LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Inger Christensen – alfabet

2 mrt 2026

Revisited

door Yvan De Maesschalck




Er lijkt op het eerste gezicht een onoverbrugbare kloof te gapen tussen wiskunde en literatuur. En toch. Bij nader inzien blijken er wel degelijk een paar raakpunten te bestaan, al was het maar omdat een elegant uitgewerkt mathematisch bewijs op zich iets lyrisch heeft. Althans, dat beweren sommige wiskundigen graag. Bovendien zijn er tal van werken voorhanden die zich in thematisch of structureel opzicht van wiskundige begrippen bedienen. Wiskunde van lyriek (2022) bijvoorbeeld is de vierde dichtbundel ‘bijgeluiden’ van de zowel filosofisch als geografisch geschoolde Henk Ester. Ook de Franse wiskunderoman De stelling van de papegaai (1998; vertaald in 1999) van Denis Geudj (1940-1910) en de Italiaanse debuutroman De eenzaamheid van de priemgetallen (2008; vertaald in 2009) van Paolo Giordano – natuurkundige van opleiding – brengen getallen en verhalen dichter bij elkaar. En dat doen romans als Het gemillimeterde hoofd (1967), De ziekte van Middleton (1969) en Een Fries huilt niet (1980) van de als wiskundige opgeleide Gerrit Krol (1934-2013) evenzeer.

Priemgetallen hebben iets aanstekelijks, zoals ook blijkt uit de daarop gebaseerde paginering van The Incident of the Dog in the Night-Time (2003) van Mark Haddon. Maar ze worden bij wijze van spreken op de hielen gezeten door de getallen die de al even eindeloze reeks vormen van Fibonacci: getallen die telkens de som zijn van de twee voorgaande getallen, beginnend met 0 of 1 (0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89, 144, 233, 377, 610, enzovoort). Behalve in de vroeg-dertiende-eeuwse geschriften van Leonardo van Pisa, bijgenaamd Fibonacci, komen ze voor in The Da Vinci Code (2003; vertaald in 2004) van Dan Brown en in de dichtbundel alfabet (1981) van de Deense dichter, schrijver en kandidaat Nobelprijs voor de Literatuur Inger Christensen (1935-2009). Zij is daarenboven de auteur van strak gecomponeerde bundels als Het (1969) en Vlindervallei. Een Requiem (1991), (historische) verhalen als De geschilderde kamer (1976; vertaald in 2003) en een voorlopig alleen in het Engels beschikbare, postuum gepubliceerde selectie uit haar essays The Condition of Secrecy (2018; vertaald door Susanna Nied).

Het is in menig opzicht een godsgeschenk dat de bundel alfabet, die in 2002 in de vertaling van Christensens vaste vertaler Annelies van Hees verscheen bij Meulenhoff, een tweede, herziene druk mag beleven bij uitgeverij Koppernik (die ook enkele dagboeken en de bundel Vos (2022) van de onlangs overleden meester-schrijver Cees Nooteboom publiceerde – maar dat geheel terzijde). Hoewel ik niet in staat ben Van Hees’ vertaling naast het origineel te leggen, komt de beeldtaal – of het register – van de Nederlandstalige gedichten over als erg authentiek en indringend. Wellicht mede omdat het Deens en Nederlands zustertalen zijn, maar ongetwijfeld vooral dankzij Van Hees’ meticuleuze vertaalwerk, komen de eerste veertien letters van het alfabet (van a tot en met n) als ordeningsprincipe in de vertaling mooi tot hun recht. Dat dichter en vertaler zich ooit samen over een vroegere versie hebben gebogen, zal aan het onberispelijke eindresultaat uiteraard hebben bijgedragen.

De getallen van de Fibonaccireeks bepalen de lengte, of beter, het aantal verzen van de elkaar opvolgende, genummerde gedichten of clusters/reeksen. Tot en met 9 gaat het om een enkel gedicht, maar vanaf 10 gaat het duidelijk om een meervoud van breed uitwaaierende, titelloze gedichten. Zo bestaat cluster 13 uit acht van elkaar gescheiden, in formeel opzicht verschillende gedichten: een m-gedicht, een dagboekgedicht, een langgerekt gedicht volgestouwd met korte vergelijkingen, een bespiegeling over de rol van de mens op aarde, een allesbehalve opwekkend klimaatgedicht en gedichten over het schrijven van gedichten en (natuur)alfabetten. In totaal 377 verzen dus. Iets gelijkaardigs geldt voor de 610 regels tellende veertiende slotreeks. Het over vier bladzijden uitgespreide slotgedicht in niet-rijmende disticha is, net als alle hier opgenomen gedichten, rijk aan (vegetatieve, geologische, minerale) beelden en stijlfiguren (personificatie, synesthesie, vergelijking, enjambement, herhalingen). Het bevat onder meer deze navrante verzen:

contouren van het ogenblik
tekenen de toekomstige kiemen

als besmettelijke fossiele beplanting
en de aardkorst breekt als

schilferend linnen; de stof
van dromen en alles waar een mens

verder van gemaakt is fladdert
in de lucht, enkele klassieke

reepjes gaas en verband
om de glasheldere gedachten

terwijl druppels verdriet uitbreken
op een schoongewassen voorhoofd;

(p. 65)

Bovenstaande verzen geuren naar versplintering, ontbinding en wanhoop. Ze vertolken een gedachte die in de bundel meer dan eens wordt uitgesproken. Tegelijk recycleren ze niet al te opzichtig de beroemde woorden van (magiër) Prospero uit Shakespeares tragedie The Tempest (ca. 1610): ‘We are such stuff / As dreams are made on; and our little life / Is rounded with a sleep’ (vierde bedrijf, eerste scène). Over het kleine, contingente leven van de mens, die bewust of onbewust zijn leefomgeving te gronde richt, gaat deze bundel in hoge mate. De slotverzen illustreren dat perspectief – de algehele teloorgang gezien vanuit het standpunt van een weerloos kind, ding of dier – als volgt:

een groepje kinderen zoekt zijn toevlucht in een hol
alleen stom gadegeslagen door een haas

alsof ze kinderen waren in de sprookjes
uit hun jeugd horen ze de wind vertellen

over de verbrande velden
maar kind zijn ze niet

er is niemand meer om ze te dragen (p. 68)

Het hiervoor geciteerde gedicht presenteert een weinig opwekkende, dystopische mensvisie, die wordt versterkt door het apart geplaatste slotvers. Het daarin opgeroepen desolate beeld is typerend voor de hele bundel, waarin ook de menselijke hang naar zelfdestructie en defaitisme wordt gethematiseerd. In de twaalfde cluster klinkt dat onder meer zo:

halfgestikt en ingepakt
een van al die verkeersmoede
duiven, in wier laatste
pluk veren het wanhopig
grauwe weer van de vrede
het oog van de mens
doet neerstorten; zo wil ik leven;

(p. 35-36)

Naarmate de clusters uitdijen, lijken heel wat woordformaties te fungeren als (vaste) motieven. Woorden als ‘abrikozen(bomen)’, ‘fluisteren’ (‘fluisteringen’), verwijzingen naar ‘sneeuw’ en ‘ijs’ (‘ijstijden’, ’IJszee’, ‘ijsvogel’, ‘ijsturkoois’, ‘ijsplant’) en vogels allerhande (‘duiven’, ‘reiger’, ‘buizerd’, ‘kieviten’) stuiven over elkaar heen. Behalve in ecologische zin vallen ze te lezen als ijkpunten van Christensens empathische poëtica, zoals uitgespeld in het slotgedicht van de dertiende cluster. De beginverzen (‘ik schrijf als de wind / die schrijft met het rustige schrift / van de wolken’) en verzen als ‘ik schrijf als winter / schrijf als sneeuw / en ijs en kou / en donker en dood’ zijn wat dat betreft revelerend. Onvermijdelijk wervelen al die woorden omheen de centrale verbale as/spil van deze lyrische constructie: die van wie of wat ‘bestaat’. Ze maken gedicht na gedicht op een bezwerende, ja beroezende toon duidelijk dat de mens, gevallen als ‘Icarus in de diepte waar / duiven bestaan’, niet hoger te achten is dan ‘een vogel die / onzichtbaar wakker wordt’ om ’s nachts ‘zijn jong’ te voeden of ‘slijmerige slakken’. Daarover stelt de dichter dit:

zelfs de slijmerige slakken
zijn poreus als spiegels
hun mensbeeld teloor
slechts een steel van een netel
zal bladloos vervellen
hoe we in wanhoop de aarde
van bloemen ontdeden
geslachtloos als chloor

(p. 48-19)

In Christensens wereldbeeld, zoals verbeeld in haar poëzie en geëxpliciteerd in haar essays, is geen spoor van hiërarchisch denken aanwezig. Elke vorm van ‘bestaan’ die in alfabet wordt opgeroepen is even toevallig als voorbijgaand. De wereldorde is onderhevig aan wat zij in een schitterend essay uit 1994 ‘the regulating effect of chance’ noemt. ‘Ergens word ik plotseling geboren / in een nietszeggend huis; als je schreeuwt geven de muur mee en // de tuin, waarin je verdwijnt, is / gladgesleten door slakken’, zo wordt die idee vertolkt in het tweede gedicht van de elfde cluster. Die absolute en oncontroleerbare toevalligheid verklaart ook waarom zoveel schijnbare tegenstellingen op hetzelfde moment op dezelfde plaats zijn aan te treffen. In haar antithetische, regelloze wereld houden scheppingskracht en vergankelijkheid, het kosmische en het onooglijke elkaar in evenwicht. ‘The balance of creation and destruction as two aspects of the same thing – we’re disrupting it’, heet het in ‘The Miracle Play of Reality’, het opstel waarmee The Condition of Secrecy besluit (p. 133). In een van de prachtigste gedichten van alfabet formuleert ze het trefzeker zo:

het lijkt wel of niemand iets
anders is dan klein
ik ga zitten
met mijn klaarwakkere pop
haar ogen van glas
zijn wonderlijk mooi
mijn moeder komt naar buiten
met een dampende schaal
wat vlees dat ze heeft opgewarmd
op het vuur van de Poolster
ik praat met de pop
die op mij lijkt
over wat je verstaat onder
onvervreemdbaar geluk
dat we opeens
ontstaan en geboren worden

(p. 47)

De verzen van Christensen (her)lezen, en er dan iets over mogen schrijven is een vorm van ‘onvervreemdbaar geluk’. En natuurlijk ook van ‘bestaan’.

____

Inger Christensen (2025). alfabet. Uitgeverij Koppernik, 68 blz. € 22,50. ISBN 9789083572420

     Andere berichten

Evi Aarens – Fausta

Evi Aarens – Fausta

De wording van een dichterschap door Johan Reijmerink - - De sonnettenkransbundel Disoriëntaties van Evi Aarens zorgde in 2021 voor ophef....

Dean Bowen – masc:r

Dean Bowen – masc:r

De route naar het gezicht van de man door Ali Şerik - - Het eerste gedicht van masc:r begint met de regel: ‘ik ben zeven jaar & zonder...