Trekt deze bundel een muur op of ligt het aan mijn leeshouding?
door Jac Janssen
–

–
‘You can’t judge a book by it’s cover.’ Toch wordt hoe je gedichten leest, beïnvloed door het uiterlijk en de flapteksten van een bundel. Dat ondervond ik weer eens bij de Staat van Genade van dichter Matthias Haeck. Hij won hiermee de vijfde editie van de (lovenswaardige) Zeef Poëzieprijs, lees ik op de binnenflap. Daarin loffelijke woorden uit het juryrapport: ‘zeer communicatief zonder in expliciete verwoording te vervallen’, ‘bonte beeldspraak’ en desondanks ‘grote helderheid’; ‘gecondenseerd’, ‘verstaat de kunst van het suggereren en trekt zo de gemotiveerde (cursivering van mij) lezer vlot binnen in de magie van zijn gedichten.’
Hoe hoog wil je verwachtingen spannen? Deze mooi verzorgde uitgave heeft een prettig formaat. De tekening op het glanzende omslag fascineert maar schept ook afstand. Het doet mij denken aan de vaak onbegrijpelijk tekeningen van dadaïst Kurt Schwitters.
De eerste indrukken zetten mij dus op afstand. Dit veranderde na herhaalde lezing, maar lange tijd hield deze bundel voor mij twee gezichten. Ik neem de lezer mee in dat proces.
Ook het openingsvers ‘De muur’ houdt me aanvankelijk op afstand. Een gezichtloze mens betast met zijn buik een ‘zorgvuldig opgetrokken’ muur met ‘ongelijke stenen’. Hoe gaat zoiets? Aan de andere kant van de muur spiegelt zich de actie. Ook daar een mens die met een ‘blinde buik’ (dat vind ik dan weer mooi) de muur betast die hen scheidt. Ze zijn onwetend van elkaar. En onwetende van het fundament waarop de muur rust: ‘een sculptuur / het werk van ten minste twee’.Dat ik onderliggende boodschap pas na zoveelste lezing snap, ligt wellicht aan mij. Dat neemt niet weg dat ik het gedicht als gekunsteld blijf ervaren. Kan het zijn dat hier de lezer en de dichter aan twee kanten van een muur met elkaar communiceren, op basis van wat we gemeenschappelijk hebben: de taal, maar gehinderd door allerlei vooroordelen? Na lezing zes vermoed ik dat ik ben afgeleid door een teveel aan beeldspraak. Alsof de dichter iets te vaak te horen heeft gekregen: ‘show, don’t tell’ en dat vervolgens al te letterlijk neemt.
Het tweede gedicht begint gelukkig fraai. Ik citeer het in zijn geheel:
–
We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.
–
Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk,
de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.
–
Volgens een seizoenstraditie komen ze
kortstondig de toestand der dingen noteren.
–
Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze,
kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar
tezamen een patroon, weggestrooid.
–
Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt.
Het weinige van de grote interventies.
Tegenstrijdige reacties en gevoelens komen in me op, waarin grotendeels ligt samengevat wat de hele bundel met mij doet. De eerste zin raakt: stel je voor dat je de bloei van de magnolia’s mist! Op de schaal van de grote terugkerende gebeurtenissen in de geschiedenis van deze planeet is die bloei, even kort als triomfantelijk, iets dat je niet mag missen. Dan de tweede strofe. ‘Tranige praal’ is prachtig, te meer daar ik eerste foutief ‘tanige praal’ las. ‘Flitswekkend maar een weinig droef tegelijk’ plant me weer met mijn voeten op de grond. ‘Flitswekkend?’ Ik bevat de kortstondigheid van de flits, maar weet geen weg met de uitgang ‘-wekkend’. Wat of wie wordt hier gewekt? Mede hierdoor raak ik verstrikt in de regel over het intomen van de ‘enige bestaansreden’ van het ‘betonnen geweld’. Het beton is het tegendeel van de uiterst kortstondige vergankelijkheid die de magnolia belichaamt. Maar op welke manier wordt dit precies ingetoomd? Ik ervoer een lichte kortsluiting. Is dat misschien juist de bedoeling?
De derde strofe stelt het woord ‘kortstondig’ in het middelpunt. Ik geef me weer gewonnen: ‘de toestand der dingen noteren’ door eens in het jaar even te komen kijken als bloesem: best briljant. (Dit herinnert mij aan de film ‘Drowning by numbers’ (1988) van Peter Greenaway. In een kas waar de personages nu en dan doorheen lopen, flitste om de minuut een grote lamp. Eronder het kadaver van een koe of een paard. Tegen het eind van de film worden die flitsen als een film afgedraaid en zie je hoe dat kadaver in een onthutsend tempo wordt verteerd tot er alleen een skelet overblijft.)
De vierde strofe benadrukt hoofdzakelijk beschrijvend de vergankelijkheid van de magnolia-bloei. De ‘onbeschreven post-its’ zijn een gelukkige vondst. Ook hier net als in het eerste gedicht de tegenstelling tussen het nietige enkelvoudige tegenover het krachtige (?) gezamenlijke patroon.
De laatste strofe is dan weer van raadselachtige schoonheid. ‘Een bad van kleur waarin verschiet’ – door die zin zo af te breken krijgt ‘verschiet’ er lagen betekenis bij. De slotzin is een enigma van helderheid waarover je kunt blijven nadenken. Wat staat hier nou precies? Ik lees het zo: dat grote interventies zich kenmerken door eenvoud.
Die eenvoud vind ik gelukkig geregeld terug in deze bundel. Een gedicht met de titel ‘Envelop’ ontroert met zijn aardse eenvoud. Het hart van de bundel wordt gevormd door de reeks ‘Vluchten’, waaraan genoeg te genieten valt. De volgende afdeling ‘Wij’ lijkt toegankelijker want persoonlijker. De afsluitende afdeling ‘De komst’ over een op handen zijnd kleinkind, is dan weer persoonlijk op een manier die voor mij aanvankelijk wat particulier is. Maar ook hier geldt dat die reserves bij latere lezing geregeld oplossen. Zo veranderde mijn oordeel in de loop van weken van overwegend afwijzend naar overwegend positief.
Wat de dichter laat zien is soms knap. Maar dat ik me dat realiseer zonder te voelen wat er gebeurt of wordt bedoeld, irriteert mij geregeld. Neem de titel van de eerste afdeling, ‘Sans paroles’ (woordeloos, sprakeloos). Ik slaag er niet in te vatten wat die titel toevoegt, behalve dan een chanson-achtig sfeerelement. Maar goed. Deze afdeling sluit met een gedicht dat ik in zijn geheel citeer.
–
Ik staar te lang in het felle
opdat het me zou verblinden.
Duik te onstuimig in het koude
in de hoop mezelf te doen schrikken.
–
Jarenlang bespeel ik de hitte
opdat ze mijn vel zou tatoeëren.
Graaf diep, dieper de kuil in,
om op te kijken naar iets
–
aan de rand van het gat.
Ik verzin wat ik kan, om om te komen,
zodat ik tenminste knipper, naar lucht hap,
verschroei, me krom graaf, opkijk en leef.
Geen aangezette virtuositeit en dwaalsporen, geen idiosyncratische vondsten die mij om de tuin en het vers uit leiden. Zonder opsmuk en naar mijn smaak precies goed.
Zo viel deze bundel voor mij aanvankelijk uiteen in twee smaken, de een positief en de andere negatief. Toch bleef die Zeef-prijs versus mijn matige reactie in mijn achterhoofd zeuren. Miste ik iets? Werd mijn oordeel vertroebeld? Na weken pakte ik hem weer op. Het leek wel of ik een andere bundel las. Ik begreep nog steeds niet alles, maar raakte gaandeweg steeds sterker onder de bekoring van de toon waaruit een bepaalde helderheid spreekt. Een intimiteit die zich toch niet helemaal prijsgeeft. Vreemd hoe dat werkt.
Ook de afsluitende reeks gedichten over het aankomend kleinkind treft me nu als zuiver en ontroerend. Losjes en ongeforceerd. Ik sluit af met het laatste gedicht in zijn geheel.
–
Ze heeft mijn hart gestolen
en er meteen haar pamper aan geveegd,
–
mijn blik als een loper uitgerold,
mijn handen als sardienen ingeblikt
mijn voeten in cement gebed
–
mijn buik als kussen geconfisqueerd
mijn mond tot zwijgen veroordeeld
mijn adem tot simpele blaasbalg herleid.
–
Ze heeft mijn huis geopend,
er kortweg een kamer ingenomen,
weigert te vertrekken
–
Ze hing haar naam al naast de deur
doet belletjetrek met mijn geduld.
Ik hoor ons nu al lachen in de gangen.
Zou dit de ‘Staat van genade’ zijn waar de titel van de bundel op duidt? Ik weet het niet en het doet er ook minder toe. Het duurde even, maar uiteindelijk lees ik deze dichtbundel als een handreiking over de eenzaamheid van het individu heen naar de kracht van het intermenselijk contact. Het collectief. En dat is een boodschap, die overigens nooit uitdrukkelijk wordt ingepeperd, om te koesteren in deze ogenschijnlijk harteloze tijden.
____
Matthias Haeck (2025). Staat van Genade. Uitgeverij De Zeef, 53 blz. € 19,50. ISBN 9789464757873



