LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Annemarie Timmer – hoor de roerfluit en de nachthoorn

15 apr 2026

De IJssel in beeld en woord

door Tom Veys



In hoor de roerfluit en de nachthoorn worden 17 schilderijen afgewisseld met gedichten die misschien als één lang lyrisch gedicht kunnen worden opgevat. Achteraan in de bundel duidt Annemarie Timmer wat schilderen voor haar betekent. ‘ ‘Dwalen’ is een woord dat past bij mijn olieverf- en acrylschilderingen.’ Haar schilderijen zijn beelden ‘op het grensgebied van realiteit en abstractie’, zoals de kunstenaar zelf omschrijft.

Annemarie Timmer is naast dichter en beeldend kunstenaar, ook kunsthistoricus. ‘Ze schreef monografieën over verschillende kunstenaars en een proefschrift over de kunstkritiek in de verzuilde cultuur van het interbellum, met de focus op leven en werk van de criticus en dichter Jan Engelman.’ Jan Engelman (1900 – 1972) is vooral bekend geworden door zijn gedicht ‘Vera Janacopoulos’, dat volgens sommigen een typisch voorbeeld is van poésie pure of absolute poëzie. Trouwens, de aandacht voor stijl delen Timmer en Engelman met elkaar.

De bundel hoor de roerfluit en de nachthoorn start talig met een kaal herfstbeeld: ‘ik vertrek en weet / dat de herfst dit jaar te laat komt’. De natuur in de en rond de IJssel, is een leidraad in deze bundel. De bundel is een aanzet om poëzie en herinneringen te beleven. De natuurbeelden gaan gepaard met gevoelens, observaties worden gedeeld. Het lyrische ik is daarbij zoekend: ‘ik ben op  weg / naar wat ik niet meer vind’. Dit past bij het dwalen, wat de dichter voorop plaatst.

De gedichten zijn titelloos. Na een reeks gedichten volgt dan een schilderij of een duo van schilderijen. In de schilderijen spelen kleurvlakken een hoofdrol, er zijn poëtische contouren.  De kleuren zetten je soms aan het denken, de schildertechniek is af en toe op een impressionistische leest geschoeid. De schilderijen voelen meestal klassiek aan in tegenstelling tot de sensitieve gedichten. De einder of horizon is, denk ik, belangrijk in de schilderijen. De einder, een horizontale streep die de kleurvlakken duidelijk scheidt, wordt in de verf gezet.

Terwijl de olieverfschilderijen vervagen, vindt in de gedichten net het omgekeerde plaats, daar vinden we concrete, lyrische taal terug. Taal wint het hier van het beeld. De gedichten zorgen voor een breder pallet, hoor de roerfluit en de nachthoorn wordt immers bespeeld door meerdere registers. Opvallend is dat de dichter luistert naar de natuur als een metgezel, de dichter heeft daarbij aandacht voor details.


Op enkele plaatsen in de bundel vullen woord en beeld elkaar passend aan. Zoals in het volgende gedicht:

gevangen in beperking
volg ik het winterpad
in het oude land

schilder ik ijsmeren

en bestel een droom
als het nacht wordt

De poëzie is duidelijk op ervaringen gericht, ze neemt je mee op sleeptouw. In de gedichten wordt af en toe teruggekeerd naar de kindertijd die dreigend, maar ook teder kan zijn : ‘terwijl de wereld brandt / sluit ik me af / draag ik mijn voeten naar het raam / waar steeds eenzelfde beeld / mijn blik gevangenhoudt’.

Wanneer Timmer over personen of personages spreekt, wordt een extra laag aangeboden, deze poëzie raakt. De gedichten zijn nota bene allemaal zonder interpunctie.

ik droom dat ik het ben
de blinde veerman op het meer

mijn boot is oud maar kent de weg
en wat is tijd

wij waren speels
en vroegen hem opnieuw de tijd

zijn vingers tastten op de wijzerplaat

tien over drie
dag kinderen

De gedichten zijn vrijwel altijd toegankelijk, de beelden landen helder bij de lezer. Bovendien wordt er een geschiedenis opgeworpen die de lezer persoonlijk beleeft. In het volgende gedicht merken we een kritische houding op.

ik ken ze wel
de competenten die voordat ik
de spinsels in mijn hoofd verken
mij niet alleen de vragen geven
maar ook het antwoord

ze vullen welbespraakt
mijn tandeloze mond
met ronde woorden
en zwaaien bij mijn kaars
met helder licht

mijn huid verbleekt bij zoveel zon

Het lyrische ik neemt veel gestalten aan, onder andere dat van ‘het oude kind’, ‘de rokken lang en zwart / de hand geklauwd / berustend in haar schoot’. Dit zijn trefzekere beelden.

De poëzie roept daarenboven vragen op naar identiteit of ontwikkelingsprocessen: ‘een grijze kraai woont in mijn hoofd / hij voedt zich / met mijn dromen’ (…) ‘wie draagt me naar de overkant’ // ‘ben ik het zelf’. Bij dit gedicht staat een schilderij dat het donker accentueert.

In het volgende titelloos gedicht verwoordt de dichter onbewust haar schrijfstijl. Beeld en gedachte schuiven in elkaar.

(…)

ik droom mijn reis ook zonder beeld
ik weet de slinger van de Vecht
hoor de roffel van een brug en ken mijn plaats
het heldere denken drijft de mist
voor grauw onooglijk land

(…)

De persoonlijke en vrouwelijke geschiedenis krijgt woorden in hoor de roerfluit en de nachthoorn. In de twee laatste gedichten is er sprake van ‘oude meisjes / met brede ruggen / onder fier en onverschrokken grijs’. Er wordt ook gesproken over vriendinnen en een oma.

Het beeld van ‘bevroren lakens’ in het slotgedicht treft op één of andere manier. Daar staat ‘ik sla de lakens met een stok / en hoor / ze kraken van de pijn’. Een origineel beeld. Daarop volgen enkele ‘grote raadsels in mijn leven’: ‘natuurlijk staat de Sint met stip op een / maar op de tweede plek toch staan gedeeld / de opstanding van Jezus uit de dood / en transformatie in de vrieskou / van de was’.

In hoor de roerfluit en de nachthoorn is taal de katalysator. De gedichten spreken aan. In de vrij talrijke olieverfschilderijen zien we vaak éénzelfde patroon of variaties daarop. De taal slingert zich door die schilderijen heen op een concrete en lyrische manier.

____

Annemarie Timmer (2026). hoor de roerfluit en de nachthoorn. In eigen beheer, blz 61. € 20,00. ISBN 9789460083907

     Andere berichten

Annemarie Estor – Villa Allucina

Annemarie Estor – Villa Allucina

Een sprankelend epos door Taco van Peijpe - - Deze bundel, waarvan de titel verwijst naar hallucinatie (Italiaans: allucinazione), vertelt...