Ronald Verhille is geboren in Antwerpen en heeft daar Romaanse Filologie gestudeerd. Zijn volwassen leven speelt zich echter volledig af op Mallorca, waar hij als het ware vrijwillig afstand heeft genomen van mijn moedertaal.
‘Dat zit zo: voor mijn werk (in de toeristische sector) gebruik ik voornamelijk Engels en Duits, terwijl ik in mijn privéleven bijna uitsluitend Spaans en Catalaans spreek.
Nederlands is door de jaren heen mijn geheime taal geworden, die ik met mezelf spreek wanneer ik wil “buikdenken” over dingen die aan mijn collega’s, vrienden, geliefden op het eiland niet besteed zijn. Niet omdat zij ongeïnteresseerd of onbehouwen zijn, integendeel zelfs, maar taal is in dit geval een barrière: een boomblad in de wind ritselt nu eenmaal anders in het Nederlands dan in het Spaans of Frans, en proberen aan een Spanjaard uit te leggen wat “uitwaaien” betekent – zoals ik graag doe op het strand in Domburg – is praktisch onmogelijk.’
Er zijn jaren geweest waarin hij wel 200 dagen per jaar voor zijn werk onderweg was. Zijn gedichten ontstaan vaak in hotelkamers, luchthavenlounges of treincoupés, helaas niet vanuit een rustige zetel met zicht op de Middellandse Zee, want in zo’n situatie verwacht zijn gezelschap dat hij vooral gezellig en sociaal is. Door de jaren heen heeft hij aardig wat gedichten verzameld, die hij in mappen met titels zoals Toen wij ongenadig waren en de zomers lang en heet bewaart.
foto © José Urbano
–
veilig voor de woeste regenval
in ‘t stormhok op de dijk
dringt zijn stem bij me naar binnen
–
kijk! roept hij
tot mij die mee de fiets op moest
er liggen robben op de plaat
–
ik zie ze niet
we zijn hier nooit geweest
er wringt iets
–
aan die stem die komt en gaat
snel! dwingt hij
doe je jas weer aan de vlaag is over
–
buiten waait fossiele lucht
de hemel leeg
de zeeuwse weiden zijn gewijd
–
de polderkluiten blinken
we rijden door ‘t fragiele land
dat aan de wielen kleeft
–
dan hebben we samen dorst
santé zoon! hoor ‘k mijn dode vader klinken
luider dan ‘t gewemel in mijn borst
–
aan de nieuwe vormen van verdriet
raak ik maar niet gewoon:
nooit meer robben zien
–
eenzaam fietsen in de regen
zitten tobben in cafés
zijn stem waarvan ik niet genees.
–
ze gaat de tuin in naar de jacaranda
met het kruis staat bij de haag
–
waaronder ‘t zalig gluren was
naar de basset van de buren.
–
ik wacht vernield in de veranda
’t is hier nooit zo stil geweest als nu
–
want meest was ik het beest in huis!
wist je ‘t? vraag ik mijn vriendin
–
wiens moeder van de kanker een geraamte is
en word gloeiend rood van schaamte.
–
ze maakt tijd voor nog een Chesterfield
en antwoordt dat ze weet wat rijke uren zijn
–
ze laat me trekken van haar sigaret
trekt me mee naar ’t verse hoopje zand
–
knielt en kust me
legt haar handpalm in de mijne
–
en zegt dat het uit liefde voor me was
dat mijn kat zolang die ziekte kon verduren.
–
ik, en de warme meeuwen op ‘t staketsel
zien uit over zee.
–
één vleugelslag zwelt aan tot een gerucht
we vliegen op en weg
–
een schip is nakend, gis ik
of is het een school vissen?
–
jaren in vogelvlucht
nu zie ‘k ons op de baren drijven met een volle buik
–
haar met de snavel een datum schrijven in de ebbe.
en haat dat het al opgeschreven staat
–
dat ik bij haar ga blijven
en niet wat meer geluk had willen hebben.


