Een werkelijkheid onttrokken aan de logica
door Johan Reijmerink
–
–
René Huigen heeft inmiddels een respectabele staat van dienst als docent, dichter, schrijver en vertaler verworven. Was hij aan het begin van zijn dichterschap één van de Maximalen uit de jaren tachtig onder aanvuring van Joost Zwagerman, vrij snel daarop koos hij zijn eigen weg. Met zijn grote gedicht Steven 1,2 en 3 (2005-2019) heeft hij enige naam verworven. Dat biedt ons een goed zicht op wat voor soort poëzie hij schrijft en welke opvattingen hij over poëzie heeft.
In zijn nieuwe bundel Noem mij David (2025) blijkt opnieuw dat zijn voorkeur uitgaat naar virtuoze poëzie met een rijkdom aan ideeën en goede taalbeheersing. Naast strofische gedichten komen er in deze bundel omvangrijke prozagedichten voor. Hoewel hij er niet voor terugschrikt woorden uit de alledaagse taal te gebruiken en situaties uit het gewone leven te gebruiken, grijpt hij in zijn denkbeelden dikwijls terug op het werk van grote dichters en filosofen om zijn zoektocht te vervolgen naar hoe de poëzie zich verhoudt tot de werkelijkheid. Daaraan valt zijn analytische benadering af te lezen. Huigen heeft iets van de wetenschapper die langs de weg van intuïtie en serendipiteit tot zijn resultaten komt. De gedachte, het vers, de vorm ervan moet de dichter toevallen op het moment dat hij op iets geheel anders uit is. Veel gedichten hebben een verhalende opbouw die zich dikwijls uiteenzet in filosofische noties. Een dichter als Huigen probeert tot de kern van het talige door te dringen.
Voor mij is in het gedicht ‘Werkelijkheidszin’ van de eerste afdeling ‘Noem mij David’ van de gelijknamige bundel de kernproblematiek verwoord. Dit gedicht wordt voorafgegaan door een citaat van de filosoof Ludwig Wittgenstein uit zijn Vermischte Bemerkungen: ‘Die apokalyptische Ansicht der Welt ist eigentlich die, das sich die Dinge nicht wiederholen’. Iets van zijn apocalyptische werkelijkheidsbeschouwing vinden we ook terug in de poëzie van Huigen. De taal is ontoereikend om de ervaringen en gewaarwordingen van de dichter adequaat te benoemen. De woorden kunnen wel herhaald worden maar niet de ervaring die zij aanduiden. Daarin ligt het echec van elke dichter besloten:
dat overeenkomt met de zin
-die er de vertaling van is –
zonder die zin te herhalen
–
(…)
–
Er voltrekt zich niets minder dan
een ramp, een drama in het klein,
een Apocalyps met name
–
aangaande de onmededeelzaamheid
van wat hier feitelijk plaatsgrijpt,
en zich onmogelijk laat overdoen
op deze of generlei wijze
–
Tenzij het zich laat overschrijven
–
Maar dan is de wereld te klein
Er is sprake van een niet op te heffen ‘onmededeelzaamheid’ in woorden van wat er feitelijk plaatsvindt. Dit echec keert in diverse gedichten terug.
In het eerste gedicht ‘Noem mij David’ uit de gelijknamige eerste afdeling weet het ik zich ‘gevangen’ in het beroemde beeld van de David (1501-04) van Buonarroti Michelangelo dat zich in de Galleria dell’Accademia te Florence bevindt. Het witmarmeren linkerbeen van dit beeld staat afgebeeld op een foto die aan de bundel voorafgaat. Daarmee geeft Huigen al direct beeld aan de problematiek van de ‘onmededeelzaamheid’. Het beeld van David heeft de rijzige gestalte van de oudtestamentische Goliath. Het is meer dan vijf meter hoog, maar is gemaakt door een kleine David die een ‘Grand object of his own content’ uit het marmer heeft weten te vormen. Tegelijk spreekt het ik, het beeld, zichzelf en de maker, de dichter toe over de ongewenste positie waarin het verkeert: ’Dat ik hier gevangen zit / is om reden dat er helaas / geen vormfouten zijn gemaakt’. Dat geen man van taal of proces het ik nog kan redden, komt omdat ‘een verraderlijke perfectie’ zich van het ik, het beeld heeft meester gemaakt. Die perfectie staat voor zijn ‘eeuwig lijden’. Het ik, het beeld zou zich liever vrijpleiten van deze ‘volmaaktheid’, en wenst verlost te zijn van het groter kwaad:
aan wie mij creëerde uit vrees
–
niet te voldoen aan het ideaalbeeld
dat ik moest representeren,
ter opluistering van zijn voortreffelijkheid
Het beeld betreurt zijn eigen voortreffelijkheid die ten koste gaat van het volmaaktheidsstreven van zijn maker, de dichter.
Ondertussen verlangt de dichter naar een ‘vrijheid om niet’. Hieruit spreekt de wens iets niet ‘te doen om dit of dat of zus of zo / er een doel aan te verbinden’. De dichter meent dat we alleen met open houding zonder doel ‘grenzeloos op de wereld’ kunnen ingaan. Pro Deo. Tegelijk kunnen we ons met een dergelijke houding vreemdeling voelen in de werkelijkheid en in de eigen taal, en dat roept vragen op als ‘Verstaat u als in een vreemde / taal geboren het proza / van de wereld niet meer’. Met een dergelijk levensgevoel is het moeilijk zich te identificeren met wie of wat dan ook.
We zijn ons hele leven immers voortdurend bezig de werkelijkheid te identificeren, te construeren en te modificeren. Huigen noemt dat de ‘modificaties van het Zijn’, ‘die beginnen met de vraag Wat is …’. ‘Straks’ is voor hem niet anders dan ‘een modificatie / van zo dadelijk’. Hoezeer Huigen de werkelijkheid voortdurend van binnenuit naar buiten toe benadert, blijkt uit het gedicht ‘De val’. Hij spreekt van een wenken van de hoogte die ons denkbeeldig tot een val aan zou zetten. Deze denkbeeldige actie lijkt absurd, maar tracht ons ‘voorbij het construct [en] de dichtheid / van de wereld te [laten] ondervinden en samen / te [laten] vallen met de kunst die oefening / hem baren moet’. Naast ervaring van vervreemding wijst Huigen op een diepgevoeld ennui. Het gedicht ‘Suite in het Owl Hotel’ is een toonbeeld van dat ‘hemels ennui’: ’alle suites in het Owl Hotel / hebben exact dezelfde huisstijl’, alle bewoners gedragen zich er identiek.
In het gedicht ‘Wees gegroet’ voert Huigen Maria, de gezegendste onder de vrouwen, op als schutspatroon van het mystieke leven. Hij weet zich daarbij geïnspireerd door de Madonna van Piero della Francesca die zich tegenwoordig in het Brera te Milaan bevindt. Het ‘gloeiend zwaard’ op het doek hangt er ‘als een pendel stil / in antwoord op de wereldvragen’. Dit mirakel kan hangende het onderzoek naar ‘de wenselijkheid / en ophaalbaarheid ervan elk moment / dus wanneer het zo uitkomt / op het punt staan te gebeuren // Wees gereed en voorbereid // geladen’. Op de ingreep van dit mysterie dienen we ons voor te bereiden. Huigen is zich ervan bewust dat onze werkelijkheid omgeven en doortrokken is van mysterie en mystiek. ‘Het virtuele’ heeft zijn volle aandacht: ‘Op een foto gebeurt van alles / maar nooit het nemen ervan zelf’. Boven het zinderend wegdek kan zich een luchtkasteel projecteren, ‘tegen de achtergrond daarvan / oogverblindend het onbenoembare // nietsontziende // realisme’. Deze poëzie is doortrokken van een werkelijkheid die zich aan de logica onttrekt.
In de tweede afdeling’ De laatste fictie’ opent Huigen in het gelijknamige gedicht met een strofe die herinnert aan de roman De God Denkbaar Denkbaar De God van W.F. Hermans. Net als Wittgenstein worstelde Hermans met het probleem dat het onmogelijk is iets dat strijdig is met de logica in taal uit te drukken, zoals het bestaan van God. Huigen herkent zich daarin: ‘Al behoeft al het denkbare / niet per se ook kenbaar te zijn, / tenzij onverwacht/ het ondenkbare gebeurt’. Er is altijd bij hem ‘de angst voor het grondeloze, die regeert / wat je verstandelijk verlangt / te compenseren in weerwil van / poëzie en speculaties’. Ons dagelijks taalgebruik beschouwt Huigen vanuit dat perspectief veelal als gebalk in klare taal. Toch schuilt daarin ‘het eeuwig ongerijmde / dus wees onverschrokken’ in het tot ons nemen van ‘essentiële voedingsstoffen (…) // honderd procent // spiritueel’. Hier reikt Huigen wederom voorbij de logica en zoekt zijn toevlucht tot de wereld van de spiritualiteit. In het gedicht ‘Vadertje’ vraagt het ik zich af wat of de essentie van het leven is. Zijn conclusie is dat ons streven ‘naar het sublieme wederom hopeloos tekortschoot’. De zelfverklaarde autoriteit, schijnbetekenissen, eigen verzinsels, ze bieden ons geen zicht op de zin van het leven.
Van de Chinese dichter Yu Jian kunnen we leren om het leven eens ‘van een andere kant te zien’, om met hem vereend als wereldburgers de wereld ‘naar een steeds hoger plan [te] tillen’. Een stem van hoop klinkt erin op. In ‘De dichter van de toekomst’ doet Huigen belangrijke uitspraken over het dichterschap. Hij weet zich niet langer in de wereld geworpen, maar wenst zich te committeren aan het leven. De dichter dient een transactie aan te gaan met de lezer en de sleutel te vinden ‘in de schaduwwereld van beelden, vergelijkingen en metaforen’ ter leniging van de nood. In het echec hiervan schuilt voor hem de tragiek van het schone.
en nooit voor de eeuwigheid. Hij heeft
de filosofen gelezen om dit te onderbouwen
en vindt daarin de ultieme verdediging
om het vrije woord onder bewind van
zijn regels te brengen. De ware vrijheid
luistert naar zijn wetten. Een absoluut
meester is hij van de logiciteit
Huigen ziet zich als ‘een modelpoëet / die poëzie en wetenschap samen weet te brengen.’ Hij doet ‘naar willekeur aannames waaruit vanzelf de pareltjes rollen / die zonder verder toetsingskader anders dan / het gedicht de uitgangspunten rechtvaardigen.’ Hier spreekt een dichter in het besef dat het mysterie hem meer tot steun is dan de logica.
Met een bijna kinderlijk blik kijkt het ik naar de wereld om zich heen. In het gedicht ‘De wereld van gisteren’ over het noodlottige levenseinde van Stefan Zweig tekent zich het beeld van een schrijver af die na grondige analyse van het leven in zijn dagen, tot het noodlottige besluit moest komen, de hand aan zichzelf te slaan. Het is duidelijk geworden, dat Huigen zich bovenal spiegelt aan grote filosofen, schrijvers, beeldhouwers en schilders, zoals in ‘Het Pantheon – een hemel voor Rafaël’. Rafaël (1483-1520) liet zich leiden door onmatig zingenot en door te leven naar het ideaalbeeld dat zijn bewonderaars van hem creëerden.
In de ‘Coda’, het staartstuk, van deze bundel staan drie gedichten. In ‘Een glimlach is voldoende’ helpt de liefde ons de meest onleefbare omstandigheden te overwinnen. In het gedicht ‘Credo van een terecht vergeten auteur’ klinkt toch enige bestaansangst door, zeker als het gaat om de natuur die bedreigd wordt. Het is hem duidelijk dat hypothese over de natuur geen geldigheid bezit als ze niet opgebouwd zijn vanuit ‘metafysische begrippen / als berekenende elegantie’.
Huigen is geneigd poëzie te schrijven die de verbinding met de werkelijkheid verliest, transcendent wordt, slechts taal is. Dit verlangen naar zuivere poëzie verleent haar een autonomie, maar betekent ook het inleveren van zeggingskracht en herkenbaarheid voor de lezer. Deze intellectueel aangestuurde poëzie is niet altijd even toegankelijk om de ruimte van het volledige leven tot uitdrukking te brengen. Net als de onlangs overleden filmmaker David Lynch verkent Huigen de buitengewesten van het bewustzijn: een werkelijkheid onttrokken aan de logica. Intrigerend, spannend, maar misschien wel te veeleisend voor de gemiddelde poëzielezer.
____
René Huigen (2025). Noem mij David. De Bezige Bij, 80 blz. € 20,00. ISBN 9789403134055