Klassieker 19: J.H. Leopold – Staren door het raam

door Henk Ruijsch

Meander Klassieker 19

Henk Ruijsch noemt ‘Staren door het raam’ van J.H. Leopold een zeer muzikaal gedicht: het is fraai qua dichtvorm en enjambement, “maar toch is dit allemaal ondergeschikt aan het beeld, aan het symbolisme in dit gedicht.”

Staren door het raam

Er is een leven in wat bewegen,
de takken beven een beetje tegen
elkaar. Een even beginnen schudt
elke boom: een bezinnen dit,

een schemeren gevend van eerste denken,
met loome vingers gaan zij wenken
wenken, wenken, brengen uit
een vreezend meenen nauw geuit.

En lichte dingen, herinneringen
lispelen zij, vertrouwelingen,
zouden wel willen, willen ­dan dood
staan zij in de lucht, de boomen bloot.

De lucht, die leeg is en zonder ziel,
waar uitgetuimeld de wind uitviel.


J.H. Leopold (1865 – 1925)

Uit: Verzen (1913)
Uitgever: Brusse

In zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885 – 1985 (4e dr. 1990) gebruikt Ton Anbeek dit bekende gedicht van Leopold om er het Symbolisme mee te illustreren. Het symbolisme zou in 1886 in Frankrijk ontstaan zijn door een artikel van Jean Moréas in de Figaro; Anbeek verwijst verder naar de studie van S. Dresden (Symbolisme, Amsterdam, 1980), alsmede naar The symbolist Movement in the literature of European Languages van A. Balakian (Budapest, 1982).

Symbolisten tonen een reactie op het heersende realisme en naturalisme en richten zich daarbij op een hogere wereld. Ook geven zij volgens Anbeek blijk van een zekere afstandelijkheid met betrekking tot het ‘volle’ leven. In Nederland zijn de meningen over het symbolisme verdeeld. Sommigen noemen alle dichters van de ‘poëzie van Tachtig’ symbolisten, maar dat lijkt Anbeek onverstandig. Hij rekent Gorter, die op Leopold grote invloed had, hier echter zeker wel toe en noemt in dit verband ook Boutens. Ook de dichters Verwey, Dèr Mouw en A. Roland Holst rekent hij (in ieder geval voor een groot deel van hun werk) tot de symbolisten.

Het symbolisme kan meer materieel of meer spiritueel van aard zijn (vaak is er een vermenging van beide). Er wordt ook wel gesproken van ‘human’ en ‘transcendental’ symbolisme, maar dit komt Anbeek niet gelukkig voor, omdat beide vormen immers ‘menselijke’ aspecten vertonen. Voor de spiritueel-transcendente invalshoek gebruikt hij daarom liever de term ‘stemmingssymbolisme’.

Het is een uitstekende keuze van Anbeek om bij zijn behandeling van het symbolisme gebruik te maken van het in 1897 in De nieuwe Gids verschenen ‘Staren door het raam’. “Dit gedicht, waarover ik met liefde vele bladzijden zou uitweiden…” is zijn eerste zin en daarna noemt hij de vermenging van het materiële en het spirituele en wijst hij op de beweging van de takken in de eerste strofe en hoe dit met ‘bezinnen’ tot iets ‘hogers’ wordt wat ‘tot leven wil komen’ en hoe dit dan aan het eind teniet wordt gedaan door de windstilte.

Hij onderscheidt in dit gedicht drie niveaus :

  1. een plaatje van takken die bewegen en weer stilstaan;
  2. een herinneringsproces dat op gang wordt gebracht en stokt;
  3. een aanzet tot poëzie (het ‘bezinnen’) die blijft steken.

Werkwoorden krijgen hier een zelfstandigheid in de vorm van een soort ‘ding’ (een bezinnen) als onderwerp of ‘een vreezend meenen’ als lijdend voorwerp. Prachtig is hier de oude spelling. (Wat wordt er vaak veel moois verwoest door in gedichten de spelling aan te passen!)

Natuurlijk is ‘Staren door het raam’ ook fraai qua dichtvorm en enjambement, waar de driedubbele herhaling van ‘wenken’ in de tweede strofe aan meewerkt, maar toch is dit allemaal ondergeschikt aan het beeld, aan het symbolisme in dit gedicht. Immers, wie de wind wel eens goed heeft geobserveerd in sommige bomen, bijvoorbeeld linden, ziet vaak de blaadjes afzonderlijk een eigen gedrag vertonen, buiten het gestaag zwiepen van de takken. Een beweginkje per blaadje: ‘wenken, wenken, wenken…’

In ‘ziekentroost’ dicht J.C. van Schagen:

‘…als ik nu doodga
zal de grote wind mij nemen
en ik zal zijn in zijn eeuwig zwerven
ik zal zijn in de drift der wolken en in de diepe ontroeringen van de herfst…’

Het is een mooi voorbeeld van symboliek waarbij de lucht zelf centraal staat, een eigen ziel heeft. Bij Leopold komt het gedicht op de eerste plaats: het symbool zelf is (of heeft) de ziel en de lucht is spelbreker.

In het gedicht kunnen nog meer onderniveaus worden onderscheiden. Namen in de eerste strofe de takken al ‘nieuw leven’ aan in ‘bezinnen’, in de tweede is sprake van een mening. In de derde strofe, die een nieuwe zin vormt, uiten zij zich zelfs, al hebben zij nog niets ervaren en brengen zij het slechts tot ‘herinneringen’. Zij zijn ook ‘vertrouwelingen’. Van wie??? Het mystieke aspect heeft een leven op zich.

Anbeek gaat niet in op de titel. Het zij hem vergeven, want hij gebruikt het gedicht immers alleen als voorbeeld, maar de argeloze lezer zal er misschien ook aan voorbijgaan. Het gedicht heet ‘Staren door het raam’. Het heet niet ‘Bevende takken’, ‘Een bezinnen dit…’ of ‘Herinneringen lispelen zij..’. Het is iets dat toegevoegd is, namelijk de dichter zelf. Het is dus allemaal opgekomen in het hoofd van de beschouwer. Bovendien staat de dichter niet in een windvlaag buiten te kijken naar de boom, maar is er nog de ‘sluier’ van het raam waar hij starend voor staat.

Tenslotte nog de opmerking dat dit een zeer muzikaal gedicht is. Over de invloed van muziek zijn de meningen verdeeld. Bij Anbeek staat : “Zo waarschuwt Dresden ervoor het belang dat de symbolisten hechtten aan muziek als hoogste kunstvorm niet te overschatten. Dorleijn daarentegen legt de symbolische eerbied voor de muziek als volgt uit: Muziek wijst niet naar enige zichtbare werkelijkheid, ‘gaat nergens over’ en dat is precies wat deze dichters willen, namelijk iets van hogere orde oproepen, suggereren” (G.Dorleijn: ‘Het sterkste werkt wat is weggelaten, J.H. Leopold als symbolist’, in Literatuur 1, 1984)

Wie van de muzikaliteit wil genieten leze het eens hardop met de nodige accenten. De eerste twee strofen bij voorbeeld als volgt (interpunctie aangepast, bij de streepjes een korte, haast aarzelende pauze aanhouden):

Er is een léven in wat bewégen, de takken béven een beetje tégen_elkáár, een éven
begin_nen schùdt elke boom, een bezin_nen dit, een schémerend géven van éérste dènken,
met loo-oome vingers gaan zij w e n k e n … w e n k e n …w e n k e n, brengen uit_een vréé_zend méénen, nauw ge_uit.

De dichter J.C. Bloem schreef 22 juni 1925 een ‘in memoriam voor J.H. Leopold. (te lezen in zijn bundeltje Doorschenen wolkenranden, 1958, Bert Bakker, Ooievaar-pocket nr 78). De slotzin luidt:

“Tegenover hem, die in ons land niemand, die in het buitenland slechts een heel enkele – een Yeats, een George – als zijns gelijken had, stond men als tegenover een gedeeltelijk al aan den tijd ontheven verschijning, naast wien de grootste gebeurtenissen van den tijd hun beslag verloren, een openbaring van iets onuitsprekelijks, die in de komende jaren hun, die hem hebben gekend, hoe weinig ook of zelfs alleen uit zijn werken, als iets oneindig kostbaars de gedachte zullen doen gevoelen: ‘Ik heb in denzelfden tijd geleefd als hij’.”

Geplaatst in Klassiekers.