Laura Broekhuysen – Wij capabelen

Er wordt in geen enkele steen gekrast

door Peter Vermaat




In Wij capabelen, de debuutbundel van Laura Broekhuysen, komt nogal wat IJsland voor, zowel in natuur als in naamgeving. Verklaarbaar wanneer je leest dat de auteur viool doceert in Reykjavik. Broekhuysen toont zich in deze bundel allesbehalve een dichter voor de korte baan: de aanlopen nemen veel tijd en ruimte in, de uitlopen eveneens. Er is veel betekenis, veel herneming van betekenis en veel beschouwing:

Balts

(…)
Kan een van die capabelen
je wijzen waar de contouren
lopen? Gaarne een onzichtbaar
gidsje dat je de verhaallijn toont
en met gekromde hand je oor komt
richten. (‘Hoor je een los geluid,
het adert je licht dicht.’)
Dus dit is de beloofde melk.
We zijn uitgepaaid, we willen
niet drinken uit die roede maar
uit de borst, we wensen geen
apotheose maar een aai, we
strekken onze nollen op naar
langsglijdende handen.
Trouw ons en we zijn ons
trouw, we weten tig manieren
om het met ons eens te blijven.
We laten nee schuddend,
jaknikkend, onze schedels langs
onze gedachtegangen schuiven.
(…)

[p. 8]

Het gedicht ‘Balts’ beslaat vierenhalve pagina en eerlijk gezegd kan ik niet aangeven waarom het niet anderhalve of zevenenhalve pagina zou beslaan. De vorm van een verhaallijn die je bij langere gedichten zoekt, blijkt hier steeds een snoer van associaties te zijn en de afslagen naar links of naar rechts zijn nergens dwingend (evenmin kunstmatig trouwens). Het objectief stelt nergens scherp, maar glijdt in soft focus door de omgeving, waarmee op meerdere plaatsen een vervreemdend effect ontstaat.

Effecten worden in deze bundel veelvuldig toegepast. In het gedicht ‘Cirkelredenatie’ worden bijvoorbeeld drie langgerekte zinnen steeds in terzinen over de pagina’s verdeeld, waarbij de eerste regel steeds deel uitmaakt van zin een, de tweede van zin twee en de derde van zin drie. Het gevolg is dat je de eerste keer, wanneer je terzine na terzine leest, al snel vastloopt in aperte onzin. heb je het trucje echter door, dan blijven er die drie zinnen over en ook niet meer dan dat. Een ander effect wordt toegepast in ‘Kustwacht’ (p. 45-52) dat bestaat uit steeds een pagina met een groot stuk witte ruimte met daaronder een voetnoot (met soms daarin een voetnoot en daarin weer een etc.):

(…)
[grotendeels witte pagina]
(…)
_______________________________________________________________________________________
* Schokken doen we met huis en al en hand in hand,** de balken kraken, lijsten
vallen van de wanden,*** onze violen trillen in hun kisten, mijn man grijpt naar zijn
hart, verward over of het tumult buiten of binnen zijn borstkas plaatsvindt.
** We weten nu wat we zullen meenemen in geval van gevaar: niets, elkaar.
*** De kinderen spelen onder de tafel**** zodat ze er niet steeds onder hoeven te kruipen, ze
trekken hun kussens, poppen, boeken en boterhammen in hun hol.
**** Ook op school brengen ze delen van dagen onder hun tafeltjes door,***** lezen en rekenen gaat
op buik en ellebogen, de juf in de stevigste deurpost.
***** We wachten op een barst, een scheur, raken met de dag verzeeuwder,****** in de spiegel zien we
groen.
****** De rondweg is gevuld met voertuigen in beweging, vol mensen die het klotsen in hun oren beu zijn; we rijden
dagen en nachten langs elkaar heen, bij toerbeurt slapend en sturend, wachtend tot het verwenste lava zich een weg door
mantel en korst heeft gebaand – hoe beter je schokdempers, hoe minder je merkt van een trillend wegdek, van horten, van
stoten, van schommeling, onze motor is luider dan het ondergrondse gerommel – zo foppen we onze zintuigen, luisteren
we naar Kitty Courbois die ons Pluk van de Petteflet voorleest, werken we aan onze dictie, zijn we zorgeloos.

[p. 47]

{noot voor de redacteur: correct is de lava en daarnaast wordt deze substantie – afkomstig uit de bovenste laag van de aardmantel – aangeduid met magma, zo lang zij zich nog onder het aardoppervlak bevindt}. Wanneer we bovenstaande tekst ontdoen van zijn typografische effecten blijft er voornamelijk proza over dat zich beperkt tot mededeelzaamheid. Alleen het terloops rijmende hart – verward levert misschien een dampflard poëzie op, maar daarbij blijft het.

Deze lezer is zeker niet wars van vormexperimenten, maar wanneer ze niet meer worden dan precies dat – een experiment – komen ze het stadium van curiositeit niet te boven. Er valt veel over deze bundel te zeggen, maar helaas niet dat de taal je bijblijft, laat staan dat de woorden in je hoofd gehamerd worden of het ritme je bloedsomloop meesleurt in een dans of cadans. Er wordt in geen enkele steen gekrast, geen rotsblok gekanteld, geen rivierloop verlegd. En dat terwijl zowel de leefomgeving van IJsland als de geschiedenis en de taal ervan zoveel meer mogelijk maken: dat mag best verder gaan dan het laten figureren van Þor, Snorri (Sturluson, auteur van de proza-Edda of ‘jongere’ Edda) en Jon (Loftsson, leermeester van Snorri en kleinzoon van Sæmundur Sigfússon, aan wie soms de ‘poëtische’ of ‘oudere’ Edda werd toegeschreven). Er is meer nodig dan een fjord, een geiser en een dreigende vulkaanuitbarsting om de vogel van de verbeelding te vangen, het bovenzeggelijke op te roepen, het buitenwoordelijke onder je huid te laten kruipen.
De IJslandse saga’s zelf zijn immers weinig anders dan pogingen om de deels onverklaarbare maar vooral onbeheersbare krachten die het leven vorm geven met verhalen te duiden. En dan heb ik het nog niet eens over de geografische ligging van IJsland op hoge breedte, waardoor een merkbaar deel van het jaar in schemer moet worden doorgebracht.

Af en toe komt in deze bundel toch poëzie aan de dag, heel even als een schimmer van maneschijn op een kort welvende golfslag:

Kettingzang

waarover wij het eens zijn:

het etmaal, onze grip op de grond,
waarover wij het eens zijn:

het rond van de aarde, zijn vaart –
het etmaal, onze grip op de grond,
waarover wij het eens zijn:

we houden hem draaiend, jij en ik,
het rond van de aarde, zijn vaart –
het etmaal, onze grip op de grond,
waarover wij het eens zijn:

dat doen we hollend, geef me je woord,
we houden hem draaiend, jij en ik,
het rond van de aarde, zijn vaart –
het etmaal, onze grip op de grond,

we kantelen met halfrond en al
dat doen we hollend, geef me je woord,
we houden hem draaiend, jij en ik,
het rond van de aarde, zijn vaart –

het donker in, teneinde slaap te vatten,
we kantelen met halfrond en al
dat doen we hollend, geef me je woord,
we houden hem draaiend, jij en ik,

(…)

dan weet ik dat je waakt –
dan weet ik wat je wakker houdt,
als ik mijn ogen dichtdoe, snurk,
op iets wat lang genoeg is, zacht,

dan weet ik dat je waakt –
dan weet ik wat je wakker houdt,
als ik mijn ogen dichtdoe, snurk,

dan weet ik dat je waakt –
dan weet ik wat je wakker houdt,

dan weet ik dat je waakt –

[p. 60-61]

De ‘kettingzang’ (beter bekend onder de term ‘canon’) is van oudsher een beurtzang, waarbij één partij zingt en de andere partij antwoordt; hier echter groeit taal aan en sterft weer af, ontstaat een kwatrijn, dat na verloop van tijd steeds een nieuwe eerste regel krijgt en zijn laatste regel verliest, tot het gedicht aan het einde uitrolt in een herhaling, waarvan steeds alleen een regel afvalt en het overblijvende ‘dan weet ik dat je waakt –‘ in een echo van zichzelf langzaam uitdooft. Door deze op- en afbouw en zeker ook door het ritme in de verzen (een zeldzaamheid in de bundel) is het gedicht muzikaal en neemt het de lezer mee naar de wereld boven of de hemel onder het geschrevene, het gezongene.

Van deze taal graag meer. Veel meer.
____

Laura Broekhuysen (2022). Wij capabelen. Querido, 72 blz. € 17,99. ISBN 978 9021467832

Geplaatst in Recensies.