Klassieker 30: Ed Leeflang – De vader van de baby Constantijn, wat hem

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 30

In het titelloze gedicht met de beginregels ‘De vader van de baby Constantijn, wat hem / voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet’ verbindt Ed Leeflang nadrukkelijk de zorg voor zijn eigen kind met het beroemde gedicht dat Vondel schreef na het overlijden van zijn zoontje. Een analyse door Joop Leibbrand.

*

De vader van de baby Constantijn, wat hem
voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet.
Precieze dromen moet ik ’s nachts wel uit,
naar de keuken en ik wil dan nog een uur
op een bevriende stoel.

Niet de geringste engel zou er voor
hebben gevoeld verder te gaan
met haar broze, bedreigde lichaam.

Hij heeft veel te veel bedoeld.
Ik kom niet uit met zijn stoïsch verdriet
en niet met zijn troostrijke orde.

Hoe waar zijn die in zijn huis
trouwens geworden?

Want de moeder schreef het niet.


Ed Leeflang (1929 – 2008)

Uit: Bewoond als ik ben (1981)
Uitgever: De Arbeiderspers

Het hart van Leeflangs bundel Bewoond als ik ben wordt gevormd door de afdeling ‘Een groene linnenkast’, zeventien titelloze gedichten over zijn ernstig geestelijk en lichamelijk gehandicapte dochtertje. ‘De vader van de baby Constantijn, wat hem’ is hiervan het achtste gedicht, waarmee het dus een centrale plaats inneemt. Het kan niet anders of Leeflang moet zich hierin duidelijk uitspreken over datgene waardoor hij ‘bewoond’ wordt.
“Er is een kind in mijn leven/” schrijft hij in het tweede gedicht, “dat niet goed spelen kan en/ niet goed denken, maar verdriet,/ heimwee en pijn gaan niet/ langs haar heen.” Direct daarop staat in het derde gedicht: “De eerste maanden reden we naar/ het ziekenhuis in een onbeheerst/ rode eend.// Zo ongeneselijk als ze geworden was,/ zo was ze”. “Ondoordringbaar”, noemt hij haar in een ander gedicht, waarin ook staat: “Zij heeft verstarde tweewoordszinnen/ en soms een heersend trefwoord, honderd/ keer herhaald, voor wat ze leed of/ deed. Ze maakt geen plan, is onderworpen/ aan gewoonten en leidt alleen in ons/ en anderen een leven waar zij zelf/ ternauwernood van weet.”
In het allereerste gedicht van deze reeks zegt hij “Lang heb ik niet over haar durven schrijven”, maar al in de indrukwekkende debuutbundel De hazen en andere gedichten (1979) stonden vijf gedichten over haar, waaronder ‘Het kind’: “Alleen maar liefde geeft ze ons/ om geen reden kan ze ons haten,/ (…) haar beentjes zijn zo mager/ haar rug is misschien gebogen/ omdat geen doel haar meestal/ benedenwaartse blikken kan verhogen,/ haar vingers zijn dun, handen die/ niet wennen aan vorken of pennen”. In het gedicht dat volgt stelt hij vast: “toch nadert haar puberteit/ en de kleuter komt al niet af”. In het vierde gedicht gaat hij terug naar het begin. Hier volgt het in zijn geheel:

Drie dagen twijfelde haar lichaam diep
en bleef een jaar van huis:
elke dag over dijken, zeventig
kilometer heen en terug,
een koorts die niet wist van wijken

ik moest afstuderen, dacht ik,
met rederijkers aan mijn hoofd;
hun toneel verwijst naar de zaligheid
en de zinnen die ons misleiden
ver van genade en geloof

verdriet brak de wereld af
en legde onze zinnen in het graf,
maar ik wilde niet mee
en schaamde me tevens: onder
die witte schorten ademden
de verpleegsters, in hun loop
over de gangen zat iets gedrevens;
ik begeerde wel niet, maar toch
ik wist: mijn levenswil eerder
dan mijn verdriet vernielt
straks onze levens.

Twee elementen uit dit gedicht zijn belangrijk voor de bespreking van onze ‘Klassieker’: het feit dat de jonge vader Nederlands studeert (en hij dus – dat was toen nog zo – niet alleen de hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur paraat heeft, maar ook de levensinzichten van het geloof kent dat die teksten vaak domineert), en dat er iets gezegd wordt over de invloed die het verdriet om dit kind zal gaan hebben op de huwelijksrelatie, omdat er een essentieel verschil is in de wijze waarop de ouders reageren op het noodlot dat in hun leven viel.
’De vader van de baby Constantijn’ is natuurlijk Joost van den Vondel (1587-1679), de dichter van ‘Kinderlijck’ (1632):

Kinderlijck

Konstantijntje, ’t zaligh kijntje,
Cherubijntje, van om hoogh
d’Ydelheden, hier beneden,
Uitlacht met een lodderoogh.
Moeder, zeit hy, waerom schreit ghy?
Waerom greit ghy op mijn lijck?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engheltje van ’t hemelrijck:
En ick blinck’ er, en ick drinck’ er,
’t Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen, die daer krielen,
Dertel van veel overvloets.
Leer dan reizen, met gepeizen,
Naer palaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt:
Eeuwigh gaet voor oogenblick.

Het is een bekend verhaal: Al bijna een jaar werkt Vondel aan wat zijn magnum opus gaat worden, de Constantinade, een groot epos over Constantijn de Grote dat uiteindelijk twaalf boeken moet gaan tellen. Als zijn tweede zoon geboren wordt, wil hij zijn kind Constantijn noemen. Zijn vrouw Maaiken protesteert, maar stemt uiteindelijk in met ‘Konstantijn’. Vrij kort na de geboorte overlijdt het jongetje en Vondel, die had gehoopt twee ‘volwassen’ Konstantijns te kunnen scheppen, verliest daarmee beide, omdat hem gaandeweg (ook door veel ander leed dat hem overkomt) de lust ontbreekt het werk te voltooien. Uiteindelijk zal hij wat hij geschreven heeft zelfs vernietigen.
Wat Vondel bij de dood van zijn zoontje (haast letterlijk) “voor ogen zweefde”, “stuit en kalmeert mij niet”, zegt Leeflang, want hij kan weinig beginnen met die ‘troostrijke orde’, waarin dankzij een goddelijk heilsplan het gestorven kind als engeltje voor altijd deel zal hebben aan het opperste geluk.
Het was de gangbare opvatting, het verlies van het kind garandeerde tegelijkertijd het eeuwig behoud. Rembrandt schilderde bijvoorbeeld Hendrikje Stoffels met haar overleden dochtertje in de armen en beeldde daarbij het ‘herboren’ kind af als een gevleugeld engeltje, dat werkelijk zo zou kunnen wegzweven. Op de gezichten geen spoor van smart; serene, zekere rust is wat ze uitstralen.
Ook Vondels ‘stoïsche’ manier om met verdriet om te gaan, is hem vreemd. Er is geen sprake van dat hij kalm en beheerst zijn persoonlijke leed als iets onvermijdelijks heeft aanvaard en in ‘vastheid des gemoeds’ deze bittere levenservaring vredig en harmonisch in zichzelf heeft geïntegreerd. (Het heeft hem wel sterk beziggehouden; in een van de andere gedichten schrijft hij in een opsomming van wat het meisje had moeten leren: “en misschien zelfs hoe je aan het lot/ behaagt door je er niet meer/ van af te keren.”)
Waar Vondel benadrukt hoe belangrijk het is zich door geestelijke oefening – het kan geleerd worden! – het hemelse geluk voor te stellen, krijgt Leeflang alleen maar heel concrete nachtmerries, de ‘precieze dromen’ waar hij ’s nachts uit moet. Hij heeft de bittere vaststelling moeten doen, dat in de hemel zijn naar lichaam en geest imperfecte meisje kennelijk niet gewenst was, dat het ‘volmaakte’ deze vorm van ‘inferioriteit’ bewust buitensloot: “Niet de geringste engel zou er voor/ hebben gevoeld verder te gaan/ met haar broze, bedreigde lichaam”. Uit deze gedachte, die lijnrecht ingaat tegen de gebruikelijke christelijke opvatting dat juist het arme en zwakke verhoogd zal worden, blijkt hoeveel onrechtvaardigheid Leeflang ervaart in het lot dat hem (en haar) is opgelegd.
Over de eeuwen heen trekt Leeflang vervolgens de vaste, kalme zielenrust in huize Vondel in twijfel. Een gewaagd standpunt is dat allerminst. Al vaker is er op gewezen dat die ‘onaandoenlijkheid’ voor een groot deel ook sociaal gewenst gedrag was, een min of meer vanuit de christelijk-klassieke cultuur voorgeschreven ‘pose’; de sterkte van Vondels verdriet zou dan ook beter kunnen worden afgemeten aan de verdere lotgevallen van de Constantinade.
Ten aanzien van de moeder lijkt de regel “Want de moeder schreef het niet” nogal overbodig, want Vondel maant zijn huilende en klagende vrouw immers zelf al omhoog te kijken en meer te letten op het eeuwig belang van haar kind dan op de vergankelijkheid van al het aardse, inclusief haar eigen tijdelijke verdriet. Zij demonstreert voor haar man “de zwakhejt der sex in zoodaanigh ongeval”, zoals Hooft het in een vergelijkbaar verband uitdrukte.
Het is Leeflang met de apart geplaatste slotregel over de moeder om iets anders te doen. Keren we nog even terug naar de eerste strofe. Als het hem ’s nachts bij de strot grijpt, moet hij er uit, wil hij “op een bevriende stoel” (mooi voorbeeld van een indirect gebruikt adjectief), wat niet anders wil zeggen, dan dat hij die thuis niet vindt. Hij moet weg, want het verdriet en de opstandige onmacht kunnen met de moeder niet gedeeld worden. De laatste regel suggereert dat ze er helemaal niet is. Waarom niet? Ook daarover geeft deze regel uitsluitsel: “de moeder schreef het niet”: in hoe de dichter met het verdriet, het lot, het leven omging, kon de moeder niet meegaan. Het moet fnuikend geweest zijn voor de relatie.
Ook in Bezoek aan het vrachtschip (1985) staan nog twee gedichten over de dochter, misschien wel de mooiste die hij geschreven heeft: ‘De veren’ en ‘Groot hoefblad’. In dat laatste gedicht schrijft hij: “Iemand verwekt te hebben is een los gelijk/ in het omringend licht van onverschilligheid,/ in slechte dagen is het ook onkuis.// (…) niets wat er groeit uit ons,/ niets van gedachten of van vlees,/ weten wij voor erger te behoeden.”
Ter afsluiting volgt hier bij wijze van toegift nog het gedicht dat onlosmakelijk met ‘Kinderlijck’ verbonden is: de elegie die Hubert Kornelisz. Poot (1689 – 1733) in zijn laatste levensjaar voor zijn dochtertje moest schrijven. Kijk en vergelijk!

Op de doot van myn dochtertje

Jakoba tradt met tegenzin
Ter snode werelt in;
En heeft zich aen het endt geschreit,
In haere onnozelheit.
Zy was hier naeu verscheenen,
Of ging, wel graeg, weêr heenen.
De moeder kuste ’t lieve wicht
Voor ’t levenloos gezigt,
En riep het zieltje nogh te rug:
Maer dat, te snel en vlug,
Was nu al opgevaren
By Godts verheugde schaeren.
Daer lacht en speelt het nu zo schoon,
Rontom den hoogsten troon;
En spreit de wiekjes luchtigh uit,
Door wee noch smart gestuit.
O bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons ’t klagen.
Geplaatst in Klassiekers.