LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Merlijn Huntjens

23 apr 2026

‘Poëzie staat voor mij aan het begin van alle vormen.’

door Annet Zaagsma

 

Merlijn Huntjens is schrijver en dichter. In 2016, 2017 en 2018 stond hij in de finale van het NK poetry slam. Tegenwoordig is Merlijn programmamaker met en voor de literaire talenten aangesloten bij Wintertuin en leidt hij samen met Nina Willems collectief PANDA in de voormalige Oostelijke Mijnstreek in Zuid-Limburg. In oktober 2025 verscheen zijn debuutbundel onder mij de mat bij uitgeverij De Harmonie. Hij is zelf heel blij met zijn debuut maar kan niet wachten op de volgende. Zijn lievelingsdichter is Alfred Schaffer of Nachoem Wijnberg of Ester Naomi Perquin.

foto © Gaby Jongenelen

 

Merlijn, je bent een veelzijdig schrijver, dichter, programmamaker en performer. Je begeleidde bijvoorbeeld schrijvers die Nederlands leren in de Schrijfwerkplaats, combineerde film en poëzie in de prachtige cinepoem ‘Onder een dunne schil’, schrijft teksten voor theater etc. Wat voor plek neemt poëzie in in je werk?
Poëzie staat voor mij aan het begin van alle vormen. Het maken van kloppende redeneringen of het uitwerken van theoretische concepten voordat ik aan een werk begin, vind ik ongelooflijk moeilijk, zo niet onmogelijk. Volgens mij denk ik redelijk rommelig na. Poëzie schrijven is voor mij een manier om mijn denken te structureren, niet per se op het moment van schrijven zelf, maar na afloop, zeker wanneer ik gedichten na jaren weer teruglees.  Ik haal allerlei poëtische trucjes uit om op ideeën te komen, ook wanneer ik programma’s maak. Mensen betrekken, juxtaposities organiseren, veel ‘ja’-zeggen en daarna pas observeren, uitwisselen en nadenken. Dan komen de beelden vanzelf. Ik werk graag samen met mensen die dat goed kunnen.
Dat is één van de redenen waarom ik, net zoals veel versies van een gedicht maken, vaak één of twee pilots draai voor nieuwe programmalijnen binnen ons collectief in Heerlen, PANDA. Dan kan ik in de praktijk zien wat werkt. Op die manier kun je andere mensen vroeg betrekken bij het maakproces van een programma. Of in vertrouwen zaken uit handen geven zonder harde resultaten te verwachten. Die trage en zachte aanpak lijkt heel erg op hoe ik geleerd heb dat gedichten ontstaan. Op die manier werken heeft ook allerlei nadelen. Ik kan niet goed top-down redeneren, geef weinig directieve leiding, kan lang vaag en onduidelijk blijven of op afstand. Maar ook die eigenschappen zie ik als eigenschappen van dichters en gedichten.

In 2025 kwam je debuutbundel onder mij de mat uit. Wat is het voor ervaring om je eerste dichtbundel uit te brengen?
Gelukkig gaf ik al eerder een chapbook uit bij Wintertuin in 2022: de zee zwaait terug. Dat vond ik intens en heftig en maar een klein beetje vermakelijk. Door het uitbrengen van een chapbook kon ik oefenen met de impact van een werk op de wereld en op jezelf. Dat maakt debuteren een stuk gemoedelijker. Verder denk ik dat het uitbrengen van het daadwerkelijke boek het minst leuke onderdeel is van het hele maakproces. Je leert je eigen werk steeds weer opnieuw kennen, ook nadat het is uitgekomen. Ondanks dat een bundel gestolde gedichten in zich draagt, blijft op die manier het werk, of laten we zeggen, de achterliggende beelden voorbij de taal, levend. Des te vreemder is het om een boek uit te brengen: de wereld reageert toch op een boek alsof het een object is. Dat klopt ergens ook, maar voor mij blijft het werk dus in beweging.

In een interview met L1 Nieuws zeg je over het schrijven van de bundel: ‘Op een gegeven moment had ik vijftig gedichten en dacht ik: dit begint op een bundel te lijken. Ik heb die gedichten weer uit elkaar gehaald, stukjes gemengd, gesneden. Alles in overleg met De Harmonie. Je kunt het vergelijken met koken: een hele wortel leg je ook niet op een pizza. Pas na het snijden komt het gerecht samen.’ Kun je iets meer vertellen over dit proces? In hoeverre kun je gedichten uit elkaar halen en ze in andere combinaties weer in elkaar zetten?
Hannah Chris Lomans, waar ik toentertijd begeleiding van kreeg in de laatste fase van het makerstraject van Wintertuin, kwam met dit idee. Dat moet ergens aan het einde van 2024 of het begin van 2025 zijn geweest. Ik zag aan de gedichten wat het concept van de bundel ging worden maar ik voelde bijna geen lucht meer in het werk. Ik had de werken helemaal dicht geschreven als het ware, ik kreeg ze niet meer in beweging. Door ze letterlijk in stukken te knippen opende het werk zich weer en kon ik werken aan een intertekstuele dramaturgie. Dat kon ik doen omdat bijna alle gedichten in de bundel hetzelfde thema in zich dragen en putten uit dezelfde beeldenbron. Die metafoor van die wortel en die pizza vind ik nu ineens heel slecht gekozen, trouwens, ik zou er nu champignons van maken om het uit te leggen. Elke champignon is dan een gedicht, snap je? Bovendien: wie legt er überhaupt wortel op een pizza?

Volgens de podcast Poëzie vandaag van Ellen Deckwitz zijn de onderwerpen van je bundel onder andere ‘voorouders en vechtsport’. Dit vindt Ellen een ‘heerlijke explosieve combinatie van onderwerpen’. Hoe kijk jij naar de relatie tussen beide thema’s?
Ik doe al heel lang aan vechtsport. Mijn vader las in een wijkblaadje dat er een Taekwondomeester uit Korea op de Heksenberg in Heerlen woonde en daar een vereniging gestart was, samen met zijn dochters. Mijn ouders hebben een geniale beslissing genomen: mij in die vereniging zetten en daarnaast, tegelijkertijd, op de Vrijeschool gooien.
Mijn ervaring is dat door intensief te bewegen, te sparren om precies te zijn, na afloop zich allerlei beelden aan je opdringen. Die beelden kan ik goed volgen, ook al zijn ze niet eenduidig. Allerlei mensen, voorouders en trainers, herinneringen, kwamen op die momenten voorbij. Springlevend.
Ik kreeg het gevoel alsof ze onderdeel zijn van een huidige training die groter is dan het korte uurtje in de sportzaal. Maar wat die grotere training precies inhoudt? Ik heb werkelijk geen idee.
Soms denk ik ook: ik heb zomaar weer twee onderwerpen naast elkaar gezet om te onderzoeken wat er dan gebeurt. Dat lijkt arbitrair, maar de twijfels die ik heb over mijn methodes is dan wel weer onderdeel van mijn maakpraktijk: nooit precies weten wat je doet lijkt me een goede zaak.

Zowel Ellen Deckwitz als Anneruth Wibaut (de recensent van je bundel in Meander) bespreken je gedicht Het hart slaat rustig. Deckwitz: ‘De ‘ik’ in het gedicht staat op de mat en wordt geacht zich tijdens de worp te ontspannen en slap te houden omdat hij anders iets breekt. Tijdens de val wordt de tijd door de dichter vertraagd, hij kan nadenken over een gedicht en het licht door de vertraging zien flikkeren. Het hier en nu wordt een grote weidse vlakte waar de zwaartekracht er even niet meer toe doet.’ In dit gedicht en ook elders in je bundel wordt een relatie gelegd met fysica of metafysica. Wat is voor jou de samenhang tussen poëzie, (meta)fysica en vechtsport?
Een waanzinnig ingewikkelde vraag, als ik dit op een andere manier had kunnen uitleggen dan door gedichten te schrijven had ik waarschijnlijk geen bundel gemaakt, maar goed, ik ga toch een halfslachtige poging wagen. Ik hoop dat ik er mijn poëzie geen geweld mee aandoe.
Ik ervaar herinneringen als een actueel gegeven. Als een ‘nu-ervaring’, niet als een ‘toen-ervaring’ die achter me ligt. Ik bedoel met herinneringen niet: gedachtes aan vroeger. Ik bedoel zoiets als: ik besta ook in 1997 of in 2010 zoals ik hier besta. Zie je, nu wordt het vaag.
Doorgaans zijn we gewend geraakt het verleden achter ons te laten, of nog erger: te verwerken, maar voor mij loopt het verleden door in het heden en neemt het verleden ruimte in. Heel veel ruimte. Dat is haast een fysieke ruimte, een kamer, vandaar ook dat het, in mijn geval vechtende, lichaam voor mij een cruciale rol speelde in het contact maken met die beelden. Die onverwachte ervaringen heb ik onderzocht, uiteen proberen te zetten, door gedichten te schrijven. Ik zie het bijna als een soort notulen, een naslagwerk van iets dat ik niet anders onder woorden kan brengen. Dat die beelden en herinneringen voor mij doorsijpelen in het heden op allerlei manieren is voor mij net zo werkelijk, net zo alledaags als een fiets.

 

het hart slaat rustig

voordat hij me vastpakt
en de lucht in werpt als een zak vlees
zegt mijn trainer:

ga breed staan
zet je schrap
maar ontspan als je eenmaal boven bent
anders breek je misschien iets

op de radio onder mij
hoor ik
dat het nummer flowers over houvast gaat

daar heb ik nu weinig aan

een gedicht is een elektrolyt

maar daar heb ik ook weinig aan

in de ijle lucht één meter boven de mat
regent het onafgebroken
begint het licht te flikkeren

In je bundel ontmoet de ik-figuur o.a. een verloren hond, zijn voorouders en herinneringen. Wat voor rol speelt rouw in je werk?
Bij gebrek aan een beter woord inderdaad: rouw. Dat is het persoonlijke aspect aan de bundel, dat er een motor is die wordt aangedreven door verlieservaringen. Elke dag van mijn volwassen leven, heeft in het teken gestaan van doorlopend rouwen, zoveel is wat mij betreft helder. Bijna iedereen van mijn familie (inclusief alle dieren) waarmee ik opgroeide in Heerlen is, wederom bij gebrek aan een beter woord: dood.
Alle grootouders waarmee ik opgroeide zijn dood, mijn ouders zijn jong dood gegaan, de honden, de katten. Alles staat met dat gegeven, dat mensen waarvan ik gehouden heb, dood zijn. Die verbinding zie ik als iets liefdevols, als een bron of motor voor mijn werk maar ook voor mijn dagelijkse leven. Ik probeer te werken vanuit zorg en aandacht voor de dingen en de mensen, hoe moeilijk dat ook is op deze planeet in deze tijd.
Ik laat de doden lekker dichtbij komen in mijn alledaagse bestaan, ook wanneer ik naar de glasbak ga of mijn tanden poets, of wanneer ik een kaarsje opsteek in een kapelletje. Ik kijk heel goed naar mijn moeder, luister goed naar hoe ze geklonken heeft, weet hoe ze beweegt, wie ze was, wat ze liefhad en hoef er niet direct over te schrijven. Het is simpelweg te persoonlijk en daarom volledig onnodig. Ik heb mijn moeder al, dood en wel, dus hoef ik haar niet te zoeken in mijn gedichten. Wanneer ik gedichten schrijf, staan de doden juist wat meer op afstand toe te kijken. Dat is ook nodig wanneer je poëzie maakt, dat ze een beetje van een afstandje meekijken. Dan ben ik denk ik veel meer bezig met het uitkammen en onderzoeken van de, laten we het nu rouwkamer noemen, en de meerduidige beelden die daarin bestaan in plaats van het direct opzoeken van mijn eigen voorouders. Dat maakt het natuurlijk ook een vorm van autofictie: ik ben niet mijn eigen ervaringen aan het oplepelen maar ik put wel uit een bron die dichtbij staat. Hierbij maak ik een verschil tussen het direct representeren van bijvoorbeeld de ‘echte’ doden uit mijn leven en het gegeven dat levenservaringen indirect doorwerken in kunst. Aan het eerste doe ik volgens mij niet en het tweede heb ik zelf wanneer ik schrijf, gelukkig, niet zo door.
Misschien dat we anders met de levenden leren omgaan wanneer we de doden wat dichterbij laten komen zo nu en dan, en niet zo rücksichtslos vooruit proberen te kijken. Met het opschrijven van deze antwoorden ontdek ik ook weer veel, trouwens, het is niet zo alsof ik hier heel hard over heb nagedacht van tevoren. Ik heb, zoals ik al schreef, vooral gesport om de bundel te maken.

 

onder mij de mat

wil je hem onder de koude kraan houden
of zal ik een coldpack voor je halen

het hangt boven me iedere keer als hij me raakt
een zwerm vliegen een stationaire grijze wolk
die mijn vorm heeft en stolt
ik wil daar niet in

ik wrijf met mijn hand over mijn knie totdat die weg is
ik geloof dat ik daarom de hele tijd geluid maak
om te blijven
om niet mee te verdwijnen de wolk in

ik geloof dat alles gaat
ik probeer te staan
maar ik hang ondersteboven als een gezwollen oesterzwam
enkeldiep in mos hoog aan het plafond
te drogen in het stalletje

mijn opa komt binnen in een beige dikke jas
er steekt wat vulling uit bij zijn schouders
hij zoekt schroeven of zaden schudt wat met zakjes
stopt wat in zijn zakken

hij aait me maar laat me hangen
waarom laat je me hangen
ik laat je niet hangen
volgens mij kun je gewoon staan op die poot
wil je nog een rondje sparren

In 2020 startte je met een talentontwikkeltraject bij Wintertuin, onder andere omdat je je makerschap steviger wilde neerzetten. Wat betekent dat?
Nadat ik drie keer in het NK poetry slam gestaan heb en in 2019 stadsdichter was geweest in Heerlen merkte ik dat mijn – daar gaan we weer – beeldenbron een beetje opdroogde. Niet door een gebrek aan inspiratie of iets dergelijks, maar door een teveel aan ander werk. Ik organiseerde vooral nog ruimte voor andere makers in plaats van voor mijzelf. Ik vroeg aan Kim van Kaam van Wintertuin of we konden werken aan een omkering: meer ruimte maken voor mijn eigen praktijk als dichter en dat dichterschap leren zien als basis voor alle andere uitingsvormen, inclusief het organiseren en maken van programma’s. Het resultaat: de omkering heeft nooit écht helemaal plaatsgevonden. In plaats daarvan doe ik nu alles wat ik al deed, maar dan als dichtende dichter. Kortom: per saldo nog meer werk, maar wel vanuit een andere positie. Het is hard nodig in Zuid-Limburg, een bruisende eigenzinnige literaire scène bouwen. Daar gaan we voor.

Je werkt regelmatig samen met andere schrijvers en kunstenaars. Is dat altijd zo geweest, hoe heeft je schrijverschap zich ontwikkeld? Hoe verhoudt het zich in relatie tot de (buiten)wereld?
Dat is altijd al zo geweest inderdaad, mijn ideeën en beelden ontstaan doordat ik me tot andere mensen verhoud, dood of levend haha. Ik geloof niet dat ik werk kan maken wanneer mijn praktijk geïsoleerd zou zijn, daar moest ik wel even achter komen. Blijkbaar probeer ik collectieven op te richten, breng ik gemeenschappen samen. Samenwerken is niet alleen iets dat gaat over ‘kunst maken’. Het is meer dan een productiemethode. Het is een oefening in zorgzaamheid voor jezelf en de ander, eigenlijk doodgewoon.

Stel je zou een regel uit een van je gedichten in de openbare ruimte mogen plaatsen. Wat zou die regel zijn en waar zou je die het liefst (op) willen zien?
Laat het buurtcomité daar maar lekker over stemmen in het gemeenschapshuis! Ik word graag verrast wat dat betreft en, natuurlijk, héél héél erg goed betaald.

Tot slot: wat kunnen we de komende tijd qua poëzie van jou verwachten?
onder mij de mat is volgens mij een best toegankelijke bundel geworden. Ik blijf natuurlijk wel een beetje op dezelfde manier doorschrijven en wie weet wordt het ook nog een keertje echt heel erg weird in de toekomst. Ik zal binnenkort weer eens wat opsturen naar tijdschriften of naar mijn redacteur, ben benieuwd wat de mensen te zeggen hebben. Het leukste is de fase waar ik nu weer in zit: het ontdekken van nieuw werk, een nieuwe wereld waar ik in kan opgaan.

 

de laatste dag voor de volgende

een discotheek wordt heropend
in het pand van de oude dancing
de bar is belegd met neonlichten
luxe krapuul drinkt mexicaans bier van de duitse aldi
fatbikes staan strak naast elkaar in de gang
hun zwarte frames blinkend als zijden paardenvachten in de zon
op de heide
uit het witte zand stijgen spitse stralen op

mijn toekomstige kinderen zullen chillen met bikers
op een daarvoor aangewezen hangplek in de wijk
omdat ze kunnen boxen breien
wordt ze vanzelf een positie in de roedel beloofd
die ze vervolgens terecht krijgen

rappers van mijn generatie hebben een zwarte band in bargevechten
vocalisten van metalcorebands nemen videoclips op in een nepwoestijn
in de buurt van mijn oude woonwijk
ze kruipen door het zand op zoek naar water

een driehoekig ruimteschip landt
onopgemerkt verderop op de vlakte
want iedereen loopt de dancing binnen
en danst luid en redelijk ongemakkelijk in de gloria

 

     Andere berichten

Interview Martin M. Aart de Jong

'Ik ben het type X45ErQ99, en daarvan de b variant.' door Alja Spaan   ‘Mijn naam roept al direct complicaties op. Soms ben ik drie...

Interview Froukje van der Ploeg

Interview Froukje van der Ploeg

‘De basis van alle kunsten is kijken en je verbazen’ door Annet Zaagsma   Froukje van der Ploeg is dichter en woont en werkt in...

Interview Maarten van den Berg

Interview Maarten van den Berg

‘Het leven is fragiel. Alles kan in één moment eindigen. Dat probeer ik te vangen.’ door Mirthe Smeets   Maarten van den Berg (1970)...