Een beer in de polder
door Ivan Sacharov
–

–
Sommige gedichten zijn voor een recensent moeilijk te negeren:
–
Wij waren jong, er hingen wolken
donker om ons heen
wij wisten niet waarom
wij mochten spelen buiten alles om
–
men vergaf ons, wij waren immers jong
al voorvoelden wij al wel dat
geen van ons de dans ontspringen zou
–
dat onschuld en een godsgeschenk
ten spijt geen medicijn ons redden kon
wij gingen hand in hand daarom
–
hinkelend langs de randen van geluk
en vroegen niet waarom
wij mochten spelen buiten alles om
Een tekst waarin de spaarzaamheid van interpunctie opvallend (zinvol) is. Slaat het woordje ‘waarom’, in de eerste strofe, op het voorafgaande of op wat er komt? En verder millimeterend: waarom staat in de tweede strofe niet ‘kon’, waar ‘zou’ staat? Dat zijn dingen waar je als lezer je hoofd over kunt breken. Vermoedelijk heeft ‘kon’, in de derde strofe er iets mee te maken, maar ik denk niet alleen. De derde strofe valt verder op door een (Bijbelse) connotatie: ‘onschuld en een godsgeschenk’. Dat doet denken aan: ‘laat de kinderen tot mij komen, want wie niet wordt gelijk de kinderen (…)’, uit het beroemde boek. Helaas zijn we niet te redden. Zelfs onschuld en een godsgeschenk blijken geen medicijn te zijn voor wat ik hier maar even ‘de kwaal van het leven’ zal noemen. Een kwaal die ingepakt in donkere wolken nogal vaag blijft. Maar dat kan niet anders. ‘Medicijn’ is in dit verband een apart gekozen woord. Letterlijk genomen zou het betekenen dat we ziek zijn, als kind al. Ziek van het leven? Dat is een mooie. Het woord kan misschien nog het beste overdrachtelijk worden opgevat. Leven veronderstelt immers stilzwijgend sterven en daar is vooralsnog geen medicijn voor.
Dat er misschien nog een andere reden voor het ‘medicijngebruik’ van de dichter is, kan men pas weten als men de bundel waarin dit gedicht staat helemaal uitleest… Ik heb het hier over: En de vissen lispelen tegen het riet van Paul Roelofsen. De geciteerde tekst is het allereerste gedicht van de bundel, dat een spiegelbeeld blijkt van het allerlaatste:
–
Wij zijn oud, er hangen wolken
donker om ons heen
wij begrijpen niet waarom
wij mogen leven buiten alles om
–
men vergeeft ons, wij zijn immers oud
en voorvoelen dat geen
van ons de dans ontspringen zal
–
dat onschuld en een godsgeschenk
ten spijt geen medicijn ons redden kan
wij gaan hand in hand daarom
–
schuifelend langs de randen van geluk
en vragen niet waarom
wij mogen leven buiten alles om
De dichter, die op leeftijd is, omarmt met deze twee gedichten a.h.w. zijn bundel, en wellicht zijn leven. Als we beide teksten vergelijken worden veel dingen duidelijk. Net zoals in de loop van ons leven veel dingen duidelijk worden, omdat we steeds meer vergelijkingsmateriaal tot onze beschikking krijgen. Medicijngebruik is heel gewoon op latere leeftijd. Hinkelen langs de randen van het geluk wordt pijnlijk schuifelen. Merk op dat het laatste woordje: ‘om’, een zeer dramatische inhoud krijgt, als men er een komma voor denkt (die interpunctie toch!).
De dichter heeft niet alleen oog voor het dramatische. Tussen deze twee uitersten bevat de bundel allerlei soorten gedichten, tot komisch-absurdistische toe. Op pagina 41 lezen we:
–
Ik kon me in je laten glijden
als een gletsjer
ik kon ook gewoon thuis blijven
–
toen ik je verraste met die gletsjer
wilde je weten waarom
ik niet gewoon thuis was gebleven
–
ach blakende vlam, thuis gebleven
zou mijn kilte niet
zijn versmolten met jouw warmte
–
ongekend zouden wij zijn gebleven
jij gedoofd tot as, ik ijskoud
vergeten als een bevroren fantast
De scène lijkt uit het leven gegrepen: een zich puberaal gedragende man krijgt een koude douche van een zich ‘volwassen’ gedragende vrouw. Ze wil weten ‘waarom hij niet gewoon thuis was gebleven’. Een zin die op de lachspieren werkt, vooral door dat woordje ‘gewoon’. Ja, doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg! De stereotype situatie wordt op een subtiele manier paradoxaal uitgewerkt: een ‘blakende vlam’ gedraagt zich koel tegenover een al te vurige, ‘bevroren fantast’. Prachtig! En zo zijn er meer lekker rare gedichten in deze bundel, die met een soms dijen-kletsende humor onder de pen van deze toch wel (eigen)wijze zoon van een rokkenjagende dominee een geheel eigen smaak krijgen. Maar ik begon met drama, laat ik er ook mee verdergaan:
–
Op een verregend en verlaten perron
hield het onweer een preek
–
zij hoorde de donder die klonk alsof
hij nog van haar hield
–
maar zij rilde niet meer in haar nek
noch langs haar rug
–
en besloot te vertrekken
naar waar zij vreemd en niemand was
–
toen zij in de trein stapte
viel de donder stil
–
een stilte
hoorbaar-onhoorbaar
Deze variatie op een ‘donderpreek’ – die een zoon van een dominee niet vreemd kan zijn – is grappig en tragisch tegelijk. Onder het laagje humor zit iets verborgen dat laat voelen dat het haast nog erger is dat liefde sterft dan de persoon voor wie die liefde bestaat. IJzersterk.
Een thema dat vaker in de bundel voorkomt. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Claire de lune’ (pag. 25), waar het net andersom is: een man, die ‘de maan naar de verdommenis wenst’, is verkild en zwijgt, want hij begeert zijn vrouw niet meer en de maan ‘droomt mooi maar / blaast geen lust in wat verslapt en verflenst’. Dé tragiek van het leven: het blijft niet op zijn hoogtepunt, het gaat en groeit maar door, en onze smaak groeit niet altijd mee. Onze smaak, die vaak op uiterlijke zaken is afgesteld, en het innerlijk versmaadt. Wat grappige, maar ook nare consequenties heeft. En dan is het een voordeel als je ook onder de oppervlakte (lees: de huid) kunt kijken. Puur praktisch: het maakt het gemakkelijker om het leven tot het eind toe te waarderen. De maan, intussen, blijkt in ‘Claire de lune’ haast een man te zijn (het scheelt maar één letter): ‘Gedragen door sterren droomt de maan / van blozende borsten / en van dicht struikgewas in het bos’, zo begint het gedicht. Ik benoem dit omdat de maan in de bundel een belangrijke rol speelt. Geen toeval.
Op de achterflap wordt verteld dat de dichter ‘zijn inspiratie put uit nachtelijke wandelingen door zijn woonplaats’. Dan lijkt het niet te ver gezocht om te veronderstellen dat de maan – die mede rozengeur en maneschijn faciliteert – op die wandelingen met hem meewandelt, en misschien tot hem spreekt. Lees: hem op ideeën brengt. Poëtische taal is als een soort van maneschijn op te vatten. ‘Schijn’, speelt überhaupt een belangrijke rol in poëzie. Het gedicht ‘Somnambule in de polder’ (pag. 61), waarin de titel van de bundel terug is te vinden, zegt het zo:
De sloot is verliefd op de vissen
De sloot is een wang met zilver erop
En de wilgentakken die erboven hangen
laten tranen op die wang
De sloot is een zilveren slang
die waakt over haar vissen
–
En het riet sist tegen de vissen
En de vissen lispelen tegen het riet
En de takken sluiten zich
En de mist is licht
En de maansikkel achter een wolk
ziet een beer
Een oude beer die de weg kwijt is
Dit is wel een summum van polderwijsheid. Een gedicht dat het leven voorstelt als een sloot! Een sloot die de vissen wast… Ja, dat zullen wij wel zijn (die net als varkentjes door het leven gewassen worden). De sloot die ‘een wang is met zilver erop’: het dunne laagje chroom waarin we ons beschaafd verpakken? Wie zal het zeggen. Maar ‘De sloot is een zilveren slang / die waakt over haar vissen’, zolang ze leven. In de tweede strofe wordt de sfeer dreigender: ‘het riet sist tegen de vissen / En de vissen lispelen tegen het riet’. Een geheimzinnige passage eigenlijk. ‘Lispelen’ is onduidelijk spreken. Zoals orakels vroeger deden als het om het lot van de bevragende ging. Hier lijkt ook zoiets plaats te vinden: ‘de takken sluiten zich’, kan betekenen dat waar het leven ten einde loopt onze mogelijkheden kleiner worden. Briljant is de regel: ‘de mist is licht’. Mist ziet er inderdaad meestal licht(grijs) uit. Maar hier kan ‘licht’ letterlijk worden opgevat: het licht van de maansikkel achter een wolk ziet er onder water uit als mist. Licht dat voor de vissen (levend) onbereikbaar is. Dat doet aan iets denken. Met de maansikkel in zijn laatste kwartier lijkt (de schijn van) het leven bijna voorbij. Het leven dat in deze bundel door een oude beer aandoenlijk wordt geschilderd.
____
Paul Roelofsen (2025). En de vissen lispelen tegen het riet. Uitgeverij U2pi, 86 blz. € 15.00. ISBN 9789493437319


