LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Toon Tellegen – Langs een helling

31 mrt, 2023

Moeilijkheid van de eenvoud

door Hans Franse




Toen ik de eerste maal de bundel van Toon Tellegen Langs een helling doorlas werd ik zomaar blij. Zo begrijpelijk, zo een heldere verzameling gedichten in een grote samenhang neergeschreven. Ik vroeg me af waarom ik deze bundel eigenlijk moest recenseren, iedereen herkent immers poëzie met een hoge kwaliteit. Wat zou ik als recensent met alle onzekerheden die aan mijn oordelen verbonden zijn nog kunnen toevoegen? ‘Lees deze gedichten!’ wilde ik uitroepen. Het leek mij voldoende. Als beoordelaar zou ik dan terzijde gaan staan en de poëzie direct aan de lezer aanbieden zonder een commentaar van mijn kant.

Qua sfeer voelde ik mij als na het afscheid van een goede vriend met een gezegend en rijk leven. Je treurt dan wel en voelt zeker op de leeftijd van de auteur (hij is één jaar jonger dan schrijver dezes) de voortdurende aanwezigheid van de dood, maar er is vreugde over het leven dat je viert met een goed glas wijn, met terugkijken en vooruitblikken. Niet dat loodzware van het ‘Dies irae, dies illa’ , de dreigende antifoon uit de r.k. dodenmis, maar veeleer het lichte van een helder madrigaal, een simpel aangrijpend lied, een vleug weemoed, misschien iets van een licht protest om het verstrijken van de tijd en soms een vleug ironie. Zoals in het gedicht ‘Herfst’ : ‘er stromen mensen toe om me verkeerd te begrijpen / en vervolgens hartelijk te bedanken voor het aangename tijdverdrijf / dat ik ze bied’.

Maar al herlezend, noterend, wikkend en wegend ontdekte ik een gelaagdheid, een eenvoud die vaak raadselachtige gevoelens opriep, een gelaagdheid die tot denken aanleiding gaf, leidend tot gedachten over poëzie in het algemeen en het wonder van het gegrepen worden door een taal die zo simpel lijkt op het eerste gezicht. Reeds mijn betreurde collega Eric van Loo, die een eerdere bundel van Tellegen beoordeelde constateerde, ik zeg het op mijn eigen manier, dat in feite de poëzie van deze veel bekroonde dichter, weinig ‘poëtisch’ is. Geen indringende nieuwe vormen, geen mooischrijverij, klankwerking, ingewikkelde beeldspraken en versvoeten. Maar wel vind ik op pag.12 in het gedicht ‘Lang geleden’ deze regel: ‘op een middag vielen er woorden naar beneden, / buitelden om me heen: slakkengang, achterban, dwarsverband, handlanger, handgemeen’, niet alleen een regel klankassociaties, maar ook bijdragend tot het ritme van het gedicht. Of dit voorbeeld van een vergelijking in het gedicht ‘Wachtenden’(pag34): ’waarom ben je er nog niet…denken ze / en de zon, / hun zon, hun vuurrode drenkeling, hun hemelse verstekeling, verschoppeling, hun zon gaat onder’. Toevallig woon ik langs het strand en dit beeld van de zon die ondergaat in het rustige water als een vuurrode bal is zo mooi getroffen, een zichzelf uitblussende drenkeling, een metafoor voor de dood?

Het brengt mij tot overpeinzingen over het begrip ‘ritme’, dat misschien,- een gevaarlijke uitspraak, maar ik vind dat ik mijn onzekerheden mag delen met de lezer-, het essentiële verschil uitmaakt tussen proza en poëzie. Toen ik nog muziekles gaf gebruikten we vaak termen uit het handboek van Willem Gehrels: Algemeen vormend muziekonderwijs, waarin de maatvoeten strikt onderscheiden werden van het ritme. De maat was de klokslag, het ritme was ‘het liedje zelf’. Het ritme van de grote dichter Toon Tellegen is het hele gedicht, een ritme dat voortkomt uit de innerlijke drang om zo te schrijven. Misschien moet ik nog wel verder gaan en zeggen dat in het geval van deze bundel Langs een helling met zijn op en neergaande bewegingen, heen en terug in de tijd, de gevoelens over de dood, maar ook de schoonheid van het leven, het engagement met de maatschappij en de humane toon de hele bundel het ritme is, want er is een grote samenhang, doordrenkt van melancholie. Of zoals de dichter het zelf zegt in het gedicht ‘Herfst’ op pag. 38: ‘melancholie is een specifieke modulatie van het gevoel -in mijn geval is het een impromptu in c-mineur en ben ik een oude, ontstemde viool’.

De bundel is autobiografisch in die zin, dat er teruggekeken wordt, niet zuiver historisch, maar met de wijsheid van nu en met een fascinatie voor het verstrijken van de tijd; het was niet allemaal zonnig, maar er waren veel fijne dingen.

LANGS EEN HELLING

Ik glijd zo langzaam langs een helling naar beneden
dat het lijkt alsof ik stil sta,
zoals de kleine wijzer van mijn horloge lijkt stil te staan,
hoe goed ik ook kijk

soms denk ik zelfs dat ik weer terugglijd,
terug naar boven,
terug naar waar ik lang geleden was,
naar de donkere wolken die daar nog altijd hangen,
naar de zon die daar nog altijd schijnt.

Ik moet oppassen niet te veel te citeren, de poëzie in deze bundel vertelt een samenhangend verhaal, dus de verleiding is groot. Na dit eerste gedicht uit de bundel wordt er verder opgebouwd en één gedicht er uithalen verstoort eigenlijk het ritme van de bundel.

Laat ik toch nog een paar gedichten citeren, in de hoop dat het de lezer inspireert deze bundel aan te schaffen, eerst in één adem te lezen, daarna weg te zetten en veel te herlezen.

LANG GELEDEN

Lang geleden, de hemel was nog hoog en leeg,
de dagen nog lang en oneindig

op een middag vielen er woorden naar beneden,
buitelden om me heen:
slakkengang, achterban, dwarsverband, handlanger,
handgemeen…

ik greep ze beet,
liet ze in mijn handen spartelen en kronkelen,
knoopte ze aan elkaar en maakte ze weer los,
liet ze friemelen en foezelen

en even plotseling als ze waren gekomen
waren ze weer verdwenen, was de hemel weer leeg

maar ik wist toen – ik weet het nog goed:
zo zal mijn leven zijn!

En mijn oorlog werd mijn vrede
en de zon, mijn zon, verscheen
———–als ik hem dat vroeg.

Het proces van dichten: woorden komen en gaan, er is het licht en zon verscheen als de dichter het vroeg. Hoe mooi!

Aan het einde van de bundel, waarin de maatschappij soms wreed is, waarin de dood alom aanwezig is, zelfs soms met een beetje angst. (Lees het gedicht op pag. 41 ‘Oudeman in moestuin’ waarvan de laatste regels luiden: ’en hij ging verder met het wieden van het onkruid, / het opbinden van de bonen, het snoeien van de heg / en dacht – met zijn gebruikelijke angst en nieuwsgierigheid- / onafgebroken aan de dood.’) staan twee gedichten: ik zal het op één na laatste gedicht (pag.50) citeren.

MIJN OP EEN NA LAATSTE GEDICHT

Mijn laatste gedicht moet lang en onbeholpen zijn,
alsof het mijn eerste gedicht is

het moet met terugwerkende kracht een schril licht werpen
op al mijn gedichten
ik moet doodgaan voor ik het kan verscheuren

het moet iets zeggen
wat ik onder geen voorwaarde ooit had willen zeggen
ik schreef op 13 maart 1957 mijn eerste gedicht,
ik had het daarbij kunnen laten.

Ik hoop dat deze bundel niet de laatste zal zijn, weinig dichters slagen erin zo simpel in te gaan op de meest fundamentele zaken van leven en poëzie, die bij Tellegen samenhangen. Misschien verwoordde de dichter Boutens (overigens een gemaniëreerde mooi schrijvende dichter) die fundamentele poëtische instelling in deze regel: ’en eerst dan is leven leven / als het tot den dood ontroert.’
____

Toon Tellegen (2023). Langs een helling. Querido, 51 blz. € 18,99. ISBN 9789021476674

|

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...

Jan van de Ven – Welbeschouwd

Jan van de Ven – Welbeschouwd

Schouwen vanuit de aardse omgeving door Hans Franse - - Jan van de Ven moet een bescheiden man zijn die zijn verbondenheid met het land...