LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Liesbeth D’Hoker

29 jan 2026

‘Ergens wil iedereen die schrijft voor de ander het verschil maken’

door Cora de Vos

 

foto © Bert Potvliege

 

Liesbeth D’Hoker (Aalst, 1984) is dichter, essayiste en literatuurcritica voor onder andere DW B, De Lage Landen en De Reactor. Naast haar baan als leraar Nederlands zit ze in de jury van de Libris Literatuur Prijs. Liesbeth is aangesloten bij het collectief de Klimaatdichters. Want straks komen de wolven (Poëziecentrum vzw, 2025) is haar poëziedebuut. De bundel vormt een introspectieve reis waarin natuur, lichamelijkheid, herinneringen, kwetsbaarheid en verlangen centraal staan.

Wat een intrigerende titel heeft je bundel. Deze is niet onopgemerkt gebleven, Want straks komen de wolven staat op de shortlist mooiste titels 2025 van Granate. Waarvoor staat de metafoor ‘wolven’: dreiging of een belofte?
Allebei, sowieso is het meerduidige van groot belang. Al neig ik hoe langer hoe meer in de richting van belofte. Wolven zijn wild en mysterieus, ze bepalen hun eigen regels, gaan zich niet netjes vestigen in die gebieden die wij als mensen voor hen bedacht en uitgespannen hebben. Mijn bundel gaat over de vraag hoe ons te verhouden tot het onvoorspelbare, de ontembare duisternis in en rondom ons. Mezelf natuur weten, deel van een dynamisch geheel, helpt daarbij. Misschien moeten we de natuur niet altijd naar onze hand willen zetten en durven toegeven dat de aangeleerde sociale structuren niet altijd volstaan, dat ze ons niet gelukkig maken.
Leven met de wolven is leven met het wilde in onszelf, de driften die in ons onderbewuste sluimeren en soms inderdaad bedreigend overkomen, angst aanjagen. Al denk ik dat de grootste bedreiging niet de wolf is, maar de angst voor de wolf. Angst verhindert wederzijdsheid, grijpt in op je relatie met de wereld, met je omgeving, het bedreigt het gesprek met de ander. Angst leidt tot verlamming. Opgesloten in jezelf, in je eigen bubbel leer je niks, niks over jezelf en niks over de ander. De zoektocht naar een hernieuwde, verstrengelde en doorbloede relatie met de wereld omspant de bundel.

 

denkwoud

waarom willen we
in steeds kleinere cirkels
gaan liggen, hurken achter sparren
zoals lagere schoolmeisjes voor wie
de heldere dag niet te verdragen is?

waarom troost bewasemd blauw
wanneer de lucht zucht
in een oeroud kortademig hijgen

we enkel in ruis berusting lezen,
verhaal bij schimmen halen
en niemand nog de uitweg weet?

waarom willen we in steeds kleinere
cirkels gaan liggen, in splinters uiteen
welk wensdenken houdt
ons bloedend overeind?

vertellen en luisteren zullen
daden van liefde zijn

verrijs vriend, pluk woord en wuivend
helmgras, stuif als zand, kringel
als wolken, spectraal vuur en glas

de hemel is een schedel,
door haar naad sijpelt
licht waaruit duisternis lekt,
onder haar welving
zingt het wassende woud,
een huilen van de nacht
dat dagen aanhoudt

een wolf strekt zich,
in volle galop
de zon achterna

 

Los van de titel trekt de inhoud de aandacht. Je debuutbundel kreeg mooie recensies en er volgde al snel een tweede druk. Had je daarop durven hopen?
Ik had geen enkele verwachting op dat vlak, mijn enige hoop was dat ik lezers zou bereiken en die op de een of andere manier zou raken. Kijk, ik kan mijzelf geen leven zonder literatuur indenken, schrijvers hebben me met hun werk al zo vaak vergezeld op cruciale momenten. Als niets helpt, helpt kunst, helpt literatuur. Sommige schrijvers zijn mijn intiemste vrienden, al weten ze dat zelf niet. En ergens wil je, wil iedereen die schrijft, die maakt, in die zin wel voor de ander het verschil maken, denk ik. Publiceren, positie innemen, is ook een vorm van uitreiken.

‘Want het is in verbeelding, verstrengeling en bezieling dat we zullen aarden, als we aarden’, lees ik op de achterkant van je bundel. Een intrigerende zin, die even moet landen. Leg eens uit, als je wilt.
We leven in onzekere en destructieve tijden – denk aan de klimaatcatastrofe, de groeiende ongelijkheid, de oorlogsvoering… We worden continu geconfronteerd met verlies, kwetsuren die ons onthutst en ontdaan achterlaten. Ik kies in de bundel bewust voor het woord ontdaan omdat ik het gevoel heb dat het om voldongen feiten gaat, situaties die ons telkens weer confronteren met de vraag: wat valt er nog te doen? De neiging om je te gaan ingraven in ontkenning, in verdriet of apathie is dan heel begrijpelijk, maar helpt niet. Elk mens heeft behoefte aan vormen van houvast, dat is het ‘aarden’ waarop ik doel. En zeker in uitzichtloze tijden is het net hierom van belang om hoopvol te blijven handelen en naar enig houvast te reiken. Maar hoop zonder grond is een lege doos, hoop geldt pas als hoop als ze zich verwerkelijkt. Woorden zoeken voor de destructie, de effecten en vooral de affecten ervan, kan een vorm van handelen zijn. Verbeeldingswerelden scheppen, in verband gaan staan met de ander, met de omgeving, met het landschap, met al het mooie dat er wel is, dat kan een vorm van handelen zijn. Ik vind grond in bewuste aanwezigheid, in geconcentreerde aandacht voor al wie en wat ons omringt. Dat biedt mij een zekere mate van houvast.

In de podcast We moeten het over literatuur hebben zeg je dat je gedichten ontstaan zijn in de marge van andere werkzaamheden. Je ging wat ‘prutsen’ en op een gegeven moment had je een collectie gedichten die voldoende was voor een bundel.
Mijn eerste gedichten zijn inderdaad in de marge van mijn essays en literaire kritieken ontstaan, spelenderwijs bijna, omwille van mijn eigen plezier en achteraf beschouwd misschien ook wel omdat de noodzaak zich manifesteerde. Uiteindelijk heb ik een selectie gemaakt en die laten lezen door een vriend die ook schrijver is .De grondtoon van zijn feedback was positief en hij zei dat het goed zou zijn om na te denken over publicatie, omdat het de volgende stap was om je als schrijver verder te ontwikkelen. Hij raadde me aan om bij Poëziecentrum aan te kloppen, en voilà.

Van Stefan Hertmans – niet de minste – is de quote: ‘De sterkste gedichten van Liesbeth D’Hoker duiken in een donkere intensiteit die soms aan Sylvia Plath doet denken.’ Heb je iets met de poëzie van Sylvia Plath?
Ik ken het werk van Sylvia Plath onvoldoende om er iets zinvols over te zeggen, maar het is natuurlijk wel mooi als lezers verbanden leggen met het werk van andere schrijvers. Dat wil zeggen dat de gedichten op zichzelf ook werken als tekstlichamen die de eigen grenzen overstijgen en zich weten te verstrengelen met andere tekstlichamen. Dat vervloeiende vind ik een mooi gegeven. Daar hou ik zelf ook van wanneer dat in mijn lezen gebeurt. De ervaring dat dingen met elkaar verbonden zijn, dat je je als lezer in een weefsel begeeft, dat uit het een weer iets anders voortkomt. Zo’n dynamiek werkt prikkelend.

 

geslepen berglicht

nevel daalt uit bergen neer,
dempt de vallei,
opvliegende kraaien
geen vleugelslagen aan de tijd

je ijle keienkop rammelt en rijst
boven een bevroren zee
van sneeuw, van ijs

drijf de leegte uit, zoek
licht dat broedt,
los van jou

ga liggen, liggen op de liggende sneeuw
in dit landschap van koudblauwwit,
in deze vlakte van sneeuw, van ijs
ga liggen en wrijf jezelf gloeiend,
ga wiekend dit lichtend hoogland in,
zoek licht dat broedt, vrij van jou

onder een bevroren spansel groeien veren aan,
wit krakend vuur

blaas glas helder,
kerf adem in merg,
stil dit onstilbaar ogenblik,
beitel het in je bleke botten
– trillend anker van de tijd –
geblust kalkskelet, vergetelheid

en denk nu niets meer,
wens nu niets meer,
wees alleen nog lichaam, geraamte en spier

geen gedachte houdt stand,
alleen geslepen licht,
gespaard uit zilverwit hier

 

Welke dichters inspireren jou of zijn een rolmodel?
Destijds is de vonk voor poëzie bij mij overgesprongen door het werk van Peter Verhelst en ik lees nog steeds elke bundel van hem, de liefde blijft. Verder heb ik enorme bewondering voor het werk van Charlotte van den Broeck, zowel als dichter als essayist. En recent ontdekte ik de poëzie van Tom van de Voorde, ook zijn poëzie raakt me. Zijn recente bundel De elementen is erg sterk, de gedichten zijn schijnbaar eenvoudig maar bij elke lezing komt er weer onderliggende, ingekapselde energie vrij. Ook op het vlak van compositie zit de bundel knap in elkaar, van zijn aanpak kan ik zeker leren.

Je bent aangesloten bij de Klimaatdichters en je toont je een geëngageerde en maatschappelijk betrokken dichter. Er zit urgentie in je werk. Waar komt die noodzaak vandaan?
Uit liefde. De wereld waarop we mogen leven is niet minder dan wonderlijk, het doet pijn om die prachtige biosfeer waar we deel van zijn zo sterk bedreigd te weten. Het leven is zo kwetsbaar en zo ontroerend, dat vraagt om zorgzaamheid. En ik heb jonge kinderen die ik een leefbare toekomst wens en op hun beurt hun kinderen. Ik begrijp niet dat dit gevoel van urgentie niet breder gedeeld wordt, de toestand van onze planeet gaat ons allen aan.

Hoe werk jij als dichter: ben je een snelle schrijver die in een flow kan werken of kauw je lang op een regel, een woord? Heb je een schrijfritueel, zet je muziek op?
Ik ben een trage denker en dichter. Er komen eerst afzonderlijke regels, een gevoel, een idee. Het gebeurt zelden dat ik in een gulp een gedicht neerschrijf, en als het zich voordoet dan is dat nooit de finale versie. Dingen moeten rusten, verzen moeten versterven. Het is goed om na een dag, een week, een maand terug te keren en dan nog eens en nog eens. Ik heb geen schrijfritueel, maar ik werk wel het liefst en het scherpst in de ochtend. En hoewel ik graag en veel muziek luister, schrijf ik in absolute stilte, dan hoor ik hoe de verzen zich vormen in mijn hoofd. En ik ga ook veel en graag wandelen, dan draag ik kiemen voor gedichten mee in mijn achterhoofd.

 

sneeuwdroom

witte ruis komt in zachte plofjes,
vogels vliegen af en aan, pikken
kruimels, zaden en noten

de hemel scherft kindertijd
duizelt natte kooltjes van kristal,
dempt dit groots weerspiegelfeest,
vertraagde val, de dag nog vol
.                                    nog gaaf
nog even belofte
die later evengoed
onder hardsteen valt

een dikke deken; je adem,
de vogels en de sneeuw
die liggen blijft

de zwachtellucht, je prikt
er met geen ster doorheen,
je handen steenkoud
maar dat wil je niet
weten, het is het branden
van vergeten

omsmelting ontstaat zomaar
een tong blaast sneeuwdrift,
engelenvleugels, stille
gaven voor de geest

 

Je bent leraar Nederlands. Lukt het jou om leerlingen de liefde voor taal bij te brengen? En is er op school voldoende tijd en ruimte om aandacht te geven aan poëzie?
Ik heb het geluk les te geven aan eindexamenkandidaten secundair onderwijs die best wel geïnteresseerd zijn. Ik lees veel met hen, ook poëzie. Ze tonen zich niet afkerig van het genre maar hebben wel richting nodig, dat beetje extra duiding zet hen vaak op weg. We schrijven soms, een kortverhaal, een gedicht, een reisdagboek, en doen dat in verschillende fases en samen in de klas. Daar komen verrassende teksten uit, ook van leerlingen bij wie je die schrijfspier niet meteen had vermoed. Wat poëzie betreft vind ik het belangrijk om mee te geven dat het geen duf genre is, met beeldmateriaal van dichters als Carmien Michels of Maud Vanahauwaert bewijs ik hen dat poëzie ook levendig en speels kan zijn.

Waar werk je nu aan, wat kunnen we verwachten? Een novelle of een roman wellicht?
Ik ben heel af en toe verzen aan het schrijven en heb een vaag, vooralsnog sensitief, idee van de richting die ik met een volgende bundel uit wil, maar er is nog niets concreets. Mijn focus ligt momenteel grotendeels bij mijn opdracht als jurylid van de Libris Literatuur Prijs 2026 en mijn dagelijkse lesopdracht. De tijd ontbreekt om diep in de poëzie te kruipen. Dat voelt ergens wel als een gebrek of tenminste iets waar ik tegen de zomermaanden een structurele oplossing voor wil zoeken. Daarnaast wil ik ook essays en literaire kritieken blijven schrijven, dat houdt mijn lezen en mijn denken gevarieerd en fris. Een novelle of een roman zoals je suggereert, die ambitie heb ik –momenteel althans – niet. Het lijkt me volledig anders wat betreft aanpak, tijdsbesteding, opbouw,… en ik weet niet of ik dat in mijn vingers heb.

 

 

 

 

     Andere berichten

Interview Aleid Bos

'In mijn hoofd loopt altijd een tekstmotortje'   door Ellis van Atten   In Castricum woont Aleid Bos, oftewel Daatje. Onder dat...

Interview Jac. M. Janssen

‘Taalspel en -plezier zijn drijfveren.’ door Alja Spaan     foto © Sylvia Jansen   Jac. M. Janssen is tekstschrijver en...

Interview Ron Frinks

Interview Ron Frinks

‘Poëzie is een van de dingen die het leven zin geven.’ door Alja Spaan   foto © Marjon van der Vegt   Ron Frinks is 70 jaar. Na...