LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Kris De Lameillieure – Onderkoorts

26 jan 2026

Beelden die ijzige gevoelens oproepen

door Tom Veys




Onderkoorts of hypothermie is een te lage lichaamstemperatuur die kan leiden tot gevaarlijke uitval van lichaamsfuncties na langdurige blootstelling aan koude. Deze omschrijving kan je in figuurlijke zin ervaren in de bundel. Of zoals het goed geformuleerd wordt in het gedicht ‘Quo vadis? (2)’: ‘Kou knijpt mij in het hoofd en ik vergeet hoe het moet’. Op de zijflap van de bundel staat: ‘In Onderkoorts zit veel afstand en afscheid’. In veel gedichten is een pakkende poëtische spanning merkbaar.

Het emblematische gedicht ‘Onderkoorts’ omschrijft, denk ik, poëtisch de wetenschappelijke omschrijving die in het begin van deze bespreking staat. Aan de hand van aangrijpende beelden, met name het loslaten van het netvlies en het dichtnaaien van de lippen, wordt staccatogewijs of aan de hand van korte dichtregels, een boodschap meegegeven. ‘Onderkoorts’ zit in bijna alle gedichten. Hierbij is de taal van groot belang. De taal is een bindmiddel, misschien ook een geneesmiddel.

Onderkoorts

Je herkauwt de waangroei in het hoofd,
braakt residu uit een lege maag, leeft

in permanente staat van onderkoorts.

Om te lachen trek je zonder verpinken
kaken op, de ogen onbewogen.

Zenuwbanen in gordiaanse knoop,
ongevoelig voor elektrische lading.

Je laat het netvlies los,
naait de lippen dicht,
schrijf je testament

in gedichten.

Elke afdeling start overigens met een gedicht van Miriam Van hee, dat cursief staat gedrukt. Het thema in het gedicht of de eerste regel is meestal de aanzet van de afdeling, het is een impuls.

In de bundel kan je een aantal duidelijke leidmotieven ontdekken. De thema’s licht en donker spelen bijvoorbeeld een grote rol. In het eerste gedicht ‘Kamer 915’ staat ‘De gang loopt lang en wit voor ons uit, / in je kamer is het stil. // Iemand knipt het licht uit.’ In het laatste gedicht ‘Licht,’, bewust met een komma in de titel, vinden we ‘In dit kader past hij niet altijd. Hij wil zand zijn / en verstuiven, regen en verdampen. // En als hij kon: licht.’ Begin en einde sluiten dus goed bij elkaar aan.

De complexe vaderportreten in de bundel, die hand in hand gaan met de zwart-wittinten, lezen als bijzondere poëzie. Niets is vanzelfsprekend. Het gedicht ‘Weg’ illustreert dit alvast. De taal is er nota bene liederlijk met verschillende enjambementen en enkele assonanties en alliteraties, zoals schoot, hoofd, geen wind waait.

Weg

Soms is hij tussen alle streken het noorden
kwijt. Vroeger lazen landkaarten hem de les.

Nu hebben ze genoeg van de wereld
gezien. Geen wind waait door de scheuren

in de plooien. Hij houdt de rug krom en staart
de verte voor zich uit. Nog nooit raakt hij mij

zo hard. Zijn grond is ijl onder mijn voeten.
Bijna buigt mijn schoot onder zijn hoofd.

De vaderportretten krijgen verder nog originele beelden in verschillende gedichten als ‘Haven’ en ‘Silhouet’, in ‘Deflatie’ en ‘Gunst’. Uit ‘Gunst’: ‘Vader is geen meervoud. We hebben er één / gehad. Knoopte zichzelf los en kwam vast te zitten / in spinsel van het taaie soort.’ Uit ‘Deflatie’: ‘Langzaam loopt vader leeg, voelt grond onder de voeten / verzakken. Het huis groeit hem boven het hoofd’.

Ook de moeder krijgt een gedicht in ‘Moederwezen’: ‘Wij zijn zonen en dragen dezelfde moeder. We houden / onze hoofden koppig, kijken star en hullen ons in wierook.’ Even later, ‘We zijn geboren om mannen te zijn. Onze naam met zachte hand / gegrift, met trots. We rechten onze ruggen: wij, zonen, // moederwezen.’

In de afdeling ‘Vakantie’, eveneens naar een dichtregel van Miriam Van hee uit ‘Achter de bergen’, krijgt de figuurlijke winter een plaats. Ik motiveer mezelf met ‘Wiegelied’, een melodieus gedicht dat over pijn gaat: ‘Vóór iemand licht uitknipt, vooraleer wij voorbij gaan, / geen oversteek meer wagen, de vlaggen strijken, / strooien we zout op open wonden, vijlen van woorden / de bramen, druppelen wijnazijn op onze aanslagen.’ In ‘Nocturne’ wordt passend gesproken over ‘hongeren naar licht’.

In ‘Quo vadis?’, in het Nederlands ‘Waar ga je heen?’, een prijsgedicht, staat een symbolische zin centraal. De rol van de woorden is wezenlijk: ‘Aan de deur houd jij afscheid in de handen, / in je mond woorden // in stuitligging.’ Die complexe, gelaagde relatie met taal is een grote meerwaarde in Onderkoorts.

In de afdeling ‘Om wat nooit gedeeld kan’ valt verder de aanwezigheid van dieren op, ook in eerdere afdelingen. Ze tonen ons een emotionele toestand, bijvoorbeeld in ‘Leeg nest’ met ‘In mijn hoofd groeien bomen naar de seizoenen, / zoek ik als rouwduif op schaarse takken broedsel.’ Of in ‘Rijm’: ‘Vinken fluiten in de kale bomen. Dit zijn de engelen / van februari. De voorjaarstrek wijst naar de hemel.’ In ‘Balans’ staat ‘Ik leg de muren van mijn huis het zwijgen op, sla mussen / onder het dak in de band, schop de hond het hok uit.’ De harde beelden bevestigen een zwaar gevoel. Er is een kilte en een diep verdriet merkbaar in het hart van het lyrische ik. Uit ‘Balans’: ‘Mij rest harken van het blad, in vriesnacht ademen, / wachten op wind die naar het zuiden krimpt.’

De seizoenen zijn eveneens een kader in de bundel. In ‘Schaduwboksen’ is er sprake van ‘Herfst’, op het einde kondigt zich beterschap aan. In ‘Winterslaap’ staat letterlijk ‘Het keerpunt is bereikt / wanneer planeten elkaar kussen. / Een vreemde lente dient zich aan.’ Seizoenen, licht en duisternis zijn rode draden in de bundel. In veel gedichten vindt een innerlijke strijd plaats die we als lezer bewust kunnen meemaken.

Op de cover van de bundel staan ook enkele magere mensenbeelden zonder armen van Jenny Verplancke. Ze kijken naar omhoog. Vooral het coloriet en de schrielheid sluiten nauw aan bij de thematiek van de bundel.

De laatste afdeling met als inleiding ‘als ik mij kon beveiligen –’ van Miriam Van hee, telt het minste aantal gedichten, hier krijgt de winter een stevig orgelpunt, de lente krijgt een kans, bijvoorbeeld met een beeld van een zaaier in ‘Winterland’. Daarna volgt nog het gedicht ‘Keertijd’. Het keren werkt vaak poëzie in de hand.

Winterland

Over brakke grond staat harde wind
als een huis, verdicht als wintersprei
zonder poriën.

Vergeefs zoekt land houvast op slib
en slijk, verdraagt de huid van vet,
voert gaai en sijs.

De landman wacht op oostenwind
en droogterimpels, ziet herboren uit
naar okselknoppen.

Hij kantelt het onderbed, schudt zaaigoed
in de buidel op, strijkt plooien glad
met helder lentelied.

Tot slot. Onderkoorts biedt een veelheid aan sterke beelden en intense beschrijvingen. De poëzie wordt goed opgebouwd, beeld voor beeld, woord voor woord. In Onderkoorts is een seismograaf aan het werk. Sterk is hoe Kris De Lameillieure een bundel componeerde met beelden die ijzige gevoelens oproepen. De innerlijke portretten vinden een diepe weg naar de lezer.

____

Kris De Lameillieure (2025) Onderkoorts. Uitgeverij P, blz. 48, € 19,50. ISBN 9789464757866

     Andere berichten

Jan M. Meier – Verdraaide Liefde

Jan M. Meier – Verdraaide Liefde

De dodelijke ernst van de liefde door Francis Cromphout - - Jan M. Meier (° te Gent in 1951) debuteerde in 1972 met Figuratie die bekroond...