Pieter Boskma – Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen

Oeverloze jazz

door Peter Vermaat




Wie in Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen, de nieuwste bundel van Pieter Boskma, begint te lezen, duikt onmiddellijk onder in een veelheid van kleuren en klanken:

Grond zonder kommer met lommer als room
waar zes zonnebanen tikkertje spelen
op door het korstmos verzwolgen toneel –
het bos rijmt nog altijd het mooist op zichzelf.

Wij hangen in matten te kloppen van lust
na een droom vol wreed wiegende billen.
Door de smalle spleet tussen twee blaadjes
druppelt gelukkig Gods geurigste nectar.

Wij danken de vruchtbare bomen,
wij danken de grond van ons hart
waar ook de zaadarmste bloemen
het bloeien nog niet zijn verleerd.

Over het zeespiegellicht stuitert hoop
dat het geloof in de liefde nooit dooft,
maar het geblaf op de stranden geeft aan
dat er nog een zeer lange weg is te gaan.

Wij geven niet op en vertrekken geen spier
bij zelfs de gezochtste complottheorie,
maar wieden het onkruid, stoken het hakhout
en maken ruimte voor de mystieke roos.

(…)

[p. 9]

Zowel vanwege de klankrijkdom als het caleidoscopische beeldgebruik doet deze poëzie mij sterk denken aan die van Lucebert. Voeg daarbij het op zijn kant zetten van vaste uitdrukkingen (‘in matten te kloppen van lust’(r. 5)) en de erotische connotaties (‘Door de smalle spleet tussen twee blaadjes / druppelt (…)’ (r. 7-8)) en we herkennen hier de welig tierende gewassen die opspruiten uit de taalbodem die door de Vijftigers vruchtbaar gemaakt is. Duik er in onder en ervaar de taal, dat is wat ik iedere lezer van deze bundel voorhoud en aanbeveel. Zowel bij de eerste als de herhaalde kennismaking met dit type poëzie zijn het klank en ritme die je een landschap binnenvoeren en je daarin geboeid, verliefd, verbijsterd houden en niet een – naar mijn stelligste overtuiging – vergeefse speurtocht naar onderliggende orde.

Hoewel het onderscheid tussen klassieke muziek en jazz in de moderne tijd steeds meer vervaagt, blijf ik het verschil tussen, enerzijds, een volgens een bepaalde onderliggende ordening – vaak programmatisch – opgebouwde compositie, niet zelden fungerend als bewust uitgehouwen bouwsteen van een oeuvre – klassiek – en, anderzijds, een vooral op improvisatie en virtuositeit niet al te vast verankerd en niet al te groot en diep fundamenteel gegeven – jazz, ook bruikbaar vinden voor verschillende tradities in de poëzie, waarbij ik deze bundel van Boskma evident in die tweede richting plaats. Edison-winnaar Dick de Graaf beschreef de essentie van jazz als ‘het mooier maken van het moment waarin we leven’ oftewel celebrating the moment en bij het lezen van de poëzie van Pieter Boskma lijkt me dat gegeven ook het meest van toepassing.

Dat betekent overigens niet dat Boskma zich verliest in woordwateren of klankkrachtpatserij – juist door zich door middel van de ogenschijnlijk klassieke vormconcentratie van het kwatrijn uit te drukken lijkt hij zijn mogelijke eigen neigingen daartoe in bedwang te willen houden. Het gevolg daarvan is echter wel dat de verschillende kwatrijnen of dubbelkwatrijnen zodanig op zichzelf een ‘betekenis-eenheid’ vormen, dat ze evenzogoed in een andere – zelfs min of meer willekeurige volgorde gelezen zouden kunnen worden. Tevens zou deze bundel op grond van dit gegeven met hetzelfde gemak dubbel of half zo dik kunnen zijn uitgevallen.

Naast Lucebert heeft Boskma trouwens meer dichters verorberd: het ‘wolkenwak’ van p. 15 komt al voor in het gedicht ‘Schemerwijze’ van Garmt Stuiveling uit 1933, in ‘de ruimte van het volledige leven’ (p. 22) lezen we Lucebert, in ‘Schaarser de lichtbrengers, dazer de kleurmengers’ (p. 91) herkennen we Kouwenaars ‘De laatste dagen van de zomer’ (1991), terwijl we in ‘Er zullen hoeven langs de zoom gaan van de blauwe / velden om de maan’ (p. 16) en ‘(…) dan hoort men in de schemer weer het draven stalwaarts (…)’ (p. 102) delen van het gedicht ‘Avondgeluiden’ van Paul van Ostaijen uit 1935 (vrijwel) letterlijk terugleest. De slotregel van ‘Awaters geboorte’ (pp. 109-110) is bijna letterlijk Gorter’s ‘de dag gaat open als een gouden roos’. En in ‘Wie nog geen masker draagt zal nooit een masker worden’(p. 38) herkennen we de allusie op Rilke’s ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr’ (‘Herbsttag’, 1902).

Ook wie van humor en milde spot houdt, komt bij Boskma aan zijn trekken. Aardig zijn ‘craquelé van overgangsdecolletés’ (p. 42) en ‘(…) iemand die graag pijpt met een spijker door de tong (…)’ (p. 75), maar af en toe ook wat zouteloos: ‘(…) te land, ter zee of in de lucht, / je zou er bijna een tv-programma over maken (…)’ (p. 49).

Hier en daar zijn wat slordigheden blijven staan: ergens wordt het woord ‘orgie’ als onzijdig behandeld en ‘sienarood’ verwijst naar een pigment en zou daarom ‘siennarood’ moeten zijn.

Boskma heeft zijn bundel ingedeeld in een vijftal delen met de naam ‘oaseberichten’, steeds van elkaar gescheiden door een ‘intermezzo van de dood’, die achtereenvolgens zijn gewijd aan Rogi Wieg, Joost Zwagerman, Theun de Vries, Gerrit Komrij/Menno Wigman en Hafid Bouazza. De bundel wordt besloten door een ‘toegift’ van vier gedichten en een ‘epiloog van de dood’ (gewijd aan Remco Campert). Die intermezzi zijn niet de sterkste gedeelten van de bundel (het gedicht over Theun de Vries uitgezonderd), mogelijk omdat Boskma zich daarin gedwongen voelde om dichtbij zijn feitelijke herinneringen te blijven en niet, voortgestuwd door klankkracht met volle vaart – godspeed – het zeegat uit te kunnen varen, wie weet nooit belandend in de windstilte van de Sargassowieren.
Want in die oeverloze jazz vind ik Boskma op zijn natuurlijkst, als een vis in het eindeloze water, waar vage kustlijnen geen – begrenzend – doel kunnen worden en het alleen de golfslag van de klank en de onderstroom van het ritme zijn die tot gevolg hebben waar het heen drijft en als hij een berggeit zou zijn die dwaalt over de eeuwige bergweiden zouden het zonlicht en rugwind blijken en toch – heel af en toe – bloeit daar een kleinood in het gras dat zelfs deze dichter van zevenmijlslaarzen niet onopgemerkt kan laten:

Dichter———————————-      —i.m. Remco Campert

Een sprietje gras dat door een stoeprand breekt,
ongezien vertrapt door velen, maar de enkeling
leunt op zijn wandelstok voorover,

ziet de wilde manen van verschoten kameraden
recht uit de oorlog langs de Seine wapperen,
een volmaakt bevrijde dinsdagmiddag in april,

en voelt de tijger in hem altijd nog de klauwen uitslaan
naar een lyriek waarin een opgewonden standbeeld
vliegen kan, en man en muis de profetie beamen:

“Dichter? Dichter gaat niet dood.”

Misschien omdat hij al die jaren nauwelijks verouderd is
en het doek blijft weigeren over zijn stem te vallen,
misschien omdat toch ooit één profetie uitkomen moet,

opdat altijd weer langs het lange smalle water,
altijd weer in ontketend lentemiddaglicht,
altijd weer zijn rimpelloze zang weerklinken zal,

en dat die altijd maar, oh,
dat die voor altijd … En hij richt zich
langzaam op en loopt vlug weer door.

[p. 153]

‘Dichter? Dichter gaat niet dood.’ En taal al helemaal niet.
____

Pieter Boskma (2022). Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen. De Bezige Bij, 158 blz. € 24,99. ISBN 9789403180311

Geplaatst in Recensies.