LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Bloemlezing – Ik sta in wilde schoonheid

25 mrt 2026

Schoonheid, veranderlijk als het getij

door Marc Bruynseraede




Onder de titel Ik sta in wilde schoonheid brengt Susan Smit een aantrekkelijke, mooi verzorgde bloemlezing uit, met Meer dan 100 gedichten over het vrouwenlichaam, geschreven door vrouwen, zoals uitdrukkelijk vermeld staat op de voorkaft van het boek. Een titel als deze alarmeert natuurlijk ook het mannelijk deel van de bevolking, want waar wilde schoonheid op het programma staat, daar kan het mannelijk geslacht nooit ver uit de buurt zijn, spijts de mooie belofte op de achterkaft: ‘Lieve vrouw, kom erbij. Wees welkom in onze prachtige weelderige, wilde tuin. Wandel maar naar binnen, hier zijn we onder elkaar.’

Er staan welgeteld 111 gedichten in de bundel, die ingedeeld zijn in drie hoofdstukken: 1) ‘Meisje’ (27 gedichten), 2) ‘Moeder’ (51 gedichten) en 3) ‘Crone’ (33 gedichten). De keuze van de dichteressen strekt zich over alle leeftijden uit: jong en minder jong, hedendaagse dichters als Ellen Deckwitz, Esther Naomi Perquin en vroegere schrijfsters als Ida Gerhardt, Hadewijch en Henriëtte Roland-Holst-van der Schalk.

Het ietwat nadrukkelijk-flamboyante vers, waaraan de titel van de bundel ontleend is, is afkomstig uit het gedicht ‘Wilde vinex’ van Sasja Janssen. Ik had het gedicht al aangetroffen, bij de Nederlandstalige gedichten op de internationale poëziesite Atunis Poetry. En kijk, Susan Smit afficheert de titel van dit gedicht, als een zelfbevestigend uithangbord, op de cover van haar bundel, geflankeerd door twee sierlijke takjes met lieflijke blaadjes.

Wilde vinex

Ik ga mijn eigen dood uitkiezen, ik ben een vinexvrouw
geen buitenmeisje.
Ik loop in mijn vlinderbroekje op het terras, ogen ploppen
overal uit, mijn benen, mijn buik en mijn broekje is zo klein
zacht en zo champagne, hier in deze wijk met houten kades
zonder water, waar meisjesbenen tegen de gevel groeien.

Ik ken een zwaluw die veren verpandt voor mijn noten
hij laat ze op mijn voeten vallen, ik bewaar ze voor de slaap.
Ik zie een man die hangt een kaarsrechte herinnering
over zijn vrouw, zijn kind de zoom die zij lospeutert.
Het wijst uit de hoek mijn tepels aan.
Ik draai mijn loop.
Ik ben een verschrikkelijk organisme dat uitverkiest.
Ik ben koningsblauw.
Ik sta in wilde schoonheid.

Het gedicht draait rond erotische verrukking. Toch ontvouwt de lectuur van andere dichteressen in deze bundel poëzie die heel wat meer in haar mars heeft dan het in de vitrine geplaatste ‘vrouwenlichaam’. Ze laat zien dat de gekozen dichteressen staan voor aandachtige en/of speelse of grillige observaties en beschrijvingen, die diepzinnigheid en verrassend-verfrissende persoonlijkheid niet uit de weg gaan.

In haar voorwoord stelt Susan Smit:

‘Poëzie lezen geeft me vrijheid van denken – meer associatief dan logisch, met ruimte ertussen en verbeelding erin (…) De gedichten willen bevrijden en aanklagen, maar vooral vieren. Ze illustreren de wellustige, magnifieke, cyclische aard van het vrouwenlichaam. Want een vrouw zijn is verrukkelijk. [Dit laatste, voor zover hier nog enige twijfel mocht over bestaan.] Op de golven van haar cyclus en levenscyclus is de vrouw zo veranderlijk als het getij, niet te beheersen en beteugelen, ook al kan het van een afstandje lijken van wel. (…) Deze bloemlezing is een poging om het vrouwenlichaam terug te geven aan de vrouw. Om het te ontdoen van dwingende restricties en voorschriften, om het te bevrijden van een waarde die alleen bestaat in relatie tot de ander en te beschouwen als autonoom en uiterst persoonlijk.’

Voilà. Daarmee is het statement geplaatst en de laatste twijfel weggenomen. We kunnen meteen beginnen met de gedichten van Deel 1 ‘Meisje’. Een keure van jonge schrijfsters geeft meteen aan wat haar definitie is van meisje en moeder, van wat meisjes drijft als speelsheid en natuurlijke bevalligheid, maar ook hoe ze, als jonge appelboompjes, opgroeien mét hun opstandigheid, en gladde, wifi-bestendigheid, dromend van ‘fluwelen handen en menstruatiebloed’. Het belet hen niet te stellen: ‘Hier ben ik: kijk maar !’ en onstuitbaar mooi te wezen, achteloos een tik uitdelend met de zeemeerminnenstaart. De rol van de vrouw in het huishouden komt natuurlijk ook ter sprake en daar is dan het ontluikend feminisme voor uitgevonden, want … meisjes van tegenwoordig zijn vroegwijs, jawel.

precies goed

soms wil je gewoon je hoofd op de aarde leggen
je vuist naar de hemel heffen
de tranen laten komen en zeggen
het is zeker omdat ik zwart, wit, vrouw
dik, dun, te groot, te klein
te lief, onaardig
omdat ik lelijk, eerlijk
direct, poëtisch, welbespraakt
te zichtbaar, onzichtbaar
kwetsbaar
onbegrepen, geprezen
arm, trots en confronterend ben?
daarom zeker!
en dat de aarde je dan met haar zachte handen
heel voorzichtig omhoog duwt
je op de wang kust en fluistert
het is omdat je zo ontzettend mens bent
niet te veel, niet te weinig, gewoon genoeg mens
net zo mens als andere mensen
precies goed

Babs Gons

Deel 2 ‘Moeder’, vangt aan met het hierboven reeds geciteerde ‘Wilde vinex’-gedicht van Sasja Janssen. Je zou ze, met haar ‘vlinderbroekje op het terras’, eerder onder Deel 1 ‘Meisje’ onderbrengen, maar nee, daar staat ze ‘in wilde schoonheid’ op pagina 67, om het hoofdstuk van de rijpere vrouw in te luiden. Susan Smit heeft hier een waaier prachtige gedichten bijeen gebracht van eminente vrouwelijke dichters als Vrouwkje Tuinman, Anna Enquist, Esther Jansma, Patricia Lasoen, Merel Morre, Aleidis Dierick, om er maar een paar te noemen. En er zijn er nog zovele anderen dat het haast ondoenbaar lijkt hun thematiek in een paar woorden samen te vatten.

Je zou, als mannelijk lezer, haast gaan denken waar dat ‘Heer van de Schepping’ eigenlijk op slaat. Want je merkt dat de vrouwelijke natuur zo’n natuurlijke rijkdom tentoon spreidt, dat God – gelukkig – bijtijds zijn mankement heeft ingezien en nog gauwgauw de vrouw geschapen heeft om al de mannelijke tekorten te compenseren.

De ochtend is een blauwe oceaan
waarin jouw tong, zeeanemoon,
zich krult en uitrolt.

Ik lig in zeeschuim
dat witter dan lakens
over de toppen van mijn knieën danst
en geef aan de lucht
de geluiden van meeuwen

Esther Jansma

Deel 3 ‘Crone’ besluit in grote stijl dit feest voor het vrouwelijk lichaam en het vrouw-zijn tout court met gedichten die je naar adem doen snakken of opspringen van pure verwondering. Opmerkelijk is dat hier het vrouwenlichaam wat op de achtergrond geraakt is, ten voordele van andere vrouwelijke kenmerken van de poëzie.

Een vrouw past een jurk
waarom haar man weg is weet ze niet
het passen van de jurk vrolijkt haar op
een man passeert de winkel
ziet haar draaien in de ruit
de vrouw trekt de jurk uit
hier daar ginds
lopen jurken met vrouwen erin
geen een past

Gerry van der Linden

En een laatste gedicht van Ellen Warmond, dat als titel ‘Eerste en laatste’ draagt, kon ik U echt niet onthouden. Zonder commentaar :

Eerste en laatste

Dit is het eerste en laatste

warmte
een lichaam van liefde
dat zichzelf in een ander hervindt

daarbuiten is alles leegte
kou
verscheurende wind.

Laat dat gezegd zijn. Dichtkunst waar schoonheid en waarheid elkaar overlappen.
Een bundel om met plezier te lezen en om van te genieten.

____

Bloemlezing (2025). Ik sta in wilde schoonheid. Samengesteld door Susan Smit. Uitgeverij Lebowski, 208 blz. € 20,00. ISBN 9789048876792

     Andere berichten