‘Heel alleen ben ik op weg getogen’
door Marc Bruynseraede
–
–
Met een niet te blussen ijver gaat Lucienne Stassaert door, met het notuleren van haar leven, te midden van mensen, poezen, maatschappelijke gebeurtenissen, muziek, schilderkunst en poëzie.
Souvenirs V brengt dagboeknotities uit de Coronaperiode van 2021-2022. Niets kan haar onberoerd laten, in die mate dat de dokter haar druppeltjes tegen de angst dient voor te schrijven, bij gebrek aan druppeltjes tegen het slechte nieuws. Het slechte nieuws, bijvoorbeeld, dat Aleksej Navalny (pag. 9) in de gevangenis opgesloten wordt, omwille van zijn strijd voor de vrijheid van denken. Kritisch denken. Terecht zou hij de woorden van de dichter Michail Lermontov in de mond kunnen nemen: ‘Heel alleen ben ik op weg getogen’.
Het is precies die vrijheid van denken en haar jarenlange omgang met poëzie die haar toelaat de diepere betekenis van de dichtkunst van J.H. Leopold (pag. 6) en zijn invloed op haar poëzie, te vatten. Ook de verborgen eigenschappen van de – wat zij androgyne muziek noemt – van Ludwig van Beethoven, weet zij te duiden, in weerwil van beschrijvingen als ‘bombastisch’ door de muziekkenners van Klara (de radiozender met klassieke muziek van de VRT). Dat zoiets ‘gemakshalve’ opgediend en geslikt wordt, dat gaat er bij een doorwinterde muziekkenner als Lucienne Stassaert niet in.
De Coronapandemie ten spijt zijn de mémoires van Lucienne Stassaert rijkelijk gestoffeerd, met herinneringen aan de figuur en de poëzie van Sylvia Plath (pag. 27 tot 57), na de lectuur van de grootse biografie van Heather Clark (1.300 pagina’s). Het tragische leven van de dichteres heeft haar niet belet onvergetelijke poëzie te schrijven en, via haar schrijven, uit de onvrijheid van haar korte leven te breken. Lucienne Stassaert heeft veel van Sylvia Plath’s werk vertaald en blijft er gefascineerd over schrijven. Met Plath heeft zij een fascinatie met de dood gemeen. En op haar hoge leeftijd beschouwt zij zichzelf als ‘in de wachtkamer van de dood’.
Doorheen de bladzijden van haar dagboek dwalen de gedachten – als een ‘peripatetische wandeling’, zou kunstfilosoof en kunsthistoricus Antoon Van den Braembussche zeggen – naar bespiegelingen van deze schrijver over Zen-meditatie, over mystiek en het onuitsprekelijke in de dichtkunst (L’indicible, l’inexprimable). De overwegingen bij de essays van Antoon Van den Braembussche in ‘Tekens van het onzichtbare’ (pag. 81-87), de Joodse Kabbala en Paul Celan’s ‘Todesfuge’ (Fuga van de dood) brengen mij bij de gedichten van Jan De Roek, die bij Lucienne Stassaert nog levendig in het geheugen aanwezig zijn. Die inspireerden haar tot een suite van vier liefdesgedichten (pag. 90) onder de veelzeggende titel ‘Plaisir d’amour’:
laat je aanwezigheid verstrijken
in een droevige glimlach –
–
Ik zie je nog
verschijnen en verdwijnen
hoor je zeggen:
–
‘Niets gaat ooit verloren’
in het doodstille geruis
van een geheugenschijf.
De titel ‘Plaisir d’amour’ brengt bij mij de herinnering naar boven aan het danstheater Pina Bausch, die dit lied in doventaal op het podium bracht. Het onuitsprekelijke zichtbaar gemaakt door uitbeelding, terwijl de woorden van het lied in het achterhoofd van de horenden blijven klinken: ‘Plaisir d’amour ne dure qu’un moment / Chagrin d’amour dure toute la vie (…)’, oftewel: Plezier van liefde duurt slechts een moment. Liefdesverdriet duurt levenslang.
Voortdurend stoffeert Lucienne haar mémoires met toepasselijke gedichten, die vaak thematisch bij de bedenkingen van de dag aansluiten, maar ook een basso continuo vormen voor haar manier van denken en voelen. Ook is het zo dat haar literaire verleden regelmatig in haar herinneringen opduikt. Dat is het geval wanneer zij het over De jonkvrouw met de spade heeft (pag. 19 en 184) en hoe deze tekst uit 1964 mensen in de literatuurwereld blijft bezig houden. Nele Janssens schreef een doctoraat in de Taal- en Letterkunde, waarin De Jonkvrouw een hoofdstuk in beslag neemt. Aan het einde van haar mémoires V komt De Jonkvrouw nog eens ter sprake wanneer ze het heeft hoe ze haar muzikale en plastische kunst ging combineren met het literaire. Schrijven en schilderen gingen nu de hoofdschotel worden in haar leven, terwijl de ‘bon vivant’ ex-echtgenoot de bloemen buiten zette en zij voor dochters en huishouden zorgde. Aan de goede vriend, die haar de raad gaf om voor haar schilderijen een goede galerij te zoeken, zei ze: ‘Alles is bestemd voor de roepzaal. Daarvoor zullen mijn dochters zorgen na mijn dood’ (pag. 184). De Jonkvrouw met de spade en Souvenirs zijn ook nog uitvoerig besproken in het literaire tijdschrift Deus ex Machina nr 153 door Greet Bauweleers.
Wat mij is bijgebleven is het (gedroomd) gesprek met Henri-Floris Jespers in de trein (pag. 69) dat eindigt met de haiku die Lucienne schreef de dag voordien:
kaarslicht
om stilzwijgend
het leven te herdenken.
Souvenirs V eindigt met een passage over muziek, het medium waarmee Lucienne’s carrière in de kunsten startte. Zij bereidde zich voor, voor de Koningin Elisabethwedstrijd voor piano, en ervoer de repetities als een tantaluskwelling. Nadat ze bij de eerste vuurproef uitgeschakeld werd, zei haar moeder haar dat ze als een automaat zonder gevoel of bezieling gespeeld had. En ze had gelijk, schrijft ze.
Ze sluit deze eerlijke zelfanalyse af met een citaat van Henry James: ‘We werken in het donker – wij doen wat we kunnen – we geven wat we hebben. Onze twijfel is onze passie, onze passie onze taak. De rest is de gekte van kunst.’
____
Lucienne Stassaert (2024). Souvenirs V. Uitgeverij P, 112 blz. € 20,00. ISBN 9789464757644