Hij helpt je met kijken
door Hans Puper
De eerste bundel van Pim Cornelussen (1989), Tot de zon zwelt, heeft helemaal niets van een debuut. De vormgeving is doordacht, de bundel heeft een sterke samenhang en sommige regels onthoud je makkelijk door de bijzondere formuleringen, het ritme en de klankrijkdom.
De bundel is opgedragen aan Janis (van Heesbeke), de in 2020 overleden goochelaar met wie hij samenwerkte in het theatergezelschap Dividu. ‘Hij helpt je met kijken’, luidt de eerste regel van het gedicht ‘Mijn vriend, de goochelaar’. En in de strofe daarna: ‘Hij geniet van je meebewegende ogen, van de droom / waarin hij je manoeuvreert, voor je het weet, kan iets al / op twee plekken tegelijk zijn’. Dit is ook wat taalgoochelaar Cornelussen doet: hij helpt ons met kijken, lijkt met zijn poëzie de tijd stil te kunnen zetten, terug en vooruit te spoelen of momenten naast elkaar te laten bestaan. Hij doet dat bijvoorbeeld uit verlangen de dood van een dierbare ongedaan te maken, zoals blijkt uit ‘Déjà vu’. De dichter ontmoet een man die lijkt op zijn overleden vriend. De man is alleen ouder; de dichter stelt zich voor dat zijn vriend er in de toekomst net zo zou hebben uitgezien. De titel laat verleden en toekomst gelijktijdig aanwezig zijn – knap gedaan.
Déjà vu
Ik zag een man die een toekomst van je verwijderd leek.
Hij droeg je trui, je snor hing boven zijn lippen,
hij knipoogde naar me zoals alleen jij dat kon.
Zijn lijf zag er solide uit, zijn haar nat
van de regen, ik vroeg hem iets
en we praatten wat, zijn stem geruststellend
zacht en warm, al was het toch anders.
Het verbaasde hem hoe licht
het was, hoeveel tijd hij had, en ik
vertelde over wat ik had beleefd, de stukgelopen
liefdes, de verhuizingen bij de vleet.
Ik vertelde over jou, hij knikte uit herkenning,
lachte zijn tanden bloot, schudde
instemmend zijn hoofd, bijna echt,
bijna.
In de bundel komen veel tegenstellingen voor tussen licht en donker, zoals tussen zon en schaduw, dag en nacht, zonsopgang en zonsondergang.
Maar in het gedicht dat aan de afdelingen voorafgaat, is dat nadrukkelijk niet het geval. Het gaat over een nog ongeboren baby. (Terzijde: het gedicht dat de bundel afsluit heet ‘Nabestaan’. Tussen beide gedichten bevindt zich het leven – dit is een voorbeeld van de heldere structuur van de bundel).
Kleine zon
Voordat we schaduw leerden kennen, nog
voordat we reikten naar het licht,
als kinderen die zich onbezwaard
vergapen aan zoveel zon,
waren we zelf een vloeibare bron
die onderhuids straalde
in een buik waar handen overheen bewogen
als continenten, langzaam en bezorgd,
toen warmte niet iets was wat ons ontbrak,
maar ons onbevangen doordrong.
Zodra men geboren is, lijkt die ideale toestand te zijn afgelopen: in de bundel worden geborgenheid en verbinding een verlangen naar geborgenheid en verbinding, en het besef daarvan kan verdrietig zijn, iets wat de dichter mogelijk verwoordt in dit eenregelige gedicht: ‘Als je goed luistert, zigzagt het verdriet er als een zwerm bijen doorheen. (16)
In het openingsgedicht valt ook de beeldspraak op: de handen van de moeder bewegen als continenten over magma, de vloeibare, onderhuids stralende bron waarmee de ongeboren baby wordt vergeleken. De veelvoorkomende geologische en astronomische termen (magma, aardlagen, sediment, sterren, zon, meteorieten en dergelijke) duiden op het verlangen een te zijn met aarde en kosmos, en, zoals uit andere gedichten en de collage op het voorplat blijkt, met de natuur. Het vergt oefening om je die eenheid voor te stellen, om ‘slaap [te] vatten / in een huis dat staat / op dit blauwe eiland / in het midden van een zwarte oceaan’. Dit is zo’n mooie formulering die je makkelijk onthoudt.
Wie verlangt naar eenheid met alles wat is, was en zal zijn, moet beschikken over een sterk tijdsbesef. Hoe hij dat ervaart, laat de dichter zien in ‘Wat de stenen kennen’. Het ritme en het uitgekiende gebruik van assonantie en alliteratie ondersteunen de inhoud. Dat geldt ook voor de regelafbrekingen, die woorden een functionele extra nadruk geven. Een zeer geslaagd gedicht.
Wat de stenen kennen
Het eerste spoor van een slak, de terloops in hars gevangen mug,
een nog naamloze afdruk van een wezen dat ooit
over deze aardbol schoof.
Onder onze voeten liggen de lentes van vroeger, de roerloze winters
samengeperst in een dunne korst, eeuwen gestapeld tot stof.
Je kan er de uitgedroogde Oxus vinden, een dinosaurus brullend
met een mond vol as, een kind slapend als een volmaakt fossiel.
Ooit moet alles in de grond, wordt dit hele uitzicht vergruisd
en opgeslokt in toekomstige steen, liggen ook wij naakt en koud
tot vondst verworden voor wie zich buigt
over wat zich warm en wild door het landschap haastte.
Deze schier oneindige reeks cycli zal zich voltrekken tot de zon zwelt en de aarde vernietigt met alles wat zich daarop bevindt. Maar dat zal nog zo’n vijf miljard jaar duren, volgens een astronomische theorie – of er dan nog mensen zijn, is natuurlijk maar zeer de vraag, gezien de klimatologische ontwikkelingen.
Er is meer dat zwelt, dichterbij, in de bundel zelf. Aan de eerste afdeling gaat een regel vooraf met de titel ‘Het zwelt’: ‘Op een tafel alle dingen waarin het einde zich verschuilt’. Het blijkt de eerste regel van een gedicht te gaan. Voorafgaand aan de overige vijf afdelingen komen er steeds een paar regels bij en aan het eind van de laatste afdeling krijg je het in zijn geheel. Het is een voorbeeld van de inventieve vorm van de bundel. Op de inhoud van dit gedicht ga ik verder niet in, want ik wil de lezers het gras niet voor de voeten wegmaaien.
Wat een mooi debuut is dit.
____
Pim Cornelussen (2026). Totdat de zon zwelt. Pelckmans Uitgeverij, 71 blz. € 22,00. ISBN 9789464019667




