LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Eva Gerlach – Het gedicht gebeurt nu. 1979-2009

1 dec, 2010

Hoe wij ons vorm ontlenen

door Maarten Hamelink

Wie herinnert zich nog 28 augustus 2008; de dag dat Obama voor een uitzinnig democratisch congres zijn ‘acceptance speech’ uitsprak? Lang geleden alweer. Het toen nog hoopvol gestemde ‘Yes we can’ legt het af tegen de politieke realiteit van werkeloosheidscijfers en koopkrachtdaling. Toch moest ik eraan terugdenken toen ik de nieuwste bloemlezing Het gedicht gebeurt nu van Eva Gerlach in handen kreeg.

Niet de speech van Obama, maar de interactie met zijn publiek na afloop is wat me zo is bijgebleven. Waar de presidentskandidaat in een eindeloos ‘Thank you’ – 32 keer volgens officieuze tellingen! – voor alle lof bedankte, ontbreekt bij dichteres Gerlach elk woord in die richting. Een ongeschreven code? Je zou het haast denken als je de gemiddelde poëziebijeenkomst als maatstaf neemt. Die lichte hoofdknik onder het al wegebbend applaus richting stoel, veel verder komt het niet.

Ook na dertig jaar dichterschap en ettelijke literaire prijzen – waaronder in 2000 de P.C. Hooft-prijs voor haar gehele oeuvre – begint Gerlach haar vuistdikke overzichtsbundel rechttoe-rechtaan, met de inhoudsopgave. Ik zou zeggen: lees er geen diskwalificatie in voor het belang van de lezer, of zelfs maar onachtzaamheid. Het is de dichter ten voeten uit. Bovendien, de titel is zonder al te veel omwegen op te vatten als een geste. Ga maar na, als het gedicht nu gebeurt, plaatst dit de lezer in het scheppende middelpunt. Alsof Gerlach wil zeggen: ‘Jij bent het die mijn woorden tot aanschijn roept en daarmee het gedicht tot leven’. Laat dus de taal het werk maar doen, want:

Hoe lang kun je doorgaan te zeggen
hoe het was en dat het er was
zonder te zeggen

dat het vertelde zich opneemt en wegvliegt over
de sloot en de vorm van de wereld
neemt toe
(…)

Zo beschrijft Gerlach hoe het vertelde verzelfstandigt, een plek inneemt en de uiterlijke en innerlijke wereld vorm verleent. Of nog een stap verder; een vorm schept waaraan wij op onze beurt onszelf ontlenen. De geciteerde dichtregels komen uit ‘Is wat je ziet’, opgenomen in de bundel Wat zoekraakt (1994). Even verderop in dezelfde bundel klinkt het minstens zo indrukwekkende slot van ‘Over beweging’ als volgt:

Er is een bewegen dat is
verplaatsing en een bewegen
dat plaats is waar het oog

niet op is ingericht, er is een wereld van treinen
en een van als je daar net uitkomt, kijkt,
even is alles hetzelfde.

Ja, om aan te komen waar Gerlach je wil brengen, is herlezen hier en daar geboden. Dat geldt zeker waar ze zich waagt aan het vangen van een gemoedstoestand, zoals die je in een flits kan bespringen bij het verlaten van een trein. En je voelt; deze plek kent voor mij geen geheimen, ik val ermee samen, al is het misschien maar heel even.
Merk ook op de vrijheid van stijl en versvorm. Voor zover Gerlach aan een traditie schatplichtig is – en wie is dat niet –, dan is het die van de Vijftigers waarmee ze een voorkeur voor onconventionele schema’s deelt. Hoe weinig opgelegd de vorm, hoe ogenschijnlijk ongerijmd, op willekeur is ze niet te betrappen. En soms mag het dan opeens zelfs weer ouderwets rijmen, en ook dat is vrijheid. Zoals die dag op het strand met haar ouders en zusje, wachtend op een rode zonsondergang in het gedicht dat ‘Zon’ heet. Terwijl Gerlach telegrafisch noteert:

(…)
‘dat de zon in de zee zakt dat is niet echt zo volgens mij,
het is de zee die voor de zon langs vaart’.

Rende gauw terug, op haar rug
kletste haar natte zanderige paardenstaart,
het water spatte om haar sprietige benen,
toen ik eindelijk weer naar de zon keek, was die verdwenen.

Het gedicht gebeurt nu bevat een weerslag van wat Margaret Dijkstra (1948) onder haar pseudoniem Eva Gerlach tussen 1979 en 2009 deed verschijnen. Met nadruk op dat laatste, want ze blijkt iemand die strak regisseert wat er van haar werk naar buiten mag. En ook nadien blijft ze schaven en vallen er gedichten af die wat haar betreft niet houdbaar bleken. Het toont de dichteres als een meedogenloos criticaster van zichzelf. Iemand bij wie ook de kritiek van buitenaf gevoelige snaren kan raken. Interessant in dat kader is de brief die Herman de Coninck op 6 september 1990 aan Gerlach schrijft (opgenomen in de briefverzameling Een aangename postumiteit). Hierin spreekt hij zijn lof uit over ‘De dorpelen en de gesloten vensters’ dat in poeziëtijdschrift Tirade verscheen.

Want dat ik van je heb gehouden, dat staat vast.
De rest niet – of je bestond
en als, wat dan voor kleur ogen, de ene keer groen
dan weer grijs, eens schoot er een zwerm
zwaluwen uit omhoog. Wat voor. Van die snelle,
die niet kunnen lopen, vrijen gebeurt in de lucht.
Hoe ging het. Je werd
ziek of zo, meegenomen, er was veel te doen,
ik kreeg geloof ik een nieuw kind en vergat je
(…)

Dit gedicht is gesteld in de voor Gerlach zo typerende grammatica waarbij ze in gesprek met zichzelf van de hak op de tak lijkt te springen, maar dan voor de vuist weg een eenheid weet te smeden in een vorm die een autonome betekenis krijgt. ‘Een onontkoombaar gedicht’, oordeelt De Coninck in zijn brief, maar er blijkt iets aan dit compliment voorafgegaan. Over een manuscript dat hij eerder van Gerlach ontving, schrijft hij: ‘Ik heb het al 25 keer betreurd dat ik die gedichten toen niet blindelings heb gepubliceerd.’ En even verderop: ‘Ik vermoed dat jij uiteindelijk toch geconcludeerd hebt dat ik de gedichten niet goed genoeg vond’, zo zoekt de beroemde Vlaming naar een verklaring voor het feit dat het sindsdien stil is gebleven. Het moet uiteindelijk goed gekomen zijn tussen de twee. Als De Coninck in 1997 plotseling overlijdt, draagt Gerlach een gedicht aan hem op (‘In de verte’, Niets bestendiger, 1998).

Het poëtisch genie van Gerlach is overal te vinden. Zeker ook waar ze zich laat inspireren door fotografie en beeldende kunst, een duidelijke lijn in haar loopbaan. Alles is werkelijk hier (1997) is in zijn geheel op foto’s geïnspireerd. Maar ook tien jaar eerder al volgt ze deze aanpak, bijvoorbeeld met een ode aan de Hongaarse fotograaf Andre Kertész in het gedicht ‘Landende duif, New York 1960’. Is ergens het moment waarop de fotograaf tot zijn beeld besluit, zo tastbaar gemaakt?

Hij heeft gewacht, de vogel kwam terug
en vloog uiteindelijk in de baan van licht.

Boven de wandelaars spant hij een brug
van sluitertijd (…)

Als Gerlachs bedoeling hier was de foto te completeren, dan ze schiet haar doel voorbij. Ze maakt immers elk beeld overbodig, want in deze taal krijgt alles al gestalte.

Bijzonder aan een bloemlezing met een bereik van drie decennia is dat zij zich leent voor een analyse van de groei en ontwikkeling die de dichter doormaakt. Wat valt dan op? Toon, stemgeluid en techniek lijken eigenlijk nergens drastisch te veranderen. Weinig verandert er ook aan de thematiek; beweging en stilstand, leven en dood, rennen, vliegen, ….. er wordt veel bewogen, en minstens zoveel gewacht. Het persoonlijke, de binnenkamer is keer op keer wat Gerlach drijft. In de bundel Dochter poogt ze in 25 korte titelloze gedichten van acht regels haar nog jonge meisjeskind naar zich toe te schrijven. Het is dan 1984, een jaar na de geboorte: ‘Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen / zij blijft op afstand sinds ze uit me viel’, om het openingsgedicht af te sluiten met het bijna wanhopig: ‘hoe steel ik haar, / hoe krijg ik haar ontvreemd’. Dit is poëzie die de doelgerichtheid van een jaarrekening heeft en toch diep doordrongen is van echt leven. En er is zoveel van, 477 pagina’s lang!

Een schitterend uitgegeven bundel, en voor geen geld bovendien (€ 19,90) dankzij een subsidie uit het P.C. Hooft-fonds. Alleen dat gekwelde portret op de achterzijde had Gerlach bespaard mogen blijven. Het lijkt ingegeven door het verzoek van de uitgever ‘een recente pasfoto bij te sluiten’. Maar ach, wat deze dichteres van zichzelf laat zien, zijn haar gedichten. Het is de plek waar ze vermoedelijk het liefste verblijft. Daar gebeurt zij. En wij met haar.

 

     Andere berichten