Teksten die elkaar versterken en zacht houden
door Anneruth Wibaut
Het nulnummer van Oude Grond, ‘traag tijdschrift’ heeft het formaat van een gemiddelde dichtbundel. In een korte redactionele tekst wordt alleen noodzakelijk informatie verschaft: dank aan de donateurs; dat het tijdschrift is gedrukt met biologisch afbreekbare inkt op boomvrij papier; contactgegevens; copyright statement en de mededeling dat makers en bronvermelding achterin te vinden zijn. Voor het mission statement wordt verwezen naar een tien jaar oud citaat van DBC Pierre op pagina 5 uit Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent: ‘Het boek is een doel op zich.’ lees ik en ‘Het heeft een geur, een textuur, een kleur, een stijl, en drie organische dimensies.’ Ook: ‘Je vinkt geen hokje af, opent geen account, tekent geen contract, ontvangt geen mail, deelt geen locaties,’ Het citaat eindigt met de oproep: ‘Bevlek dit boek.’ Een kort maar krachtig pleidooi voor het tastbare boek. Er wordt niet toegelicht wat de keuze bepaalde voor de Nederlandse-, vertaalde- en Engelse poëzie en prozafragmenten, ook niet of er een centraal thema is. Je kunt je dus onbevangen in de teksten onderdompelen.
Op de laatste drie bladzijden, dus niet onder het werk, staan de dichters en schrijvers vermeld, met de bronvermeldingen, de jaartallen en de paginanummers. Namen van buitenlandse schrijvers als Franz Kafka, David Foster Wallace, Kurt Vonnegut, en Yahya Hassan staan tussen die van meer of minder bekende Nederlanders als Ramsey Nasr, Menno Wigman, Conny Palmen, Tsead Bruinja, Remco Campert, Ingmar Heytze en Sylvia Huberts. Het geboortejaar van de oudste dichter is 1823, toen Multatuli het levenslicht zag, het jongste is 1999, toen Luka Hattuma werd geboren. Van haar citeer ik dit gedicht:
–
zoals ik in de waarheid wordt gelegd
is waarachtig liggen onwerkelijk geworden
–
zo, in de groeve van de oude gronde
tussen uitgeblazen beloften
en luchten onvast verschoten
lig ik dan
–
ach, zeg het maar meteen: welke viezigheid trekt mij uit de kleren –
een jij, een ik, of een moraal?
–
het liggen leert: antwoorden
dwepen met stilten –
en dat, onder de rook van de weelde
–
luister: een stap dichterbij en gelijk een gekrioel
van maden die de huid opvragen
–
wij, slippendragers van de smet
laten ons nog niet ten grave dragen
zo, nakend en al
–
zijn wij de reutel van de toekomst
dan dienen wij nu – juist nu – de woorden te vangen
voor de veeg
–
wij, die uit tweedehands rook
een nieuwe toekomst zuigen
–
weten wel beter: de ingelijfde lucht
beklijft en bestookt ons kwelen
–
[Pag. 27]
Het is niet het meest toegankelijke gedicht van Oude Grond, maar het is er wel bijna een samenvatting van, ademt motieven die soms sterk, soms versluierd, klinken in andere teksten. Zoals in het wanhopige cynisme in ‘Évian’ van Ghayath Almadhoun over onverschilligheid tegenover bootvluchtelingen. Of in de absurdistische tekst van Daniil Charms over geld en hoe sommige mensen dat vertroetelen alsof het hun kind is. En de scherpzinnige aanklacht tegen vrouwenhaat in ‘Orizuru’ van Yanaika Zomer: ‘Je kunt een vrouw hooguit zeven keer vouwen voor ze niet meer meebeweegt.’ Als je dan op bladzijde 15 stuit op: ‘Morgen / van acht tot negen uur ’s ochtends / zal ik de mensheid bewenen’, de eerste strofe van ‘In de Koelkast 3’ van Rodaan al Galidi, vermoed je dat Oude Grond een verzameling aanklachten is, gelardeerd met struikelsteentjes als een in spiegelbeeld gedrukt paginanummer.
Dat vermoeden wordt weersproken door bijvoorbeeld het vreugdevolle gedicht ‘Er waren hoge noten in de lucht’ van Ester Naomi Perquin. Op goudgeel papier bezingt het een zomerdag en ook de dood, de ondergang: ‘maar gloeiend / als de volle zomerzon voor hij / in zee verdwijnt.’ De wijsgerige zin van Marjoleine de Vos: ‘Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier’, leest als een vriendelijk gegeven advies. Zo staat hoop tegenover radeloosheid, de ode aan de ‘liefste onbekende’ en ‘gedichten voor gelukkige mensen’ naast de aanklacht tegen vrouwenhaat. Teksten die elkaar versterken en zacht houden en met elkaar in verbinding staan. Zo staat op de eerste bladzijde een prozacitaat van Charles Bernstein, weergegeven als een gedicht:
I once was. The shell of the
shell. But then the person I
once was is a shell of the
person I now am.
Vrij te vertalen in: ‘Ik ben de schaduw van de mens die ik eens was. De schaduw van de schaduw. Want de mens die ik was is een schaduw van wie ik nu ben.’ Als een echo daarop staat over twee bladzijden uitgespreid een citaat uit de bundel eindig de dag nooit met een vraag van Dorien de Wit: ‘Ik sta hier als verklaring voor de schaduw op de grond’. Dit spel is kenmerkend voor Oude Grond, steeds zie je nieuwe dwarsverbanden, vinden woorden weerklank bij elkaar.
Bij het verschijnen van een nieuw literair tijdschrift passen twee vragen: hebben papieren tijdschriften nog nut en voegt het iets toe aan het veld? Antwoord op de eerste vraag las ik in het interview met dichter Billy Vos in de Meander van 19 februari: ‘Literaire magazines en netwerken geven context, verdieping en een andere vorm van erkenning. Sociale media zijn snel en breed, maar deze plekken bieden traagheid, aandacht en geheugen.’
Is er in dat veld plaats voor Oude Grond? Ik zeg ja. Door de veelzijdige keuze aan zowel Nederlandse als niet-Nederlandse dichters en schrijvers bestaat de kans dat je er een ontdekt die je nog niet kende. En het nodigt uit om bij de hand te houden om een fragment te herlezen. Bijvoorbeeld tijdens het vele zinloze wachten: tot je PC is opgestart, de wachtenden voor u zijn geholpen, je trein arriveert. Maar vooral doordat de teksten in Oude Grond zo met elkaar samenhangen dat er een geheel nieuw kunstwerk ontstaat, waarin eindeloos veel valt te ontdekken, hoe langer je er in ronddoolt.
Samensteller en hoofdredacteur van Oude Grond is dichter, ghostwriter en tekstschrijver Xander Jongejan (1973). Ik had hem bij de vergaderingen van de Haarlemse Dichtlijn kunnen vragen hoe hij tot zijn keuze is gekomen voor de inhoud van dit nulnummer, maar daar zag ik het belang niet van in. Wat telt is of ik het zou aanbevelen en of ik hoop dat er dit jaar weer zo’n verrassend nummer komt. Ja! En daarom eindig ik met het gedicht dat hij van zichzelf opnam:
–
Mijn hoofd rolt van mijn schouders
in het schort op mijn schoot
–
mijn handen nemen het vast
zo hebben ze nog nooit gevoeld
–
zacht vegen ze het linnen
goed eromheen
–
ze aaien het als een diertje tot het slaapt
geluidjes komen uit het schort omhoog
–
zo zit mijn lichaam een tijdlang
met een ingebakerd hoofd op schoot
–
het wordt al zwaarder en mijn benen
warm en wiebelig
–
hoe het verder moet weet ik niet zo goed
ik aai het maar, ik aai het
–
[Pag. 49]
Het gedicht laat zien hoe je in een onverwachte situatie je intuïtie kunt volgen. Je kunt je onmogelijk voorbereiden op zoiets angstaanjagends als dat je hoofd van je schouders rolt. Dus kun je het beste afwachten en het aaien. Mooie en paradoxale poëzie. Oude Grond staat er boordevol mee.
____
Oude Grond, traag tijdschrift (2025). Samensteller Xander Jongejan. In eigen beheer, 56 blz. € 25,00.




