Meisje zonder stem
door Peter Vermaat
–

–
Het voordeel van de afspraak die ik heb met de redactie van Meander is dat ik ‘willekeurig’ publicaties ter bespreking krijg toegestuurd en dat het nogal eens voorkomt dat dit voor mij een kennismaking betekent met iets (voor mij) geheel nieuws. Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van de Deense vrouwelijke dichter Tove Ditlevsen (1917-1976), laat staan gelezen. De bloemlezing Er woont een meisje in me dat niet sterven wil is samengesteld door Olga Ravn, die haar keuze toelicht en bespreekt in een vrij uitgebreid voorwoord (pp. 7-19), waarin ze ook kort ingaat op Ditlevsen’s biografie. De vertaling van de bloemlezing door Lammie Post-Oostenbrink, klaarblijkelijk Ditlevsen’s vaste vertaalster bij Das Mag, wordt op geen enkele manier verantwoord. Blijkbaar vond de uitgever het belangrijker om op de laatste vijf pagina’s reclame te maken voor zijn andere uitgaven van Ditlevsen’s werk. Dat is jammer, want de (hardcover) bundel is mooi vormgegeven en dat is zelfs bij poëzie zeker geen vanzelfsprekendheid.
Dat zo’n verantwoording allesbehalve een overbodige luxe is, wordt merkbaar bij een aantal vertalingen zelf. Lange tijd schreef Ditlevsen rijmende gedichten, terwijl de vertalingen daarvan vaak niet verder komen dan halfrijm of klinkerrijm. Ook het gebruikte idioom vraagt om een toelichting:
–
Een herfstnatte nacht, witte nevelhanden,
zilvergrijze strepen trekken in mijn haar,
als geen vuur en geen verlangen wil branden,
een ijskoude nacht waar leven en lust vergaan,
–
waarin de storm jankt in de kale takken,
nee, geen storm, slechts heel stil gesnik,
dat bibbert als een hart dat alleen
troost vindt in het pure verdriet,
–
dan zal ik opgaan in de grote ster,
die verbleekt in de gloed van het vroege ochtendrood,
dan blijven alle dagen even ver,
ben ik een kind in de koude herfstschoot.
–
Ja, ik ben weer kind, en alles was een droom,
nu ben ik wakker, droomloos en mal,
iets draagt mij over de eeuwige stroom,
en ik word een klank in het grote heelal.
–
[p. 65]
Wie de biografie van Ditlevsen leest, herkent in dit gedicht meteen het doodsverlangen, dat haar na een leven van ellendige jeugd, ongelukkige relaties, ernstige twijfel aan haar eigen kunnen, ontrouw, psychoses, een jarenlange verslaving aan medicijnen en vier of vijf eerdere pogingen tot zelfdoding in 1976 uiteindelijk door eigen hand ‘over de eeuwige stroom’ bracht. Op het taalgebruik in de vertaling is het nodige kritische commentaar te geven: het rijm lijkt dwangmatig, het woordgebruik vaak clichématig. Wie zoals ik geen toegang heeft tot het Deense origineel moet maar aannemen dat beide aspecten ook daarvan deel uitmaken, maar bevredigend is dat niet. In haar biografie valt te lezen dat Ditlevsen van mening was dat poëzie vooral spontaan en ongekunsteld moest zijn, terwijl een deel van de literaire kritiek haar (waarschijnlijk mede daardoor) geringschattend beschouwde als een ‘dichtende huismoeder’.
Met name in haar latere bundels doet Ditlevsen zich kennen van een heel andere kant: die van rauw realisme en bittere humor:
–
Hij zou
in geval van echtscheiding
de helft van alles
opeisen
zei hij.
Een halve bank,
een halve tv,
een half zomerhuis
een half pond boter
een half kind.
–
De flat was van hem
zei hij
omdat die op zijn naam stond.
Feit was
dat hij van haar hield.
–
Zij hield van een ander
wiens vrouw
de helft van alles zou
opeisen.
–
Dat stond in de huwelijkswet.
Die was zo helder als
twee plus twee vier is.
–
De advocaat zei
dat het klopte.
Ze smeet de helft van alles kapot
en verscheurde de belastingaangifte.
Toen verhuisde ze
naar het vrouwenhuis aan de Jagtvej
met een half kind.
–
Het kind werd op school uitgejouwd
omdat hij maar
één oor had.
Verder kon het leven ook
zodanig doorstaan worden,
aangezien het nu eenmaal zo
moest zijn.
–
[pp. 94-95]
Het is interessant om te bedenken dat achter deze sardonische tekst een dichter schuilgaat die vele malen in haar leven op het punt stond om in stukken te breken, terwijl ze van poëzie eiste dat die spontaan en ongekunsteld moest zijn. In zich droeg ze een meisje dat in een verre jeugd een aantal onbezorgde zonnige jaren had meegemaakt, maar daarvan voorgoed en onoverbrugbaar verwijderd was geraakt. Misschien waren Ditlevsen’s rijm en anachronistisch vocabulaire (zoals Olga Ravn stelt in haar voorwoord) niet alleen een bewuste daad van verzet van de arbeidersklasse tegen de hoog-culturele en modernistische mode van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, maar waren ze ooit vastgeklonken geraakt aan het meisje in het zonlicht en werden ze daarmee de enige manier om haar in leven te houden: ‘zij is mij niet meer, en ik ben niet haar’ (p. 52).
Daarbij komt de tragiek dat dit meisje in wezen geen stem meer heeft. In Ditlevsen’s gedichten gaat het (sarcastisch, soms ook gewoon klagerig) over het pijnlijke, kansloze heden, over het morsige, armoedige en liefdeloze verleden, maar nergens wordt het ‘lyrisch ik’ een zingend kind. Noch in de meer traditionele oudere gedichten, noch in de vrij vormen uit latere jaren breken klank en ritme door de korst van zinloosheid of breken zij de ban van de dagdagelijkse beperkingen. Er is veel lichamelijkheid in deze poëzie, maar nergens vervulling. Er zijn portieken, straathoeken, huiskamers, maar nergens uitzicht.
Het kleine meisje wil niet sterven, maar kan ook niet zingen.
____
Tove Ditlevsen (2026). Er woont een meisje in me dat niet sterven wil. Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink, samengesteld door Olga Ravn. Uitgeverij Das Mag, 176 blz. € 24,99. ISBN 9789493399495



