LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Johan Clarysse – Randschade

30 sep 2026

Tot op het bot

door Paul Roelofsen

–

–
Johan Clarysse (Kortrijk, 1957), studeerde filosofie en is zowel beeldend kunstenaar als dichter. Hij exposeerde in binnen- en buiten land en poëzie van hem verscheen o.a. in de Poëziekrant, Het Gezeefde Gedicht, De Schaal van Dighter en werd meermalen bekroond, onder meer in De 100 beste gedichten uit de Gedichtenwedstrijd 2021. In 2023 debuteerde hij met de bundel Het geduld van water.

De bundel Randschade bestaat uit vijf delen, die elk worden ingeleid met een citaat uit een treffend gedicht van een andere dichter. Het eerste deel ‘Lijfspraak’ wordt ingeleid met ‘All day, all night, the body intervenes’, een wijsheid uit het werk van Virginia Woolf. (Vertaling: ‘De hele dag, de hele nacht, grijpt het lichaam in ‘).

De eerste drie strofen uit ‘Lijfspraak 1’:

Er groeien tubes in mijn holtes.
De QR-code rond mijn pols weet niet wie ik ben.
Parameters wachten op hun digitale score.
–
Ik herschik de hoofdpersoon in mijn verhaal.
Intriges liggen voor het grijpen.
Exotisch gras tiert tussen mijn weefsels
verovert bekken, buik en navel. Ik lig erbij
en kijk ernaar als ruïnes van een tempel
–
krijg mijn lichaam niet gezegd
verklaar het onbewoonbaar.
–
(…)

De dichter windt er geen doekjes om. Op zoek naar zichzelf erkent hij de wanorde in dit onderzoek en verklaart tenslotte, daar het hem niet lukt zijn lichaam gezegd te krijgen, dat hij onbewoonbaar is.

De overige gedichten uit ‘Lijfspraak’ ( II, III, IV, V EN VI) spelen zich af in een ziekenhuis wat ze er niet vrolijker op maken; veel lijfelijk en psychisch lijden tot aan de laatste drie regels van de laatste strofe van ‘Lijfspraak VI’ : ‘We lachen, huilen, kleden feiten uit / bedenken een zeldzame samenloop / van omstandigheden. Een ongemakkelijk, maar ook prikkelend begin, waarvan ik even op adem moet komen.

Het tweede deel ‘Baken’ wordt ingeleid met een citaat van Ingmar Heytze: ‘Ik heb je lief, maar begrijp er niets van.’ En de gedichten in dit deel gaan inderdaad grotendeels over het niet inzien van de zin van het menselijk bestaan al doet men daar nog zo zijn best voor. De eerste regel van de eerste strofe van ‘Overlevingskamp’: ‘Zullen we dan maar het daglicht dragelijk maken’. De eerste regel van de tweede strofe: ‘Zullen we door elkaars huid kijken als door een raam’. De eerste regel van de derde strofe: ’Zullen we een overlevingskamp bouwen’. En tenslotte de laatste strofe in zijn geheel: ‘en gedachten delen als brood? / Zullen we onderweg een schuilnaam zoeken / asiel aanvragen in witregels? / En waar zullen we dan belanden? De radeloosheid in dit gedicht spat er af; ‘asiel aanvragen in witregels?’, vind ik knap gevonden.

Voor het derde deel ‘Doodgewoon’ haalt de dichter de twee eerste regels aan van een gedicht van Dylan Thomas.

‘Do not go gentle into that good night. / Rage, rage against the dying of the light.’

Indrukwekkende regels, waarvan ik verwacht dat Clarysse het strijdvaardige erin overbrengt in het derde deel ‘Doodgewoon’. Maar dat gebeurt nauwelijks. De meeste gedichten hierin geven eerder het gevoel dat je met vechten je problemen niet oplost. Uit ‘We weten het niet’, de vierde en vijfde strofe: ‘Ik vraag mijn huis of het iets weet. / Het haalt de schouders op. Dood is / een dief die zich niet betrappen laat. / Als een blauwdruk dringt / hij achterkamers binnen. // Wanneer een mens verdwijnt schildert / herinnering zijn sporen zwart-wit. / Tussen lippen verwaait zijn naam.’
Van ‘rage against the dying of the light’ is hier geen sprake en het gedicht ‘Onbegonnen werk’ dat hierop volgt wijst ook niet in die richting, al wordt er wel in gegromd en de tegenhanger van de ik-figuur gesneden uit het blikveld van de schrijver.

‘Ik verkies de absurditeit van het schrijven van gedichten boven de absurditeit van het niet schrijven van gedichten.’ komt uit het werk van Wislawa Szymborzska en is de leidraad voor ‘Tussentijdse berichten’. Antjie Krog wordt aangehaald en haar poëzie is onder meer meeslepend omdat haar spel met woorden zo compleet is; zij drukt er behalve de rede ook haar emoties, vitaliteit en betrokkenheid in uit. En bij haar gaan de laatstgenoemde kwaliteiten ook nog eens gepaard met een felheid, die bevrijdend en overweldigend werkt. Geen tierelantijnen, geen poespas, maar wel een stroom van woorden die er alle toe doen.

Ik kan me voorstellen dat Johan Clarisse wordt meegesleept door de poëzie van Antjie Krog ,en wat het veelzijdige gebruik van taal betreft zich graag verwant met haar voelt. Maar dat voel ik niet zozeer in deze afdeling als wel in de afdeling ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ met als leidraad ‘Wat ik zie bestaat pas / nadat ik het heb gezien’. Daarom tot slot ter illustratie hiervan een gedicht uit de afdeling ‘Wie niet kijkt, ziet niet’ dat gestoeld is op voornoemde parafrase van Hans Faverey‑achtig denken.

SALPETER
–
Hij houdt ervan te kijken
naar schoenpunten als je hem iets vraagt.
Zijn oogkrimp toont wat hij verbergen wil.
Soms praat hij met zijn schaduw.
–
Jongensjaren achtervolgen hem.
Van tijd tot tijd giet hij er salpeter over.
Teveel verleden kruipt in de dagen.
–
Hij kijkt naar wat ontbreekt.
Als een zoeklicht waart zijn blik.
Zijn voetzolen luisteren naar straatstenen,
–
Het heftigst leeft hij in het woord.

Een bundel met een originele insteek die veelbelovend mag heten.
____

Johan Clarisse (2026). Randschade. Uitgeverij P, 57 blz. € 21,99. ISBN 9789493534063

     Andere berichten

Henk Ester – Raamsopranen

Henk Ester – Raamsopranen

‘In de diepte van de treurmars ligt de vreugde van vertrek’ door Yvan De Maesschalck - - Hoewel soms nogal makkelijk wordt beweerd dat...

Guy van Hoof – Combinaties

Guy van Hoof – Combinaties

Jazz in lichamelijke taal door Tom Veys - - Op de cover van Combinaties, met als ondertitel Jazzgedichten, staat een infraroodfoto van...