Een veelomvattend en pijnlijk verlangen naar eenwording
door Johan Reijmerink
–

–
De nieuwe bundel Moederkoren (2025) van Paul Demets herinnert me aan het magnum opus van Gabriel van den Brink De actualiteit van het archaïsche (2025) die vanuit de antropologie een overzicht geeft hoe wij er als mens mentaal in onze moderne tijd voorstaan. Hij constateert dat we onszelf zijn kwijtgeraakt. We missen in deze geïndividualiseerde maatschappij houvast in gemeenschappen van allerlei aard en soort. Onze identiteit ondergaat schommelingen die onze mentale stabiliteit zo nu en dan doen wankelen.
‘Moederkoren’ groeit als een schimmel op het koren. Deze agrarische metafoor heeft onder meer betrekking op een giftige schimmel die ergotisme kan veroorzaken wat hallucinaties van het ik tot gevolg kan hebben. De titels van de verschillende cycli zijn dan ook begrippen uit de psychologie. Door de fascinatie die Demets heeft opgevat voor de films van de Belgische cineaste Chantal Akermans, is de intense zelfvervreemding en verwondering, afkeer en angst voor wie we zijn, zijn poëzie binnengekomen. De dichterlijke beleving van kindertijd tot volwassenheid komen langs in deze zorgvuldig opgebouwde bundel die de trekken van een spiegelpaleis vertoont waarin zich de nodige onvoorstelbare vertekeningen, verschuivingen en gedaantewisselingen aan het ik voltrekken.
De eerste cyclus ‘Hechting’ opent met een terzine:
een meisje zo oud en zo bleek als haar poppen.
Het gaat graag dood om zich dan te laten wekken.
In het kort laten deze versregels de levenscyclus van een meisje zien waarin de moeder schuilgaat, en in de moeder het meisje, met de pop als verbindende schakel. De moeizame hechting tussen moeder en kind staat in deze cyclus centraal. De moeder richt vervolgens de aandacht op zichzelf, kleedt zich uit voor de spiegelkast. Die nadrukkelijke aandacht voor het eigen lichaam doet denken aan een soort uittreding. Ze verlangt aangeraakt te worden door het kind waarnaar ze hunkert. Dat voortdurend overgaan van kind in moeder, van moeder in kind laat zien hoezeer het identificeren van de een met de ander wordt gewenst, maar niet volbracht kan worden, dan enkel in de verbeelding. Hoezeer de moeder met haar identiteit speelt, blijkt uit:
kijkt zichzelf achterna wanneer ze zich
–
omdraait en ziet hoe haar jurk valt.
De beelden van moeder en kind vallen samen in de spiegel. Vrouw, moeder en kind, ‘hun silhouetten schuren de treden’ van de trap, net zoals de schilder Marcel Duchamp zijn naakten in een continuüm de trap af liet dalen. En dan is er ineens te midden van deze spiegelingen het serieuze moment waarin een vrouw op bed zit te roken en spreekt over haar huwelijk. De vrouw blijft op zoek naar wat er in haar leeft. Ze wenst zich naakt door het licht te laten ontleden. Ze voelt zich koortsig, en ‘het meisje leidt haar vrouwenhand.’ De vrouw staat nog altijd voor de spiegel en somt de eigenaardigheden van haar lichaam met verwondering op, net zoals het meisje naar de wolken kijkt, en ‘hoe het gezicht / een moeder wordt en zich weer verzamelt.’
De tweede cyclus ‘Hedonie’ verwijst naar genotsvolle ervaringen van de jonge dichter in Brussel en omgeving. Het ik komt als ware los van zijn lichaam: ‘wervels lieten mij los.’ En dan is er het moment waarop de jij en de ik elkaar tegenkomen op straat:
met onze gezichten. Ik kende jou op slag, maar mij
niet.
Zelfkennis ontbreekt blijkbaar op dat moment. Het lijkt er zelfs op dat ze elkaar in de begroeting al vergeten waren, maar ‘we draalden in elkaars armen.’ Tussen het vallen van de avond en het ochtendlicht lijkt het lichaam te weten hoe ver het mag en kan reiken: ‘We werden elkaars anatomen.’ Ze gaven zich over aan de slapeloosheid ‘in de stad van stapeling / van afbraak van renovatie.’ Café in, café uit met het beeld voor ogen van ‘een vrouw achter een halfleeg glas aan een formicatafel.’ Ze laafden zich aan hun dronkenschap: ’We waren zo vroeg zo laat / zo uitgeput als de jaren tachtig.’ Demets verwijst in deze afdeling ook naar enkele plaatselijke incidenten, zoals de ontvoering van voormalig premier Paul Van den Boeynants. De straten van Brussel vullen zich als een wildernis van klanken: ‘We deden aan roofbouw, terwijl het onderbewustzijn hoorbaar ontspoorde.’
De derde cyclus ‘Embodiment’ grijpt terug op jeugdherinneringen van het ik. Daarin staat de moederfiguur centraal die als huisvrouw als het ware van haar innerlijke persoonlijkheid wordt vervreemd: ‘Je deelde kordaat de dagen in / zoals je jouw lichaam bewoonde.’ Terwijl ze haar mouwen opstroopte, kregen de dingen hun voorrang. Een vrouw die laat gebeuren dat ze de jas van haar echtgenoot bij thuiskomst aanpakt. In ‘schuldig licht op een kier / tussen de gordijnen’ observeert de zoon haar rituele voorbereidingen voor een ouderwetse wasbeurt. Demets schetst hier het beeld van een vrouw die probeert zich te hervinden, om voorbij het huisvrouw zijn te komen. En dan is er ineens die geheimzinnige brief:
Een envelop blauw als de lucht
zo licht in de hand. Een brief die je voorlas
zo zwaar in de oren van je zoon
die luisterde achter de woorden.
Even lijkt de aandacht voor het huishoudelijke weg te zijn. Iets van die andere werkelijkheid die met de brief is binnengekomen, laat zich aflezen aan haar gezicht: ’Het neonlicht gaf jouw gezicht / opnieuw een bestaansreden / tenminste toch urenlang.’
In de vierde cyclus ‘Ruminatie’ laat Demets beelden zien door de vervormende spiegel van zijn adolescentie. In die levensperiode overheerst de innerlijke verwarring. De jij rent zijn flat binnen, maakt eten klaar en brengt een avond door ‘waarin je niet aangeraakt / helemaal bij jezelf bent.’ Wel kan hij alles ophelderen aan de dingen in huis, maar niet aan jezelf. Het ik zit helemaal vast in het moment en in zichzelf. Tegelijk wil het ik dit niet langer ondergaan. Het teruggrijpen op herinneringen uit het verleden helpt niet meer. Enkel schreeuwen helpt nog, want ‘zwijgen is geweld plegen.’ Hoe aan deze krampachtigheid te ontkomen? Herkauwen helpt niet, dat verliest zijn betekenis. Het afsluiten voor de buitenwereld lijkt juist het ‘geneurie en gelach steeds luider’ te maken. De gaskraan staat open. De geur vult de kamer. Je legt je hoofd op het fornuis. Je lichaam ontvouwt een landschap: ‘Uit je vuist groeien madeliefjes.’
In de vijfde cyclus ‘Fugue’ speelt dissociatief vluchtgedrag een rol van betekenis wat tot geheugenverlies of het aannemen van een nieuwe identiteit kan leiden. Er ontvouwt zich een innerlijke buitenwereld aan zijn verbeelding. Hij hoort spreken en zingen: ‘een refrein gedeeld door velen.’ In de beslotenheid van de slaapkamer dringen de geluiden van buitenaf zich aan het ik op. De jij die naast hem in bed ligt, wendt zich naar het raam en kijkt naar buiten. ‘’s Nachts was ik op reis in de kamer / en had ik jou alleen gelaten’, bang voor je donkere blik. Het ik wilde iets maken, ‘maar de dingen / ontstonden gewoon, zij waren het die mij vonden.’ Hier spreekt de dichter in het ik: ‘Ik wou de waarheid schrijven. / Dan moest ik de wereld binnenlaten.’ Een schreeuw onder donkere wolken: ‘In het zand / had ik geschreven. Ik werd door de wereld belogen.’ De storm ging liggen, de woede bekoelde. Lichamen kwamen als herboren uit het water. Mijn spiegelbeeld bleef mij schaduwen:
om te voelen hoe zij
hoe het kwaad.
Want daar licht altijd iets op
over hoe het gaat
wanneer beelden de wereld niet kunnen vatten.
De zesde cyclus ‘Depersonalisatie’ vertelt in terugblik de ervaring van het ik die gevallen is en bloedend op de grond ligt. De omstanders stonden erbij stil en lachten. Zoals er onder planten het besef van gemeenschappen leeft, ontbreekt dikwijls onder mensen ‘het verband tussen het levende een het dode.’ De dichter werpt de vraag op of
–
dat we een cirkel vormen om het magnetisme
van het denken te bezweren? Hoe we dansend
ritmisch iets teruggeven aan de grond?
Eenieder keek toe, de cirkel werd kleiner, de hij stribbelde tegen. Er werd een ketting aan zijn enkels vastgebonden: ‘We keken toe, lieten alles gebeuren.’ Het ik hield zich stil. Het beklemde hem: ‘Mijn lichaam hapte naar adem, / mijn lichaam dat ik niet meer had.’ Het ik raakte vervreemd van zichzelf. Daar liep mijn lichaam. Het ik probeerde het te volgen. Het liep over de asfaltweg waar het gebeurde.
De zevende en laatste cyclus ‘Derealisatie’ verkent de ruimte tussen moeder en dochter. Het is niet goed mogelijk in één persoon samen te vallen. De tussenruimte vormt een uitdagend obstakel. Een tableau van moeder en dochter manifesteert zich in het licht van een uit donker aankomende tram. Twee passagiers die voor hen de trap oplopen lijken in hen op te gaan, en beseffen:
Niemand heeft gevraagd om hier te zijn.
We geven het een naam om te bezweren.
–
We ademen bij gebrek aan beter.
Dit klinkt als een ongevraagd noodlot waarin de twee gevangen zitten. Het gesprek aan de keukentafel tussen moeder en dochter leidt ertoe dat de ‘ogen worden geopend’ voor de onderlinge verhoudingen. Of de moeder en de dochter nu wel of niet bij elkaar zijn, ze zijn ‘niet ver / van elkaar verwijderd.’ Moeder en dochter blijven elkaar bevragen, maar ’op de wonde groeit geen korst.’ In het meisje wordt de moeder herboren. ‘s Zondags gaat de familie op bezoek en stapt in de auto die hen ‘vervoert naar het zwijgen.’ Dan komt er een meisje tevoorschijn dat de zoon vervangt. ‘Het stapt in zijn plaats / uit de auto met linten aan de klinken.’ Ze loopt in de rij met een jongen naast haar en verspreidt licht dat weerkaatst in de glasramen:
Ik teer op jou als moederkoren. Ik neem je
benen in, kruip over jouw buik, zuig mij
aan jou vast in een trage beweging.
–
Alle tijd voor iedereen, voor sappen.
Ik beweeg me voort
doorheen de familiegeschiedenis.
De doorbloeding wordt belemmerd.
–
Niet gewenst. Liever een meisje.
Mijn geboorte een straf. Je trok de navelstreng
heel strak aan. Eindigend drijft je lichaam
mij eindelijk af.
Het ik zoekt naar zichzelf om ‘het talige / om mijzelf terug te halen.’
De onderscheiden psychologische fenomenen laten zien dat de moeder, de dochter, het kind, wij allen voor elkaar en onszelf, altijd vreemdelingen zullen blijven. Allen hebben hinder van wie zij zijn en wie we willen zijn. Het verlangen naar hechting en eenwording ondervindt door de rijping van het moederkoren voortdurend zijn tegendeel, zijn onvolkomenheid. Demets heeft een veelzijdige bundel geschreven die zijn grond vindt in psychologische fenomenen, waarin het verlangen van ieder mens naar het opgaan in de ander pijnlijk is verwoord, en ons levenslang zal voortstuwen.
____
Paul Demets (2025). Moederkoren. Poëziecentrum, 58 blz. € 20,00. ISBN 9789056553623



