LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Willie Verhegghe – Oradour

31 dec 2025

‘De pletwals van de oorlogsgruwel’

door Yvan De Maesschalck



Wellicht heeft geen Nederlandstalig dichter meer gedichten geschreven over de professionele wielrennerij dan Willie Verhegghe. Wie zich ervan wil vergewissen, kan bijvoorbeeld zijn bloemlezing Tourmalet en andere poëzie buiten categorie (2001) lezen. En liefst ook de precieuze bundel Het geel, de renner en de dood (2017), een ‘piramide voor’ – versta: ode aan –  de Britse renner Tom Simpson, die op 13 juli 1967 de dood vond op de flanken van de Mont Ventoux. Daarnaast houdt hij niet op zich te verontwaardigen over wat oorlog aan menselijk leed veroorzaakt. De bundel Ode aan Owen / Ode to Owen (2000) – met een Engelse vertaling van Eddy Keymolen – en de eveneens tweetalige bundel Dode paarden Dode dichters / Dead Horses Dead Poets (2018) getuigen daarvan. Vooral de Eerste en Tweede Wereldoorlog bewegen hem tot dichterlijk mededogen, al beroeren de vele naoorlogse brandhaarden hem evenzeer. Dat blijkt bij uitstek uit het pas gepubliceerde Oradour. Geen einde over de schandvlek die het nabij Limoges gelegen plaatsje Oradour tot vandaag is gebleven, als symbool voor de oorlogswaanzin die onverminderd blijft aanhouden.

Het uitgangspunt van Oradour is de genadeloze vergeldingsactie van de in Frankrijk gelegerde Duitsers op 10 juni 1944, amper vier dagen na de landing van de geallieerden in Normandië. Daarbij werd het weerloze dorp Oradour-sur-Glane in de as gelegd en gingen honderden onschuldige burgers in vlammen op. De geblakerde restanten van het dorp zijn na die verbijsterende oorlogsmisdaad tot nog toe onaangeroerd gebleven. Als verstomde getuigenis van de ontmenselijking waar oorlog – waar en wanneer dan ook – telkens weer toe leidt. Hoewel de eerste cyclus integraal inzoomt op het drama van 1944, richt de bundel zich ook tegen oorlog als voortwoekerend geopolitiek verschijnsel. Zoveel blijkt uit de lezing van alle gedichten en van het korte voorwoord ‘Tussen angst en hoop’. Daarin pleit oorlogsjournalist Rudi Vranckx ervoor de beklemmende fictionele waarschuwing van George Orwells Nineteen Eighty-Four (uit 1949) meer dan ooit ernstig te nemen. In de strijd tegen de argumenten die oorlog legitimeren houden Verhegghes gedichten ‘de vlam van de hoop mee in leven, van Oradour tot Gaza en Marioepol’.

De eerste cyclus ‘Oradour’ bestaat uit eenentwintig gedichten waarin diverse facetten van de lafhartige aanslag worden geëvoceerd. Eerst is er de ‘prelude’ op 9 juni 1944 in Tulle, waarbij bijna honderd burgers ‘als opgeknoopte schaduwen’ de sinistere belichaming vormden van François Villons ‘Ballade des Pendus’. In de twintig daaropvolgende gedichten komen wegroestende relicten als een ‘meisjesfiets’, ‘keuken’, ‘bed’, ‘ploeg’, ‘naaimachine’, de zwaar gehavende kerkruïne, de verantwoordelijke daders én enkele slachtoffers met naam en toenaam in beeld. De meest opvallende motiefwoorden zijn ‘pletwals’, ‘gruwel’, ‘steen’ (of ‘verstening’) en woorden die verwijzen naar ‘vuur’ en ‘hel’. De ‘pletwals van de (oorlogs)gruwel’ staat diametraal tegenover de ‘kleuren van Van Gogh’, een iconische schilder die in Verhegghes poëzie al eerder figureerde, onder meer in de liefdesbundel Volhart (2002) en in Het geel, de renner en de dood. Een vergelijkbare tegenstelling is die tussen ‘de wellustige waanzin’ en de exponenten van de hoge Duitse cultuur: ‘In Weimar keerden Goethe en Schiller zich in hun graf’; ‘Bach en Mozart breken weerbarstig / uit hun harnas van Passie en Requiem’; Marguerite Rouffanghe, de enige overlevende van de vlammenzee, ‘blijft roerloos liggen / tot de taal van Goethe niet meer te horen is’.

Een opvallend aspect van Verhegghes beheerste, discursieve register is de bijna totale afwezigheid van eind- en binnenrijm, al valt een (afstandelijk) rijmpaar weleens te bespeuren, met ‘kerkerkerk’ als bijzondere variant. Maar verder rijmt thematisch vooral ‘gruwel’ op ‘geweld’, wat evenzeer geldt voor de tweede cyclus ‘Geen einde’: het biedt een selectief chronologisch aperçu van (meestal) relatief recente oorlogsfeiten en conflicten. Toch is het aangrijpingspunt ook hier dat van de Grote Oorlog, met name ‘In Flanders Fields’. De al genoemde motieven duiken er zo mogelijk nog vaker op en worden aangevuld met semantisch verwante termen als ‘genocide, ‘genadeloos’ of ‘onverhoeds inferno’, ‘Gazacide’, ‘Gazagenocide’. Het doorgaans rijmloze karakter van deze klinisch aandoende verzen zet de ongerijmdheid van de oorlog als ‘ongeziene ratrace van vernietigende waanzin’ alle kracht bij.

De lyrische kracht waarmee de dichter zijn aanklacht vormgeeft, blijkt tegelijk uit het welhaast ongeremde gebruik van alliteratie en assonantie. In het op Emile Zola’s vlammende protestartikel (L’Aurore, 13 januari 1898) geïnspireerde gedicht ‘J’accuse’ wordt de ‘gruwelaanval’ van 7 oktober 2023 in de Gazastrook herdacht: hij heeft het over ‘de meedogenloze wraak’, met ‘een veelvoud van gekwetste en gedode Palestijnen’ tot gevolg. Georkestreerd door ‘kwalijk kwakende generaals als aanstokers’, een kikker-metafoor die zo uit Jeroen Brouwers’ weergaloze moederroman Bezonken rood (1981) geplukt zou kunnen zijn. De slotgedichten van Verhegghes bundel lezen als een vehement protest tegen en ‘pijnlijk Requiem’ voor de talloze anonieme doden. In Verhegghes bewogen poëzie komen ze weer even tot leven. Hij koppelt daarbij – alweer – terug naar de Eerste Wereldoorlog, memoreert het tragische lot van lievelingsdichter Wilfred Owen en de onlangs vermoorde journalist Anas Al-Sharif, en legt ‘bloemen neer waar zijn bloedend hart / als een klaproos bloeit’.

Bij alle hier opgeroepen wreedheid, inclusief die van Hiroshima, Vietnam, Rwanda, Syrië, Srebrenica, Oekraïne, Rusland en Soedan, blijft de dichter zich bewust van zijn eigen (over)beschermde positie. Hij hoedt zich voor zelfgenoegzaamheid en bekent: ‘Ik wentel me al mijn godgans leven / in de niet te onderschatten weelde van de vrede’ (in ‘De keuze van de dichter’). Aan zijn vroeg gestorven zoon Miguel wijdt hij het slotgedicht, want ‘afstand [brengt] verdriet dichterbij’, een paradox die vaker opduikt in deze, met verstilde zwart-witfoto’s verluchte verzen. In de slotbeschouwing ‘Mijn kleine oorlog’ – tegelijk een saluut aan zijn toenmalige vriend L.P. Boon – verknoopt hij zijn intense betrokkenheid bij de (ontmenselijking van) oorlog met zijn herkomst en geboorteplaats Denderleeuw, waar ‘een onschuldig dichtertje’ in 1947 het levenslicht zag.

____

Willie Verhegghe (2025). Oradour. Geen einde. Uitgeverij Les Iles, 114 blz., € 25,00. ISBN 9789491545580

     Andere berichten

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Ellen Deckwitz – Metamorfosen

Een relatie die niet kon blijven bestaan door Yolandi de Beer - - Ellen Deckwitz (1982) is een van de meest toonaangevende stemmen in de...