LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Grady van de Bosch – Intact

7 okt 2026

Op(en) staan voor de val

door Ivan Sacharov

–

–
Origineel en toch prettig leesbaar, zo zou ik het volgende gedicht willen noemen:

LIEFDE
–
Ik heb nog geen dag mezelf gekend
en op een van die dagen
zeiden ze dat ik ziek was.
De wereld was een schemertunnel
in dreigende syncopen,
daarom slik ik medicijnen.
Nu ken ik mezelf als iemand
die medicijnen slikt
en dat geeft niet,
ik kijk er dwars doorheen,
ook door jouw stippellijn,
mocht je jezelf nog niet kennen
of medicijnen slikken.

Een originaliteit die minder in het taalgebruik dan in de inhoud zit, moet ik erbij opmerken. Maar wie weet zulke zaken goed van elkaar te scheiden? Prettig taalgebruik kan een valkuil worden als men na één keer lezen denkt te weten wat er staat.
Ik lees het opnieuw, en blijf al bij de tweede regel hangen. Waarom staat daar niet: ‘en op een dag’? In: ‘op een van die dagen’ is ‘die’ nogal expliciet. Alsof er behalve ‘die dagen’ nog andere dagen voor de ik-persoon bestaan. En dat kan getuige de eerste regel niet. Tenzij de dagen in de eerste regel als dagen ‘overdag’ worden opgevat. Daar had ik, de eerste keer dat ik het las, glad overheen gelezen. En nu wordt de volgende regel, waarin de wereld wordt voorgesteld als een ‘schemertunnel / in dreigende syncopen’, ook duidelijker. Een ‘syncope’ is volgens het bijschrift in de bundel een ritmisch motief dat tegen de maat in gaat. Welke maat? Waarschijnlijk de afwisseling van slapen en waken. Van donker en licht, normaliter. Een maat die hier bedreigd lijkt te worden door een bepaald ritmisch motief: bewuste, nare ervaringen in de nacht? Een niet kunnen slapen daardoor? De ik-persoon kan zichzelf ’s nachts mogelijk wel degelijk hebben ‘gekend’! Een verklaring die de ‘stippellijn’, verderop in het gedicht, een behoorlijk scherp beeld maakt voor hoe het leven kan worden ervaren. Dr. Jekyll en Mr. Hyde in een notendop. En van toepassing op ons allemaal, zoals de laatste regels ons nog even inpeperen.
Het is niet zo gebleven. ‘Nu ken ik mezelf als iemand / die medicijnen slikt’, vertelt het gedicht ons. Medicijnen die er waarschijnlijk voor hebben gezorgd dat de nachtelijke escapades waarin de ik-persoon zichzelf leerde kennen (zichzelf tegenkwam?) zijn verdwenen of althans verminderd. En direct daarna die veelzeggende woorden: ‘en dat geeft niet’, waar de titel van het gedicht, ‘LIEFDE’, waarschijnlijk op slaat. Liefde, hét gevoel bij uitstek waarmee we ons openstellen voor anderen, en last but not least: voor onszelf. Liefde, die ons ook het vermogen geeft ‘om te kijken’ en écht te zien. De regel: ‘en dat geeft niet, / ik kijk er dwars doorheen / ook door jouw stippellijn’, lijkt dat te willen zeggen. Hoewel ik ook iets sarcastisch in die woorden meen te bespeuren, iets dat ze heimelijk ondeugend maakt. Want ‘geeft het werkelijk niet’? Nou ja, de woorden zeggen het, de intonatie weet ik niet.

Grady van den Bosch, aan wie we dit gedicht te danken hebben, raakt in haar debuutbundel Intact diep menselijke kwesties aan. De titel van haar bundel is een fraaie. Ik verdenk de dichter ervan dat ze stiekem Intact ook als een woord ziet dat is samengesteld uit delen van twee andere woorden: intiem en contact. Ik kan het mis hebben, maar het woord ‘contact’ kwam even bij me op toen ik de titel las. Hoe dan ook: deze bundel zit vol eyeopeners, die soms ook als verbindingslijnen functioneren. Het gedicht dat aan het eerder geciteerde gedicht voorafgaat, eindigt bijvoorbeeld met de volgende regel (die ik hier wil citeren, omdat hij al een voorproefje op de ‘stippellijn’ neemt): ‘Alles ontstond in het stamelen, / dat ik even niet uit / mijn woorden kwam / genas mij’. Een regel die even doet denken aan de Tao Te Ching, waar ‘zij die spreken niet weten’ en ‘zij die weten niet spreken’.

Nu zou ik, als ik wijs was, dus mijn mond moeten houden. Maar er staan meer opmerkelijke gedichten in de bundel:

GRUIS
–
Er valt een stukje mij,
een dwarreling,
ik kijk ernaar,
hoe lang en ook hoe ver.
–
Het gruis van andere uren
dicht zichzelf eenvoudig toe
dat het zich verwijderen moet
van mij.
–
Tergend roekeloze vrije val
tot alles is afgedaald,
het einde van de wereld,
ik leg mijn hand op de bodem
en wacht.
–
Een stilte als een wervelwind
verdeelt zich over mij
en echoot al mijn delen,
Ik vind mijn andere hand.

Het gedicht is haast zelf een stukje gruis. Zo apart ‘weg dwarrelend van de dichter’, heb ik poëzie nog niet gezien. Maar het zou ook een stukje huid kunnen zijn, een schilfertje, dat bij ‘het einde van de wereld’ pas aankomt waar het moet zijn – waar alles dan moet zijn! Trouwens: het einde van welke wereld? Die van ons allemaal of van iemand in het bijzonder? Dit gedicht blinkt uit in weglaten. De mooiste strofe is wat dat betreft misschien de tweede: ‘Het gruis van andere uren’, kan van alles zijn: van de uren zelf tot aan de gebeurtenissen in die uren toe. De laatste regel van het gedicht (ik ga ervan uit dat de komma, of de hoofdletter een typefout is) laat de ik-persoon dan eindelijk zijn andere hand vinden (welke van de twee?) en misschien ook zichzelf. Prachtig!

Is mijn interpretatie correct? Ik denk het, terwijl ik de bundel verder lees. Ik weet het niet. Dat weet je als lezer eigenlijk nooit. Wat ik wel weet is dat deze poëzie ruimte aan verbeelding geeft. En dat heb ik geprobeerd om te laten zien. Meer heb je als poëzielezer niet nodig om het je eigen te kunnen maken. ‘Eigen’ in de meest letterlijke betekenis van het woord: want als lezer schep je de gedichten opnieuw. De flaptekst (die ik in mijn stoute jaren weleens ‘floptekst’ noemde) vermeldt dat dit debuut over levenskunst en kwetsbaarheid gaat. Misschien. Dan zou het dus ook over míjn levenskunst en kwetsbaarheid moeten gaan. Maar dat weet ik niet (zeker). Ik vind het vooral een scherpzinniger dan gemiddeld poëziedebuut. Achter de soms alledaagse beelden gaat een analytische blik schuil. De lezer kan dat zelf ontdekken. Kan zichzelf erin ontdekken, moet ik zeggen. Welja, laat ik nog eens wat citeren, ‘INTERMEZZO’ bijvoorbeeld:

Terloops huiverden de zinnen
flinterdun, ragfijn en haarscherp,
opdat er geen ongewenste stolsels zijn.
Achteraf wist ik het,
maar toen ik mijn voeten
nog net niet in het gras zette
en de wind onder mijn zolen
aarzelde, dacht ik meer aan
werkpaarden,
waarbij briesen een manier
van stapelen is.
Ik weet nu dat precies
toen ik even niet oplette
alles op z’n plek viel,
de dauw in de zee doorzong,
maar ook dat ik dat
nooit werkelijk heb geweten
en dat dat niet erg is.

In de laatste regel galmen de eerder besproken woorden: ‘en dat geeft niet’ een beetje na. En er is ook een reminder aan het gedicht ‘GRUIS’, waar ‘alles op z’n plek viel’, zoals hier wordt vermeld. Dit kan toeval zijn, maar is het dat ook? Na een gedicht als ‘AANRAKEN’, dat in de bundel aan dit gedicht voorafgaat en waarin de schepping o.a. met het schilderen van een schilderij wordt vergeleken, is dit ‘intermezzo’, nét voor de voeten het gras ‘aanraken’, in de titel, zéér letterlijk te nemen. Vlak voor de definitieve aanraking krijgt alles zijn beslag: ‘waarbij briesen een manier / van stapelen is’. Hoe schitterend geformuleerd deze woede en/of angst! Maar de sterkste regel vind ik toch: ‘de dauw in de zee doorzong’. Een diepzinnig realiseren dat er wel aggregatietoestanden bestaan, maar geen werkelijke grenzen. Water blijft hoe dan ook water. Wat dan weer verklaart waarom het ‘niet erg is’ die grenzen niet te weten. We kennen onszelf soms al, zonder onszelf te (leren) kennen, zouden we kunnen zeggen. De paradox achter deze bundel? Rest me te zeggen dat het woord ‘intact’ daar precies bij past: je blijft in de basis jezelf, ook na het passeren van de meest griezelige ravijnen en obstakels. Je blijft jezelf, maar je ziet jezelf wel beter. Zoals de dichter het zelf in het schitterende gedicht ‘INTACT (lll)’ zegt: je bent ‘Zoiets als heelheid / en dan geen droom, / een vlucht spreeuwen / maar dan drinkbaar’. Een beetje wijzer mag ook wel, na alle ellende. Dient dáár misschien het leven voor?
____

Grady van den Bosch (2026) Intact. Uitgeverij Anderszins, 76 blz. € 19,95. ISBN 9789492994585

     Andere berichten

Johan Clarysse – Randschade

Johan Clarysse – Randschade

Tot op het bot door Paul Roelofsen - - Johan Clarysse (Kortrijk, 1957), studeerde filosofie en is zowel beeldend kunstenaar als dichter....

Hedwig Speliers – Rebellen

Hedwig Speliers – Rebellen

Als een oude, Oostendse eik door Marc Bruynseraede - - Als er ergens te rebelleren valt, dan is de dichter Hedwig Speliers wel van de...

Henk Ester – Raamsopranen

Henk Ester – Raamsopranen

‘In de diepte van de treurmars ligt de vreugde van vertrek’ door Yvan De Maesschalck - - Hoewel soms nogal makkelijk wordt beweerd dat...