LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Kees van Meel – Onbegrensd verlangen

19 okt 2026

Lustbeleving van de dichter

door Taco van Peijpe

–

De dichter Kees van Meel treedt op in binnen- en buitenland en was van 2008 tot 2012 stadsdichter van Breda. Hij publiceerde eerder twaalf dichtbundels.
In het colofon wordt onder meer het volgende vermeld: ‘De titel is kort en krachtig, gaat over het ultieme verlangen van een mens. (…) Het gaat in deze bundel over invoelbare liefde, verlangen dat verder gaat dan de toevallige ontmoetingen op liefdesgebied’.

Mijn indruk is anders. De meeste gedichten bevatten niet meer dan een beschrijving van de seksuele fantasieën van de dichter in expliciete bewoordingen. Met behulp van wat humor, dubbelzinnigheid, woordspelingen, suggesties en dergelijke zou daarvan nog wel poëzie te maken zijn, maar dat heeft de dichter helaas niet gedaan.
Slechte enkele gedichten zoals het volgende zijn wat poëtischer.

Stad
–
De stad was vol met zware lucht van uitlaat
gassen walmen zwangere luchten in vuilfabrieken
loodzware rivier met kleibedekking geasfalteerd
onder moeizaam stromend water geen klatering van
helderheid helse vegen over slijkgronden verloren
land stilstaande figuren op de stenen van de brug
hoofden als donkere keien ketsend op elkaar
mufheid in donkere kleding

Uit dit gedicht spreekt de troosteloosheid van een vuile stad, waarin de mensen eenzaam zijn en het leven uitzichtloos is. Het beeld van stilstaande figuren op de stenen brug is mooi gevonden.
Op de tekst valt wel het een en ander aan te merken. ‘Zwangere luchten’ is een wat potsierlijke variant op een lucht die zwanger is van uitlaatgassen en walmen. Dat die lucht zich dan juist ‘in’ de vuilfabrieken zou bevinden lijkt onlogisch. En wat zijn ‘helse vegen’? Een misplaatste associatie met ‘helleveeg’? Waarom staan de figuren op ‘de stenen van de brug’ in plaats van op de stenen brug? Hoe kunnen ‘stilstaande figuren, met hun hoofden op elkaar ketsen’ en waarom zouden ze dat doen? Aan het slot zou de ‘mufheid in donkere kleding’ verrassend zijn als de keien in de voorafgaande regel niet ook al ‘donker’ waren.

Een positieve kwaliteit van deze gedichten is de welluidendheid, die ze geschikt maakt voor voordracht. Jammer vind ik daarbij dat de alliteratie nogal eens te ver wordt doorgedreven, soms ook ten koste van de betekenis:
‘Waar alle lijven lagen in dwarsverband / gevlochten kluwens vol hartstocht / vogelveren gelaagde vleugels gaven vruchten / vlechten mannelijk lid aan vrouwelijk vlees (…)’. Een gedicht hoeft niet strikt grammaticaal te zijn, maar in ‘vogelveren gelaagde vleugels’ is de rek getrokken uit de taal als communicatiemiddel. Het aan vlees gevlochten mannelijk lid wekt bij mij alleen de lachlust op.

Ook passages als de volgende doen bij mij geen poëtische snaren trillen: ‘op het altaar van vreugde en ontucht / liggen jouw botten in kruisvorm wachtend / op mijn likken op mijn tongen van onder / tot aan je kruis waar woorden tekort schieten (…)’. De botten in kruisvorm doen denken aan een zeeroversvlag en botten likken doet een hond. Hoezo schieten woorden tekort als je niet praat maar likt? Zo ook: ‘rankheid legde hij in zijn handen glijdende / illusie stroomde door hun onderlijven een tel / een eeuwigheid aaneengeklit en vastgetapet / in roezende wiegelingen vol verlangens’. Met vast getapete lijven lijkt het lastig vrijen. Bij wiegelingen stel ik mij langzaam golvende bewegingen voor, prima. Maar hoe ‘roest’ een wiegeling?
En verder: ‘Mijn hand slipte bij haar naar binnen / raakte haar billenspleet als knuffel aan / zacht dons streelde mijn vingers voordat / het sacrale werd ingewijd op het altaar / van de jeugd (…)’. Een ‘billenspleet’ aanraken, dat klinkt nogal prozaïsch. De toevoeging ‘als knuffel’ maakt duidelijk waar de dichter aan denkt, maar draagt weinig bij aan de poëtische kwaliteit. Bij ‘het sacrale’ zou je in deze context aan een paring of ejaculatie kunnen denken. Maar als dat al sacraal is (gewijd, heilig) dan hoeft het niet te worden gewijd, laat staan ‘ingewijd’. Op een altaar kan je wel iets wijden, maar dat is iets anders dan inwijden.

De bundel is verluchtigd met tekeningen van Angie Cotrotsos. De meeste daarvan zijn sombere portretten van vrouwen met grote donkere starende ogen.

Bij een aantal gedichten is het opschrift ‘erotische grafpoëzie’ geplaatst. Het volgende maakt duidelijk wat daarmee bedoeld is. De bijbehorende tekening toont een uitgeteerd vrouwengelaat met vleesloze kaken, gebogen over een mannenlijk waarbij maden uit de mond kruipen.

Mondeling
–
De maden in je mond waren
van een vreemde vrijpartij
alsof je met bedorven vlees
je tanden gepoetst had alvorens
–
in de kist te klimmen op bevel van
de overlijdensakte zo fraai verwoord
met sierletters in schuin schrift
hoofdletters veel interpunctie
–
de zwarte kraaien waren overdonderd
durfden geen conclusies trekken
sloten met geknakte vingers de kist
volgeladen met geheimenissen
–
in een nest van troebel viswater met
snotterende paling op een kluitje
verliefd op de madenbrij in je mond
een einde der tijden in morbide schildering

–
Het thema ‘dood en liefde’ is een rijke inspiratiebron voor schrijvers, dichters en beeldende kunstenaars. Ik heb de indruk dat ook deze dichter een serieuze poging heeft gedaan zijn gevoelens over dit onderwerp onder woorden te brengen, maar het resultaat vind ik helaas nogal onbeholpen.
De eerste strofe geeft een negatieve beschrijving van een seksuele ervaring. In ‘vreemde vrijpartij’ lees ik een mogelijke verwijzing naar vreemdgaan. De vergelijking met tandenpoetsen doet op deze plaats wel erg alledaags aan; misschien is dit ironisch bedoeld, maar op ironie heb ik deze dichter nergens kunnen betrappen.
Dat het lijk op bevel van de overlijdensakte in de kist klimt is een bijzondere vondst, maar ik zie geen aansluiting met de rest van het gedicht. Een overlijdensakte kan interpunctie bevatten (punten en komma’s) maar waarom zou je zeggen dat het er veel zijn? Of bedoelt de dichter ‘interlinie’ of ‘spatie’? De uitvaartverzorgers (kraaien) zijn uiteraard zwart, maar waarom zouden ze conclusies moeten trekken? Met geknakte vingers zal het lastig en pijnlijk zijn een kist te sluiten, maar misschien is bedoeld dat de vingers knakken. De geheimenissen waarmee de kist is volgeladen lijken geen verband te houden met de rest van het gedicht.
De laatste strofe begint met een mooi beeld (troebel water), dat bij mij weemoedige associaties oproept (‘like a bridge over troubled water (…)’ van Simon & Garfunkel). Jammer dat het wat slordig is uitgewerkt. Een nest kan wel in troebel water liggen, maar kan een nest ‘van’ water zijn? En waarom ‘viswater’ zonder dat het gedicht enige verwijzing bevat naar vissen of zoeken?
De palingen zijn niet snotterig, maar ‘snotterend’, dus ze huilen of zijn zwaar verkouden. Komisch.
De laatste regel biedt plotseling een apocalyptisch perspectief op ‘een’ einde der tijden en nog wel in morbide schildering. Zijn er meer einden der tijden? Of moet het gedicht nu worden gezien als een schilderij ‘Einde der tijden’?
Dit gedicht bevat aardige vondsten, maar mist een sterke samenhang. Overigens valt op dat Van Meel woorden als tekortschieten of schuinschrift niet aan elkaar schrijft, maar er steeds twee woorden van maakt, bewust of onbewust.

Ik verwacht niet dat veel lezers op zoek naar poëzie, deze gedichten met genoegen zullen lezen en herlezen. Dat neemt niet weg dat Kees van Meel vanaf het podium zijn publiek blij kan maken met de voordracht van welluidende poëzie. De wondere wereld van de poëzie kent vele smaken.

____

Kees van Meel (2026). Onbegrensd verlangen. editura pim, 81 blz. ISBN 9786061399543

     Andere berichten

Steven Graauwmans – Niets is wat

Steven Graauwmans – Niets is wat

Ondergedompeld in surrealisme door Jaap Bos - - Onheil, naderend gevaar, als in een droom, scènes die door elkaar lopen en op de een of...

Stijn van Dalen – Koud buffet

Stijn van Dalen – Koud buffet

Kun je me het zout aangeven? door Jeroen van Wijk - - Stijn van Dalen (1994) is dichter, muzikant, zorgverlener en twijfelaar. Koud buffet...