Verzamelbundel – Van vogels krijg je nooit genoeg

‘Een verfstreek in de eeuwigheid’

door Herbert Mouwen




In de verzamelbundel Van vogels krijg je nooit genoeg van de samenstellers Jan de Baas en Arie Bijl staat ‘Reiger’ een gedicht van Remco Ekkers dat als volgt opent:

Met die reiger aan de waterkant
zou ik wel een praatje willen maken
naast hem hurken en vragen:
‘Nog wat kikkers gevangen?’

Wie zou dat niet willen? De titel van de bundel Van vogels krijg je nooit genoeg is een versregel uit het gedicht ‘De vogels’ van de Zeeuwse dichter Andreas Oosthoek. Het is in zijn verzamelbundel Witheet nadert de ijsberg opgenomen. De ‘Inleiding’ van deze bundel begint met een korte beschouwing over het gedrag van de mensen ten opzichte van de vogels. Reizen zij naar de vogels toe of halen ze met behulp van een verrekijker de vogels naar zich toe? De inleiders wijzen op de overeenkomsten en de verschillen tussen de vogels en de uniciteit van elke vogelsoort. In hun verzamelbundel komt een grote reeks van bekende vogels langs: mussen, reigers, leeuweriken, duiven, meeuwen, merels, ijsvogels, spreeuwen enz. Of zoals Saskia van der Wiel de vogels in ‘Gespot’ opsomt: ‘de hoogpootkievit, de kakelbonte kauw, / het heidejuffertje, de blauwoogekster, / de doorgestreepte karekiet, de boekenkoolmees, / de mooiweermeeuw, het Zeeuwse zandlopertje / de tjilp, de blinde kwartel, de roodkeelleeuwerik / en nestjes vale mussen’. Voor humor is plaats in deze bundel.

De ‘Inleiding’ richt zich tevens op de vogels als inspiratiebron voor de dichter: ‘In de dichtkunst probeert de auteur ‘door te dringen tot emoties die nauwelijks of zeer gebrekkig in woorden zijn te vatten.’ en ‘Vogels kunnen dichters hierbij inspireren met hun rijke variatie en kenmerken.’ Er worden enkele dichters die vogels als inspiratiebron hadden genoemd en het gedrag van een bepaalde vogel in relatie tot de eigen ‘gedragsspiegel’ van de dichter komt aan de orde. De vogel kan daarin een bewust gekozen metafoor zijn, die zijn gedrag verbeeldt. ‘Spreeuw’ van Paul Marijnis uit de bundel Roze zoenen heeft zo’n spiegelfunctie. Gaat dit gedicht over een vogel, over een mens of voelt de lezer zelf zich aangesproken? Het is een speels, lichtvoetig maar toch confronterend vers:

Spreeuw

Patser in geborduurd fluwelen vest.
Geringschattend lachje in zijn snavel.
Cortéz onder de vogels; ik kwam hem
in Central Park bij honderdtallen tegen.
Wat zou het dat hij alles onderpoept?
Witkalk bij tonnen vol geloosd op heren, auto’s, stoepen.
Heeft schijt aan ons en geef hem eens ongelijk.
Spreeuw, kakkineuze dandy, weet het best:
Alles kan hij zich permitteren in dat vest.

De samenstellers verantwoorden in de ‘Inleiding’ ook hun keuze van de gedichten. Ze kiezen voor Nederlandstalige dichters van de laatste honderd jaar en leggen het accent op de jongere dichters. Enigszins hebben zij zich ook laten leiden door ‘de frequentie waarin bepaalde vogels voorkwamen’. Van enkele dichters, die veel over vogels hebben geschreven, zijn twee gedichten van hun hand in de bundel terug te vinden. In de ‘Inleiding’ had de ‘vaste’ symboliek van bepaalde vogelsoorten in de poëzie vermeld kunnen worden, hoewel sommigen een dergelijke toegepaste symboliek als een cliché zullen beschouwen. Ontbreekt daarom in de bundel het gedicht ‘Vrede’ van Leo Vroman dat begint met de ironische versregel ‘Komt een duif van honderd pond’? In de ‘Inleiding’ is een register met vogelnamen toegevoegd en de gedichten zijn alfabetisch op de achternamen van de dichters gerangschikt. De bundel opent daarom met ‘De vogels’ van Hans Andreus; een beter openingsgedicht had de bundel niet kunnen krijgen:

Vanmorgen werd ik wakker
van de vogels.

En ik dacht: Waarvan werd ik wakker?
Van de vogels.

Van het licht ook, maar
meer van de vogels.

Het licht zacht zingend,
de vogels keihard.

Vogelpoëzie dringt zich op, ook als je deze vergelijkt met het licht. De doelgroep van Van vogels krijg je nooit genoeg is niet alleen de poëzieliefhebber of de belangstellende lezer die graag allerlei gedichten van verschillende dichters leest, de bundel is ook uitermate geschikt voor wie kennis wil maken met de moderne poëzie in het algemeen. De gedichten zijn ogenschijnlijk toegankelijk, hoewel gelaagdheid en diepgang in een aantal gedichten aanwezig is, waardoor de interpretatie niet altijd even gemakkelijk is. Uitnodigend is deze poëzie zeker. Titels als ‘Mussenhangplek’, ‘Wegwerpvogeltje’ en ‘Vlokkendans’ wekken de nieuwsgierigheid op. Hans Andreus schrijft: ‘Vanmorgen werd ik wakker van de vogels.’ Dit kan een begin zijn om poëzie te gaan lezen. Een motivatie om elke dag zelf een gedicht te lezen of een gedicht aan anderen voor te lezen. In haar gedicht ‘Vroeg opstaan’ verwoordt de Vlaamse Gil vander Heyden de versregel van Andreus heel eenvoudig, maar doeltreffend: ‘We hebben een vogel in de tuin. / Grijs, beetje blauw. / ’s Morgens heel vroeg fluit hij / de tuin open.’

De bundel Van vogels krijg je nooit genoeg met 144 vogelgedichten is het aanschaffen waard en behoort eigenlijk in elke bibliotheek aanwezig te zijn, waarbij de schoolbibliotheken niet vergeten mogen worden. De vogels huizen dichtbij de poëzie, de tuinen moeten open gefloten worden. ‘Roodborstje’ van Nico Scheepmaker vangt aan met ‘Soms tikt een gedicht op het raam’ en Sjoerd Kuyper dicht: ‘Een zwaluw strijkt de hemel glad, / de merel zingt op het dak / van het huis waarin ik woon.’ Kees Hermis laat in ‘De tuinvogel en ik’ de ik-figuur Chopin op de piano vertolken met de tuindeuren open en zo ontstaat een ontmoeting, ‘niet minder dan een wonder’ met de zingende vogel in de tuin: ‘geheime ogenblikken van woordloze lyriek / waarin wij samen delen en die duren zullen / zolang de vogel zingt en ik blijf spelen’. Nog een gedicht tot slot, een hoogtepunt in deze bundel. Dichter Tom van Deel heeft de positie van de vogel en zijn relatie tot de mens prachtig als ‘een verfstreek in de / eeuwigheid’ verbeeld in ‘De papegaai’:

Ik ben Charlottes papegaai
en zit hier in gouache gekooid
voor iedereen die mij al jaren
kent van de fietsenmakerij
achter haar atelier. Ik heb
een naam, die doet er nu niet toe,
ik buig mij voor mijn kooi en denk
aan wat ik heb gehoord, de pech
van lekke band of remdefect,
wat mensen in de wereld overkomt.
Mijn baas doet ‘s nachts de doek
om mij wat rust te gunnen, dat ik
niet aldoor het heelal voel wegen
op mijn gevleugeld schouderpaar.
Dit ben ik, een verfstreek in de
eeuwigheid, een opmaat voor het al.

____

Verzamelbundel (2022). Van vogels krijg je nooit genoeg. De mooiste gedichten over vogels. Samengesteld door Jan de Baas, Arie Bijl. Uitgeverij Rainbow, 176 blz. € 17,50. ISBN 978904174202

Geplaatst in Recensies.