Patrick Conrad – Oude, koude nachten

‘Het leven is niets dan vernis en gemis. Ava Gardner boven Grace Kelly.’

door Marc Bruynseraede




Wie gedacht had dat met de bundel En de bomen uit 2020, de dichter uitgezongen zou zijn en afscheid genomen had van de poëzie, nadat hij reeds in 2015 zijn Verzamelde gedichten had laten verschijnen, evenals de collage-gedichten uit De Cadillac van Mallarmé in 2016, die heeft het mis. En de bomen kwam tot stand n.a.v. het overlijden van zijn moeder en was voor de dichter het moment om de balans van het leven op te maken, al ging die balans dan meer over de dichter zelf dan over zijn moeder. Maar het moment van reflectie was aangebroken en als we dan toch dood moeten gaan, laat het ons dan meteen in stijl doen, zal de dichter gedacht hebben, zo stellen we ons voor.

En kijk, daar verscheen Oude, koude nachten. Memoires in 100 gedichten. Een serieuze boterham. Het reflecteren over het voorbije heeft hem klaarblijkelijk goesting gegeven. Dat hij zich daar niet zomaar met enkele woorden vanaf wilde maken, valt te begrijpen. Maar in tien taferelen van telkens tien gedichten, dat zegt iets over de dichter, die ‘honderd uit’ over zijn leven vertelt. Ook in de vorm wil Conrad een uitgebalanceerde esthetiek.

Tien cycli van tien gedichten, telkens zonder titel, maar met Romeinse cijfers gemerkt en daarachter het volgnummer van het gedicht. De cycli zijn:’ I Een kind’, ‘II Een leven’, ‘III Een verhaal’, ‘IV Een liefde’, ‘V Een wrak’, ‘VI Een inventaris’, ‘VII Een droom’, ‘VIII Een brief’, ‘IX Een leugen’, ‘X Een afscheid’. De cover van de bundel toont een geblinddoekte man, een omslagbeeld van Patrick Conrad himself.

Honderd gedichten, dus. En dit, terwijl de dichter zegt in het gedicht ‘III/4’: ‘Het leven is niets dan vernis en gemis’. Fernando Pessoa zei het in 1935 nog bondiger: ‘Geef me nog wat wijn, want het leven is niets.’ Maar bij Conrad ligt de nadruk op de schijn en de leugen.

De taal die hij gebruikt is, zoals ik in een vorige recensie schreef, heel Conradiaans: verfijnd gemanicuurde esthetiek die samengaat met een prangend-duistere realiteitszin. Dat wat er staat moet er goed uitzien, al is het ook geschreven vanuit een zwarte schaduwpartij. De structuur van de bundel laat zien hoe Conrad tegen het leven aankijkt en wat hij daar als belangwekkend uit onthouden heeft, voorbij alle strapatsen die de schrijver tijdens zijn Pink Poet bestaan en het reilen en zeilen met het literaire volkje in de Vecu meegemaakt heeft.

In cyclus ‘I Een kind’ komt de jeugd aan bod, met haar opkomende angsten, emoties, melancholie & chocolade, kwetsuren en het ontdekken van een wereld waarin hij zich gaandeweg een vreemde voelt. Cyclus ‘II Een leven’ geeft aan hoe het besef doordringt dat het leven een doodlopende straat is. Herinneringen roepen onvermijdelijk een dosis melancholie op, omtrent het voorbije: ‘en dansen met de duivel tot de avond valt / over de koude as van wat ik was.’ Wat blijft er over van verre reizen en het oversteken van oceanen ‘alsof het plassen waren’: eenzaamheid en gemis. Ach ja, er waren de opwellingen van passie, honger en verovering, natuurlijk. In gedicht ‘II/6’ verblijft de dichter in een hotelkamer: ‘in een kamer (…) waarin we  als twee vormen die in elkaar passen / naar elkaar zouden grijpen zonder elkaar te begrijpen.’ Een leven, dus, waarin almaar op zoek gegaan wordt naar het waarom en de onvindbare zin der dingen. ‘Zonder roes, geen rust’.

In een ongenadige analyse maakt de dichter de balans op :

II/10

Nooit heb ik helemaal willen zijn wie ik was.
Noch wat noch waar ik was:
de leegbloedende rat in zijn versierde klem,
de late wandelaar hier en daar op een pier,
de pauw die pronkerig voor hofdames danst.

Het leven dat ik leidde
was als de pijn die ik leed:
zich herhalend als een refrein,
soms draaglijk, meestal zwart,
alsof in mij een minuscule wereldoorlog woedde.

Ik draai me om.
Ik hoor de bijtende wind.
Er is niemand meer.

Cyclus ‘III Een verhaal’ gaat in dezelfde toonaard verder. Weemoedige herinneringen, relieken, overblijfselen van het verleden. Wat is waar? Zonder leugens is geen waarheid denkbaar. ‘Zo heeft alle begin een einde waar geen einde aan komt’, zegt het vers in gedicht ‘III/4’. Zijn er, in dit verhaal, veel zwijnen en te weinig parels? De dichter luistert naar ‘het kermen van zijn pen in de duisternis’.
Als dan de cyclus ‘IV Een liefde’ aanbreekt, denk je: ah, hier gaat de zon doorbreken. Echter, de zon wordt overschaduwd door de fataliteit van een ontmoeting, door onvervulde liefde. ‘De ratten staan aan mijn deur en knagen aan mijn dagen.’ Maar ook: ‘Liefde voelt als de magie van je dijen die zich eindeloos herhalen.’ Met cyclus ‘V Een wrak’ bekijkt de dichter zichzelf in de spiegel:

Wat tonen mij, op zoek naar wat ik was,
de spiegels waarin ik vroeger de schoonheid kuste,
nu ik in een alledaagse droom
naar mezelf kijk als naar een vermolmde boom?

De realiteit is ‘de waan waarin wij waden’ en het taalgebruik niet anders dan ‘zich wentelen in de woorden van dode rijmelaars’.
Herinneringen zijn goed voor verslagenheid, ravage, chagrijn, een puinhoop. Liefdes, niet meer te tellen. Inkeer vouwt hem dicht als een oude krant. De prangende vraag luidt: ‘Vraag me niet waarom ik wil blijven bestaan’.

V/5

Vroeger was ik het sterke licht,
het licht dat woorden van voldoening doet verbleken.
Nu slechts de late zon
en weldra zijn ondergang.

Vroeger was ik het lawaai,

het lawaai van het luide hart
dat in die bleke woorden klopte.
Nu slechts de stilte van een ingesneeuwde ruïne
die het kraaien van weleer overstemt.

Vroeger was ik de woede,
de woede die duizend doden stierf
en van elke vorm van inkeer verstoken
de onmacht verbloemt en de nacht verdonkert.

Nu slechts de broze boosheid die haar drift
en haar droefheid in zwak verlichte lanen
aan zich laat voorbijgaan.

In cyclus ‘VI’ is het centrale thema ‘Een inventaris’ maken. Eén van de onderwerpen daarin is ‘de gesprekken’. Daaruit resulteert het prachtige gedicht :

VI/8

Ze vroeg uit welk hout hij gesneden was.
Uit treurwilgenhout, antwoordde hij.
Zij heette Betty Rose en woonde in de zomer
Op de promenade voor het Grand Hotel van Scarborough.

Hij vroeg waar zij die bange blik aan te danken had.
Aan haar vader die in het leger zat, antwoordde zij.
Zij heette Betty Rose en woonde in de herfst
tussen de steigers van Central Pier in Blackpool.

Ze vroeg hoe het was om in een bed te ontwaken.
Het is als huilen onder water, antwoordde hij.
Zij heette Betty Rose en woonde in de winter
in de bunkers van Burghead Bay.

Hij vroeg hoeveel ze vroeg om haar te aaien.
Daarvoor was zij te koud en hij te oud, antwoordde ze.
Ze heette Betty Rose en woonde in de lente
Onder de archaïsche arcades van Mablethorpe.

Cyclus ‘VII’, gewijd aan ‘Een droom’ laat hem het vers neerschrijven: ‘Dromen is als in een meer van inkt / zwemmen door de nacht’

Uit cyclus ‘VIII Een brief’ blijft ons het vers bij: ‘Kom mijn engel, / laat ons gedrieën ik, jij en wij / de boel opruimen en de ogen sluiten’. Ook hier alweer een enig mooi en teder gedicht ‘VIII/5’: ‘Het is laat, mijn liefde, / te laat om nog lief te hebben’.

Conrad zou Conrad niet zijn als er niet een cyclus – cyclus ‘IX’– gewijd zou zijn aan ‘Een leugen’ want ‘Leugens zijn de motor van de waarheid: / ze doen de schoonheid blozen / en loodsen ons, wanneer het leven vertraagt, / door te lange winters.’ En in het gedicht ‘IX/5’ zegt hij het zo:

En wat als we zelf niets meer waren
dan een leugen in de leegte,
de schijn van wat we zijn,
de weerkaatsing van wat glitter op een huls?

Hoeveel prangender nog kan het geformuleerd worden als in ‘IX/10’: ‘De waarheid mondt uit in de hel / de leugen leidt naar de hemel.’

De laatste cyclus ‘X’ luidt – hoe kan het anders – ‘Een afscheid’: ‘Afscheid nemen lijkt op sterven / voor je doodgaat.’ Veel meer woorden vallen er niet aan vuil te maken, het afscheid zal kort en goed zijn:

X/7

Hoe dan ook,
er komt een tijd van gaan.

Je ruimt al dan niet voldaan
het veld voor mensen die nooit hebben bestaan.
Niemand heeft er wat aan,
het is je niet ontgaan.

Wanneer ook de woorden achterwege blijven
is het veiliger andere wegen in te slaan.
Vrienden leerden mij de kunst van het vergaan
en bewezen dat de wereld
ook zonder mij zal voortbestaan.

Het is een bloednuchter maar prachtig besluit, dat ons bij de bedenking brengt of deze bundel nu als het magnum opus van Patrick Conrad moet beschouwd worden. Het is, hoe dan ook, een werk van groot meesterschap en grote betekenis.

Voor ons hoeft de tijd van gaan voor Patrick Conrad nog niet te komen. De woorden blijven bij hem nog allerminst achterwege. En bedenkingen bij de dood en het menselijk bedrijf maken zijn gedichten bijdragen van blijvende waarde.
____

Patrick Conrad (2022). Oude, koude nachten. Memoires in 100 gedichten. Uitgeverij Vrijdag, 128 blz. € 24,99 ISBN 9789464340846

Geplaatst in Recensies.