Een bekende plek
door Jeroen van Wijk
–

–
Bernadette Stom (1964) was meer dan 25 jaar docent Nederlands. Haar gedichten verschenen in Het Liegend Konijn en kwamen in de top 100 van de Turing Gedichtenwedstrijd waar ze in 2016 met haar gedicht ‘Groeizicht’ de derde prijs won. Heimweecafé (2025) is haar debuutbundel.
De gedichten in de eerste afdeling ‘nou ja een schiereiland’ gaan voornamelijk over ouderrelaties, opgroeien, afscheid nemen en de dood. Stom heeft een herkenbare stijl en is duidelijk geen beginnende dichter. Herinneringen over een schaamteloze vader, vreemde buren en jeugdherinneringen passeren de revue, maar centraal staat de moeder die ook nog eens op sterven ligt.
–
ze hebben haar zien vliegen in het zwarte badpak
met de rits tussen haar borsten, drie treetjes vlakbij
de wc, van marmer als de hal ervoor
–
op blauwe wegwerpslofjes zoek ik naar haar bed
op de ic, het is moeilijk uit te maken wie zij is
–
haar bovenlijf ligt onbedekt, veel smaller dan ik
me herinner, kapotte etalagepop in een depot
de tepels die me voedden zijn als vroeger
–
buiten houdt mijn jongste broer de wacht
ik lach naar hem, alsof het meevalt binnen
Achterin de bundel lees ik dat dit gedicht in de top 100 van de Turing Gedichtenwedstrijd stond en ik begrijp waarom. Er is een tragisch beeld van een moeder op het bed, haar bovenlijf smal en onbedekt. Het beeld van een kapotte etalagepop vind ik mooi. De versregel ‘de tepels die me voedden zijn als vroeger’ suggereert dat het moederlijke van vroeger nog steeds in het nu te vinden is. De laatste strofe is de klapper waar de emotie, die in de voorafgaande strofes is opgewekt, door de ik wordt weggemoffeld omdat deze zichzelf sterk wil houden ten opzichte van de broer of misschien zichzelf. Ik gok dat dit voor veel mensen een herkenbaar beeld is, voor mij in ieder geval wel.
Ik moet denken aan een artikel van de beruchte Evi Aarens, die – shocker – geen jonge vrouw is, maar een man van middelbare leeftijd, namelijk Lodewijk van Oord. In het artikel schrijft Aarens over de problemen die de Gedichtenwedstrijd zou hebben. Ze (hij) analyseert dat alle winnende gedichten ‘stuk voor stuk inwisselbare schrijversvakschoolgedichten’ zijn. Stom was zelf ook ooit student aan de schrijversvakschool. Toevallig studeer ik momenteel aan de schrijversvakschool in Amsterdam en kan ik zeggen dat er veel verschil in het poëtisch werk van leerlingen zit, maar goed, ik dwaal af.
Het punt dat Aarens maakt is dat er steeds terugkerende elementen bij de winnende gedichten te bespeuren zijn, zoals een ongebruikelijk beeld, een ik-figuur die met iets ernstigs wordt geconfronteerd, etc. Verder schrijft hij dat de gedichten niet slecht zijn, dat er niet veel op aan te merken is, maar evenmin ook niet veel aan op te merken is. Nou heb ik niet alle winnende gedichten van de Gedichtenwedstrijd gelezen, en ben ik het niet helemaal met de analyse eens, maar ik snap wat Aarens bedoelt.
Bij veel gedichten in Heimweecafé ervaar ik namelijk eenzelfde soort gevoel. Er is weinig op aan te merken, kwalitatief zijn ze in orde, er schuilen mooie beelden tussen de woorden, maar vaker wel dan niet blijft het daar ook bij.
–
aan de straat heeft hij zijn ramen dichtgetimmerd
met het zwerfhout dat hij vond langs de rivier
een grijze lap onttrekt hem aan het zicht van elk geluid
achter de struiken in zijn tuin
–
ze eten buiten, de geluiden, roestvrij staal op aardewerk
vuile kreten in de zon, een vaderlijk vermaan
het is de klank van een bestaan dat hem verwart
hij haat geluid, de zon, verandering
–
elke herfst gaat op bevel zijn lap in de was
tenger hurkt hij in het licht en rookt als
een bezetene zijn sjekkies van de week, hult
zich in wolken waarin niemand hem verraadt
In dit gedicht wordt een beeld opgewekt van een eenzame man, verward door het bestaan, die zichzelf van de wereld heeft afgesloten. De laatste zin onthult dat hij in het verleden was verraden en suggereert dat dit de reden voor zijn afsluiting is. Het is een ontroerend beeld en het gedicht checkt allerlei technische en ritmische vinkjes af, maar daar blijft het dan ook bij. Er is voor mij geen prangende behoefte om het gedicht te herlezen of ergens met mijn gedachten te blijven hangen op een bijzonder beeld of betekenis. Deze schetsen van figuren, van heimwee, rouw, melancholie, zijn natuurlijk thematisch kloppend bij de bundel en ook bij het idee dat de bundel een café is waar heimwee zich verzameld, maar ik denk dat er meer in had kunnen zitten.
Nu ik mezelf teruglees, lijk ik haast negatiever over deze bundel dan over bundels die ik daadwerkelijk slecht vind en dat vind ik niet eerlijk. Er zitten namelijk ook voldoende gedichten in de bundel die mij als lezer een fijne kluif geven.
–
grondgebonden wezen in je bloes van oerkatoen
jouw benen: stammen in je eigen heuvelgras
als je me roept, zou ik je horen
maar je roept me niet
–
je blijft roerloos als ik naar je kijk
er is niemand die ons mist
Hier hoopt de ik dat het grondgebonden wezen in een bloes van oerkatoen – waarom oerkatoen? – naar de ik roept, maar het wezen zegt niks. In de tweede strofe blijkt dat het wezen de ik wel heeft opgemerkt. De laatste versregel maakt dit gedicht voor mij intrigerend. Er zit een zekere inherente lading aan deze versregel die je waarschijnlijk ook in andere contexten zou kunnen gebruiken, maar het sluit mooi aan bij de versregel ervoor. Ik krijg het gevoel dat er een verstandhouding tussen deze figuren is. Zowel de ik als de ander verkeren in een staat van totale eenzaamheid. Misschien is het grondgebonden wezen wel een vogelverschrikker, wat het beeld een nog diepere laag van eenzaamheid geeft.
–
ik ben getrouwd met een gestoorde vrouw, een gewone dag
doet ons geen goed, vroeg of laat is elke liefde hoogverraad
ze is zo hinderlijk van vlees en bloed
–
wanneer ze ademt, als ze lacht, ze drijf me in het nauw
in mijn hoofd zou alles kloppen als ze niet bestond, ik
droomde dat ze twee geslachten had, een op haar kruin
–
met mijn vingers zocht ik wat ze dacht, ik schrok
van wat ik vond, dus laat de rolluiken nu neer
vergeet dit ziek verbond en hou me vast
Het lijkt bijna alsof de ik het vervelend vind dat échte liefde bestaat, dat het van vlees en bloed is en niet alleen in je fantasieën. Het is té perfect om waar te zijn, dus vroeg of laat moet de liefde wel hoogverraad zijn. Ik ben er nog niet helemaal over uit wat de droom van twee geslachten, waarvan een op haar kruin, betekent (ik stel me nu een piemel op iemands voorhoofd voor, maar dat ligt waarschijnlijk aan mij). De laatste strofe onthult dat er iets ergs aan de hand is. De ik laat de twijfels los en houdt de ander vast. We weten niet precies wat er aan de hand is, maar dat beetje mysterie maakt, samen met de voelbare emoties, dit gedicht voor mij zowel mooi als interessant.
Heimweecafé is een enigszins veilig, maar prima debuut. Ik hoop dat Stom meer zal publiceren en in haar toekomstige werk van de bekende paden durft af te struinen, zonder zichzelf daarbij te verliezen. Ik moet denken aan de woorden van David Bowie: ‘If you feel safe in the area you’re working in, you’re not working in the right area. Always go a little further into the water than you feel you’re capable of (…) and when you don’t feel that your feet are quite touching the bottom, you’re just about in the right place to do something exciting.’
____
Bernadette Stom (2025). Heimweecafé. Uitgeverij U2pi, 85 blz. € 19,00. ISBN 9789493437425



