Waarin men valt en vallen blijft
door Peter Vermaat
–
–
Wie in Tijd voor vrede, de tiende bundel van Charles Ducal, op zoek is naar schallende anti-oorlogsretoriek, vindt waarschijnlijk niet waarop hij hoopt. Weliswaar komen geruchten van ‘de oorlog die vuil is’ door de kieren uit de wereld naar binnen, maar de pandemieën en hongersnoden woeden op een dieper niveau. De oorlog waarvoor door de dichter zo hartgrondig vrede wordt gewenst, gaat over de slagvelden tussen de mensen, tussen jij en ik, de dichter, de lezer, de kleuren, ruimten, zintuigen en de taal en vooral het leven en de dood.
Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier, geboren te Leuven in 1952) was in 2014 en 2015 de eerste Belgische Dichter des Vaderlands en wordt gerekende tot de meest belangrijke Nederlandstalige dichters van dit moment. Kenmerkend voor zijn poëzie, ook in deze bundel, is de ogenschijnlijke eenvoud van de taal. Hierbij staat hij in een traditie van dichters die – in tegenstelling tot de dichters van ‘roeping en openbaring’ – als het ware naast de lezer oplopen in diens dagelijkse gewaarwordingen en hem als een rattenvanger meelokken naar de diepten onder de taal. Dat kan op een terloopse manier gebeuren, zodanig gecamoufleerd dat het zou kunnen grenzen aan het badinerende:
–
Hoe maak je poëzie van een lijk in het water?
We staan in het clubgebouw, een glas in de hand,
en iemand stelt de vraag.
–
Mag een lijk in het water rijmen op later?
En beslist dan het lijk of beslist dan de klank?
Een lijk, is het antwoord, hoort in de krant.
–
Zoekt poëzie niet het hoogste zowel als het laagste,
vraagt nu een meisje. Een lijk in het water,
net zo goed als schoonheid, liefde en God?
–
De schoonheid ben jij, gekt nu iemand,
net als de liefde. En ook God? Ja, ook Hij.
Iedereen lacht. En een lijk in het water?
–
Iemand gaat rond met de fles en schenkt bij.
–
[p. 31]
Het gedicht zou, zoals iemand mij aangaf, op het anekdotische niveau kunnen zijn ingegeven door een reeks van doden die in de omgeving van Leuven de afgelopen jaren in het water is aangetroffen en waarover de lokale bevolking rond de tap zo zijn theorieën zal hebben uitgewisseld. Voor wie de afgelopen tien jaar niet onder een steen heeft geleefd, kan het beeld van ‘een lijk in het water’ bijna niet anders geassocieerd worden dan met bootvluchtelingen met wie het slecht afliep. Het ‘maken van poëzie’ uit r. 1 lijkt een toevallige vraag ‘in het clubgebouw’ waar ‘wij’ met een glas in de hand de dagelijkse dingen de revue laten passeren. Maar deze ‘wij’ hebben het over poëzie en het moet dus wel om een clubje dichters gaan. Daarmee ligt onmiddellijk een pregnante vraag op tafel: mag of moet poëzie geëngageerd zijn, of, zoals Marsman het formuleerde, kan uitsluitend het graan des levens worden omgestookt tot jenever van de poëzie? In een sneltreinvaart komen de herkenbare standpunten langs: l’art pour l’art, poëzie moet zich niets aantrekken van de werkelijkheid (‘een lijk (…) hoort in de krant’), de autonomie van taal (‘beslist dan de klank?’), het symbolisme, poëzie moet vanuit het laagste een perspectief werpen op het hoogste (de uitspraak van een meisje, waarop Ducal de anderen in een paar rake pennenstreken ontmaskert als male chauvinist pigs) en tot besluit de slotregel die niet alleen met de jenever van Marsman associeert, maar zijn woorden ook met een ferme slok achteroverslaat. De dichter die zowel is als erover schrijft, heeft en geeft het laatste woord.
Deze positie van – naar het schijnt – opzettelijke afstandelijkheid wordt door de dichter in de eerste drie afdelingen (‘Proloog’, ‘Tijd voor geweld’ en ‘Poëzie is geen journalistiek’) vrij consequent ingenomen. Beelden en schimmen in scènes uit een oorlogsverwante werkelijkheid, je kijkt ernaar door de ogen van de dichter en maakt met hem mee dat het onvermijdelijke gebeurt, ogenschijnlijk zonder mogelijkheid om ergens een stokje voor te steken. Tegelijkertijd staat deze werkelijkheid nooit zover op afstand dat je je eraan zou kunnen onttrekken. Ducal slaagt er steeds in om een – zoals W.F. Hermans het graag zag – onontkoombare werkelijkheid rondom de lezer op te trekken, waarin uiteraard geen mus zonder reden van het dak valt. Het ontbreekt me hier aan de ruimte om uitgebreid te citeren, maar ‘Klassenhaat’ (p. 20), ‘Advies’ (p. 22), ‘Kamikaze’ (p. 24) en ‘Na de zuivering’ (p. 26) zijn op dit gebied juweeltjes, stuk voor stuk.
Met de afdeling ‘Alleen de vorm’ wijzigt de dichter het perspectief naar zichzelf, de ziel en de zaligheid van de poëzie. Met passages als ‘Mijn werk bestaat erin te wachten / tot het komt. Er is geen andere weg (…)’ (‘Attitude’, p. 41) en ‘Ik geloof in de wind / die koorleider speelt in de bomen (…)’ (‘Wind’, p. 48) zet hij zichzelf neer als ‘de lege vorm die hij nu eenmaal was’ (‘Alleen de vorm’, p. 44) waarin het gedicht van buitenaf moet binnenkomen en zijn plek vinden. Geen grote, wereldschokkende en volkenbewegende bezigheid, maar het maken van iets kleins, dat alleen recht van bestaan heeft als het puntgaaf is:
–
In een uitzonderingshuis, achter een raam
dat nooit opengaat, zit er nog een al jaren
te vijlen om dat kleine ding juist te krijgen
zodat het niet langer rammelt, maar zingt.
–
Wat hij niet beseft: niemand wil nog zo’n ding,
het werkt alleen in schemering als het zo stil is
dat alles – straten en huizen, bossen en velden –
de adem inhoudt alsof van daarginds…
–
Kijk, het is ochtend, altijd ochtend,
deuren slaan open, met rammelende emmers lopen
gelach en gebabbel naar de pomp van de taal.
–
Het is nu hun eeuw. Als het ding, eindelijk gaaf,
alsnog gaat zingen, luisteren mogelijk de engelen.
Maar niemand weet of die wel bestaan.
–
[p. 42]
Voor de lezer die ik ben is dit bijna-rijmloos sonnet een genot om te lezen, niet alleen vanwege de vorm (die mij lief is), maar door de knapheid om – wederom in een paar rake pennenstreken – een werkelijkheid te schetsen die niet alleen herkenbaar is (zowel vanuit het perspectief van de (oude?) dichter, die zich al jaren afsluit van de buitenwereld om dat ene perfecte ‘ding dat zingt’ te maken en bij te vijlen, als dat van de jeugdige stemmen (van meisjes? immers ‘gelach en gebabbel’) die hun emmers zonder enige reserve gaan vullen aan de ‘pomp van de taal’), maar die je ook op verschillende plaatsen in eerste lezing meteen op het verkeerde been zet. In het gedicht zit, naast het gaan vullen van emmers aan de pomp, ook die tweede betekenis van ‘loop naar de pomp’ oftewel donder-maar-op-met-je-gelach-en gebabbel. Dit gaat denk ik minder – hoewel mogelijk toch met een knipoog – over jalousie de metier van de oude meester ten opzichte van jonge dichters die op podium en in publicaties ongebreideld alomtegenwoordig zijn, dan over de weemoedige tegenstelling tussen de jonge dichter bij wie de taal nog gulzig overstroomt en de oude dichter die zuinig moet zijn op zijn zeldzame invallen en ze – bijvijlend – moet koesteren en strelen. Ook prachtig is de tegenstelling tussen duisternis en stilte waarin het volkomen gedicht moet klinken als gezang voor de engelen en de lawaaiige ochtend – nacht voorbij, kansen verkeken – met de overmaat aan klank van stemmen en rammelend metaal. Er klinkt realiteitszin (‘Het is nu hun eeuw’) en berusting (‘niemand wil nog zo’n ding’), maar het geloof zonder bewijs in het kunnen bestaan van engelen blijft, zoals in het uiteindelijk volkomen gedicht. Ondanks alles.
Het zal geen toeval zijn dat het op de pagina naast dit gedicht gaat over het vers dat ‘(…) toen het klonk begon te vloeien / en toen het rijmde, toen pas zong.’ (Rijm, p. 43).
In de volgende afdelingen (‘Manieren van sterven’ en ‘Hoe raak ik je kwijt?’) gaat het nog een paar spaden dieper en vallen we met de dichter mee, dieper het ‘zelf’ in, waar de weemoed is over de eerder gestorvenen, de dreiging van het afscheid moeten nemen van het leven, over een zoon, over een moeder en overal doorheen de dichter die de taal die dat kost bijna met de moed der wanhoop bij elkaar weet te houden. Ook hier, zelfs nog meer dan hiervoor, ontbreekt mij de ruimte om de overvloedig aanwezige parels en edelstenen allemaal te citeren, zoals bijvoorbeeld ‘Terwijl hij zit te wachten op de grote trom / die vast op weg is aan het hoofd van de fanfare / om, als het werk voltooid is, met een donderslag / het onbegrijpelijk vergeten goed te maken (…)’ (‘Manieren van sterven’, p. 54). Hier is de dichter naar mijn gevoel op zijn best, niet alleen door het bijna kunnen mee reizen door zijn bloedbaan, maar ook door het rijm, het ritme en de klank en – niet in de laatste plaats – de thematische elementen die hij aan zijn taalbouwwerken toevoegt. Zo is daar het beeld van de grote trom die de fanfare aanvoert als zinnebeeld voor de danse macabre en de bijna zichzelf herhalende gedichten ‘Wat achterblijft’ (p. 67) en ‘Onzegbaar’ (p. 75), die – in vier vrijwel gelijke versregels – een mantra vormen, een bezweringsformule om een daad in taal af te dwingen met een volharding die een Achterberg niet had misstaan.
Dit is poëzie, een taal ‘waarin men valt en vallen blijft’ zonder te hopen ooit op de bodem terecht te komen, gedichten die je ieder uur van de dag en stuk voor stuk kunt lezen en herlezen, waarin je bij iedere gewijzigde lichtval weer andere pigmenten ontwaart en herkent en waarin je tussen al het andere steeds iets van blijvende waarde vindt, zoals dit laatste door mij – na veel twijfelen tussen drie, vier andere – geciteerde gedicht:
–
Je dood is nieuws. Je ligt als sterfgeval
onder de velen, een moedeloos getal
waarin ik je verlies, een vreemde
taal waarin ik je moet delen.
–
Ik wil jou alleen. Grijp dit touw,
het reikt tot de bodem, grijp het
zodat ik je op kan trekken naar het licht.
Ik wil mijn hand op je ogen leggen:
–
kom, sta op, hier zijn je kleren,
je schoenen, trek ze aan, ik wil dat
je de hele weg van waar ik je verloor
tot waar ik je vond, teruggaat.
–
Iedere stap, ieder gebaar, iedere seconde
wil ik terug: je hand op tafel, je roep
door het huis, je lach in mijn rug,
je spoor in mijn spoor op het laken.
–
Het kan niet, ik weet het, maar het moet.
–
En pas als de weg vrij is, laat ik je gaan.
Ik kijk je na. Je komt niemand tegen.
Zolang ik kijk is vandaag
geen mens overleden,
–
behalve jij.
–
[p. 69]
De dichter voert hier het Eurydice-motief een stap verder: de gebeurtenissen die uiteindelijk leidden naar de dood worden door de kracht van het woord als een film teruggespoeld, de regie wordt op alle aspecten in vaste hand genomen: ‘En pas als de weg vrij is, laat ik je gaan. / Ik kijk je na. Je komt niemand tegen.’
Alleen in de taal lukt het om vrede te hebben met de dood, de ellende, het onvolmaakte, het onoverkomelijke.
Voor heel even.
Maar dat moet genoeg zijn.
____
Charles Ducal (2025). Tijd voor vrede. Atlas Contact, 88 blz. € 22,99. ISBN 978 9025476571