Zou wat de steenrijke exploitant van het zwarte goud deed, Poseidon volledig koud laten? Niemand die het zeker weet. Maar de tweede strofe is er één om tussen de regels door te lezen. Een antieke staf ‘die zeebevingen en vloedgolven veroorzaakt’ wordt achteloos over de grote oceaan (lees: de tijd) naar de nieuwe wereld (onze wereld, dus) verscheept. Ja, wat zou er kunnen gebeuren? Door de oude Griekse goden erbij te halen plaatst de dichter de vraag ‘wie wij zijn’ in een groter verband en brengt zij de vraag op een fraaie manier terug bij wie die vraag mogelijk het eerst bewust hebben gesteld.
Cirkels blijken altijd weer rond. In het laatste gedicht van het eerste hoofdstuk, ‘Blauwboek’ (i.p.v. zwartboek?) wordt de mens aangeklaagd: alle mogelijke soorten blauw worden opgenoemd, met aan het eind de simpele constatering dat ‘appelblauw’ niet bestaat als woord. Maar het woord is er nu toch.
De betekenis van dat woord wordt wellicht verklaard in het gedicht ‘Waterkaarten’. Daar lezen we dat ‘we de aarde al een halve eeuw ijsvogelblauw en bolrond wisten aan de horizon van de maan’. Maar ook ‘hoe de tollende zwaarte de waterlaag trekt en duwt / de bol tot een vergankelijke appel blutst en schaaft’. Wellicht is de appel behalve een attribuut voor de zondeval ook een beeld voor de aarde. De blauwe planeet. Appelblauw zou dan ook op een ‘beurse appel’ kunnen slaan: een appel met blauwe plekken. De aarde als een gehavende planeet. Een nieuw uitgevonden woord voor een situatie die wij (nieuw) hebben gecreëerd!

Ach ‘wie zijn wij’, dat we ons zoveel durven te permitteren? Atlantis ging al ten onder. Het wachten is op de (volgende) toorn van de god.

____

Herlinda Vekemans (2022). Appelblauwzeegroen. Poëziecentrum, Blz. 60. € 20,99. ISBN 9789056551902

Geplaatst in Recensies.