Haar zin geven
door Peter Vermaat
De titel Pasvormen van Annika Cannaerts’ debuutbundel wekte bij mij in eerste instantie de associatie met kleding en daarmee met verschillende manieren waarop iemand zich kan omhullen en de mate van contact dat het lichaam – of de verbeelding – met die begrenzing maakt.
Voor het eerst las ik een bundel in één adem uit, als was het een verhaal waarvan ik uit alle macht het einde wilde halen. Blijkbaar was het smakelijk genoeg om steeds maar weer een nieuwe hap te willen nemen en voldoende licht verteerbaar om er van maagzwarigheid niet voortijdig mee op te houden. Pasvormen heeft iets van een sprookjesboek, met vleugen Beatrijs, Grimm, Hendrik de Vries en Publius Ovidius Naso – maar dan anders. En het is onmiskenbaar Vlaams, met uitdrukkingen als ‘een vijs los’ die ik heb moeten natrekken (het blijkt het equivalent van ‘een schroefje los’ oftewel ‘niet helemaal snik’).
–
Op doktersadvies ga ik wandelen in het bos:
heilzaam voor ingeslikte stemmen, goed tegen bloedklonters
die rond het hart blijven kleven, de groene bosbodem
een oase voor overprikkelde ogen
–
tussen nestvarens zie ik de hut van de Loekebeer
witte rolluiken neer zoals bij mijn ouderlijk huis
langs de muur groeien korenpatersbloemen
droog en giftig
–
in de deuropening staat een bleke jongen
zijn blote lijf draagt de vacht van het ondier
rood bessensap sijpelt
–
langs zijn kin, hals, tussen duim en wijsvinger
reikt hij een bosaardbei aan
zoet bloedt ze leeg in mijn mond
–
–
*De Loekebeer woonde volgende de folklore in beerputten. Hij wordt voorgesteld
als een soort weerwolf of kludde en trok nieuwsgierige kinderen de beerput in.
De Korenpater lokte kinderen mee in het koren, sneed een grote teen af en liet
het bloed in flessen lopen.
–
[p. 8]
Zowel de Loekebeer als de Korenpater worden verklaard uit de pogingen van ouders om hun kinderen weg te houden van plaatsen waar ze zichzelf of anderen schade zouden kunnen toebrengen. Het afsnijden van tenen door de Korenpater zou zomaar eens kunnen teruggaan op een ongeluk met een zeis tijdens de oogsttijd. In dit gedicht heeft de ik last van – mogelijk geestelijk – ongemak (ingeslikte stemmen, bloedklonters rond het hart, overprikkelde ogen), maar in plaats van tot rust te komen, wordt zij (deels uit gemakzucht, deels uit natuurlijke associatie met de ‘stem van de auteur’ zie ik het lyrisch ik in deze bundel steeds als vrouw) geconfronteerd met angstfiguren uit haar jeugd. De ‘bleke jongen’ die verschijnt en het rode bessensap dat uit zijn mond sijpelt roepen gedachten aan de dood op, waarbij het onduidelijk blijft of hij slachtoffer of juist overwinnaar van de Loekebeer is – of wellicht het monster zelf. Het ‘zoet bloedt ze leeg’ van de bosaardbei in de laatste regels zet een nieuwe toon. In de Middeleeuwen stond de vrucht symbool voor aardse geneugten en verlokking, maar omdat een aardbeienplant tegelijkertijd bloeit en vrucht draagt, werd het in de kerkelijke kunst het symbool voor de maagdelijkheid van Maria. De Maagd komen we (evenals de verlokking) in deze bundel ook nog een paar keer tegen:
–
Bewaak wat verloren is
leg je hoofd neer op het oude kussen
met flarden moeder gevuld
–
schuld is een afspraak, het uur van de vlucht
nabij, ik vraag aan het stenen beeld in de nis
waar deze weg toe leidt, offer mijn linkervleugel
–
om haar te redden, mijn moeder
wil het hoofd ontzinken aan het stortvat
van slib, stromen en dan verdampen
–
tussen wijsvinger en duim tilt Maria
het bedelaarslaken hoog
hier, neem dit lapje schuld, lipt de moeder Gods
naai de restjes aan elkaar
–
[p. 24]
Naast de opvallende terugkeer – in omgekeerde volgorde – van duim en wijsvinger speelt Maria in dit gedicht een duidelijke rol. Zij is het ‘stenen beeld in de nis’ en haar optreden doet me denken aan de rol die ze speelt in de Beatrijs, evenals in vele andere middeleeuwse Maria-legenden. De ‘moeder Gods’ is niet alleen aanspreekbaar voor raad en uitkomst, maar treedt ook actief op, soms zelf als plaatsvervanger. Ook ‘het uur van de vlucht / nabij’ en het bedelaarslaken zouden Beatrijs-verwijzingen kunnen zijn. Het aangename aan dit gedicht is dat er verschillende gedachte- en associatielijnen in voorkomen, die voor de lezer te volgen zijn, maar nooit tot een definitieve slotsom leiden. Het ‘oude kussen / met flarden moeder gevuld’ is op te vatten als een letterlijk overblijfsel uit het ouderlijk huis, maar ik zag daarnaast het beeld voor me van de stem van de moeder die in de slaap vanuit het kussen in je oren fluistert. Ook de rol van de moeder is ambivalent: zij lijkt aanwezig in de herinnering, maar ‘wil het hoofd ontzinken aan het stortvat / van slib’, oftewel het leven verlaten via het riool. Technisch doet Cannaerts hier overigens iets knaps: niet alleen is er een klankverwantschap tussen ‘lipt’ (Vlaams voor playbacken) en ‘slib’, maar doordat je ‘slib’ ook kunt laten klinken als ‘slip’ ontstaat er een betekenislijn naar het optillen van het bedelaarslaken aan de rand, een slip, door Maria, en tegelijkertijd het onthullen van de toekomst via een ‘tip van de sluier’. Het verschijnen van dergelijke constructies in een gedicht kan berusten op een gelukkig toeval, het vervolgens laten staan getuigt van vakmanschap.
Bij vrijwel alle gedichten in deze bundel is er sprake van een vorm van gedaanteverwisseling en mogelijk zijn dat de ‘pasvormen’ waaraan met de bundeltitel wordt gerefereerd. Maar meer dan verschillende vormen waarin de ik haar zijn probeert te passen, lees ik ze als omvormingen waarin de ik haar gedachten-, maar vaker haar droom- of angstwereld probeert uit te drukken. Op verschillende plaatsen ervaar ik een verwantschap met de dreigende kinderdroomwereld van Hendrik de Vries in zijn bundel Toovertuin, maar ook met de zich – vaak uit wanhoop – vervormende personages (nogal eens stervelingen, op de vlucht voor geile of gulzige goden) in Ovidius’ Metamorfosen. Al komt er nergens een vos in de bundel voor, Kriekeputte lijkt nooit ver weg. De broeders Grimm kunnen vanuit de coulissen toekijken. Het landschap is door en door bijgelovig en tegelijkertijd doordesemd van een alomtegenwoordige Maria, die hier naast moeder Gods ook moeder Aarde zijn moet. Ondanks die gelijk-aard-igheid van de gedichten is de bundel nergens ‘meer van hetzelfde’ en dit is een van de weinige keren dat ik de beperktheid van de aan mij toegekende ruimte betreur, omdat ik veel meer zou willen citeren dan waarvoor ik plek heb. In vrijwel elk van de gedichten slaagt Cannaerts er namelijk in om je als lezer meerdere keren, bijna ongemerkt, op een ander been te krijgen, waardoor je de tekst bij iedere herlezing net anders begint en ook elke keer weer juist anders eindigt. Vaak wordt dat veroorzaakt door subtiele betekenisverschuivingen of -verbanden, vaak ook door klankverwantschappen in het gedicht die daarmee betekenisbruggen bouwen, wat weer tot een rijker spectrum in de verbeelding van de lezer voert.
Het gedicht ‘Spartel’, dat van de jury van de Rob de Vos-prijs 2025 een eervolle vermelding kreeg, staat – in een op één punt ietwat gewijzigde vorm – ook in deze bundel, zodat ik met het verwijzen naar Meander eenvoudig een extra citaat kan toevoegen. Zonder uit de school te klappen over enig juryberaad kan ik vanuit mijn eigen beleving wel zeggen dat dat gedicht in het verband van deze bundel beter tot zijn recht lijkt te komen dan als individuele inzending. Met het gedicht dat vanuit beide perspectieven voor mij de beste kaarten houdt wil ik om die reden besluiten:
–
In het twaalfvingerige bos likkebaardt een wolf
bij de gedachte aan kinderen die mals van moedermelk
zinderen in de zon, hij weet hoe warm een lichaam kan zijn
en ook hoe snel het koud wordt
–
waar ik moeder Maria nu met haar zoete glimlach
lispelt hij tegen het meisje en blaast
over de blonde haartjes op haar armen
–
hij proeft haar huid van room, zijn tong verlangt
naar het onderste uit de kan
–
ze krauwelt op zijn kop, legt haar hoofd tegen zijn flanken
en zegt: beloof me dat je zal blijven
–
[p. 38]
Met ‘twaalfvingerige’ als verwijzing naar de gelijknamige darm in het verteringsstelsel wordt de toon gezet: de liefde van de wolf gaat – letterlijk – door de maag, en verder. Met ‘hoe snel het koud wordt’ lijkt ook het lot van de kinderen, nu nog in zijn gedachten, definitief en onfortuinlijk bezegeld. Dat het verslinden vooral ook lustvolle proporties heeft wordt duidelijk uit de derde strofe en eigenlijk ook al uit het wat spottende lispelen van ‘waar is moeder Maria nu met haar zoete glimlach’ in strofe twee. De bosaardbei als symbool voor Maria’s maagdelijkheid uit het eerste gedicht hierboven ligt nog vers in de smaak en de overgang naar strofe vier draait de zaken in één vloeiende beweging wel en niet om. Het meisje ‘krauwelt op zijn kop’ (we lezen niet of zijn tong zijn verlangen en wellicht dat van haar waarmaakt), ‘legt haar hoofd tegen zijn flanken’ en zegt, zowel berustend in haar lot als overwinnend in haar uitspraak ‘beloof me dat je zal blijven’. Als een wolf zo’n meisje niet haar zin zou geven, verslijten wij hem voor gek.
Hetzelfde zou je kunnen zeggen over lezers en een bundel zoals deze.
Een diepe buiging.
____
Annika Cannaerts (2026). Pasvormen. Uitgeverij Archipel,72 blz. € 20,00. ISBN 978 9090420264




