Klassieker 51: W.F. Hermans – Bewaakte overweg

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 51

Joop Leibbrand buigt zich over ‘Bewaakte overweg’ van W.F. Hermans, de schrijver die meer herinnerd wordt om zijn romans dan om zijn gedichten. Het gedicht is een mooi voorbeeld van hoe een dichter gebruik kan maken van ‘iconiciteit’, d.w.z. van het zich zo goed mogelijk in taal en vorm laten afspiegelen van de inhoud.

Bewaakte overweg

De wit en rode zuurstangen van het verbodene
Kantelen, terwijl ze breder worden.
– Aldoor bellen die waanzinnig worden
Aangehitst door omgekochte seinen
Tot eerbetoon aan dolgeworden treinen.

Als ik op ‘t hek leun: plotseling bedaren.
Een overrompeld, in ontzetting, staren.
Palen houden eindeloze snaren
Omhoog in bundels die ertussen dalen.

Hun kandelabers kammen het geruis
Van hese en veeltonige elektronen.
Nergens een huis. Alleen de weg. Geen bomen.

Ik haat de snelheid die de mijne kruist
Tomeloos, als slaap de vaart der dromen.

De trein ijlt in een mantel van gefluit.
Zijn haar een witte, overzware stroom.
Zijn hart tikt haperend op de stalen sporen.
– Moeder! – Mijn woorden smoren in geluid.
Haar wuiven gaat verloren onder stoom.


W.F. Hermans (1921-1995)

Uit: Overgebleven gedichten, vierde vermeerderde druk (1982)
Uitgever: De Bezige Bij

Dat Willem Frederik Hermans door velen beschouwd wordt als de grootste Nederlandse prozaïst van na de Tweede Wereldoorlog, ontneemt enigszins het zicht op het feit dat de jonge auteur Hermans zich aanvankelijk vooral als dichter manifesteerde, want van de vijf publicaties van voor zijn definitieve doorbraak met De tranen der acacia’s (1949) en Ik heb altijd gelijk (1951) betroffen er drie poëzie: Kussen door een rag van woorden (1944, zijn officiële debuut), Horror coeli (1946) en Hypnodrome (1948). Daarna was het vrijwel over, al staat er in Overgebleven gedichten (1968) naast een keuze uit Horror coeli en Hypnodrome ook een tiental nieuwe gedichten; maar geen daarvan heeft een latere datering dan 1953. Uit het feit dat Hermans regelmatig instemde met een herdruk van de Overgebleven gedichten, mag worden afgeleid dat hij zichzelf toch ook altijd als dichter is blijven zien, een dichterschap dat hij zelf nadrukkelijk plaatste in de traditie van de door hem bewonderde Hendrik de Vries. Onomwonden verklaarde hij hierover: ‘Het kan best zijn dat er enige verwantschap is, of zeg maar ronduit beïnvloeding’.

‘Bewaakte overweg’ is afkomstig uit Horror coeli, een titel die gevormd zal zijn naar analogie van ‘horror vacui’. (Mogelijke vertaling: ‘de verschrikking van de hemel’, ‘dodelijke angst voor de hemel’.) In vijf strofen wordt beschreven hoe een ik-figuur bij een spoorwegovergang in een soort niemandsland (‘Nergens een huis. Alleen de weg.’) wacht op het passeren van een trein. Er gebeurt weinig bijzonders: de alarmbellen rinkelen, de spoorbomen gaan naar beneden (het al lang niet meer gangbare type met het scharnierende hekwerk), de ik leunt op het hek, de door een fluitende stoomlocomotief getrokken trein gaat voorbij, met daarin naar het schijnt de moeder van de ik. Dat is alles, maar de woordkeus die alles onder spanning zet, de opgeroepen geheimzinnige droomsfeer, de vele personificaties die ervoor zorgen dat de ‘dingen’ en de gemoedsgesteldheid van de ik wederzijds gaan corresponderen en vooral het opvallende, vergeefse streven naar contact in de laatste twee regels maken het tot een intrigerend gedicht.

Van een gewoon oponthoud bij een overweg lijkt in ieder geval geen sprake. Bellen worden tot eerbetoon aan ‘dolgeworden’ treinen ‘waanzinnig’ (zonder enjambement) of worden waanzinnig ‘aangehitst’ door ‘omgekochte’ seinen; en als ze – magisch effect van het leunen? – plotseling bedaren, voelt de ik zich ‘overrompeld’, raakt hij ‘in ontzetting’, een werkelijkheidservaring die de weggebruiker op lijkt te nemen in de ‘ontspoorde’, surrealistische wereld van een Dali, Margritte of desnoods Willink. Niet voor niets telt het gedicht qua strofelengte (vijf – vier – drie) af naar het moment vlak voor de trein voorbij zal komen, de vierde strofe, waarin slaap en dromen expliciet genoemd worden.

De ik heeft een droom over iets verbodens, iets gevaarvols dat de gemoedsrust van de slaap verstoort, dat ‘bewaakt’ moet worden, waarover door elektriciteitsdraden, ongetwijfeld hoogspanningskabels (de kandelabers zullen wel isolatoren zijn), geheimzinnige boodschappen worden doorgegeven (het ‘hese’ en ‘veeltonige’ ‘geruis’). Van dat ‘verbodene’ gaat zowel een grote dreiging uit als een zekere verlokking (de ‘zuurstangen’ zijn wat dat betreft duidelijk), alles draait erom. Niet voor niets neemt ‘verbodene’ verstechnisch gezien een opmerkelijk plaats in. Vrijwel alle regels tellen tien of elf lettergrepen, maar r. 1 telt er veertien, waarmee ‘verbodene’ direct opvalt, zeker bij tweede lezing. Dit wordt nog benadrukt, doordat het als enige een weesrijm is (verder kent het gedicht met volrijm, klinkerrijm en rime riche (r.2/3) een heel gevarieerd, maar consequent eindrijm).
Wat is nu dat ‘verbodene’? Het gaat natuurlijk om meer dan het zonder beveiliging vermorzeld kunnen worden. Het moment waarop de trein passeert, is het moment waarop de ik – letterlijk – om zijn moeder roept. Zoals zijn roepen vergeefs is, blijft haar eventuele zwaaien onzichtbaar. Contact tussen moeder en zoon blijkt onmogelijk te zijn, wat in beide gevallen wordt veroorzaakt door de locomotief, die door de nadrukkelijke personifiëring (‘ijlt’, ‘mantel’, ‘haar’, ‘hart’) niet anders dan als de vaderfiguur gezien kan worden. Zo gelezen gaat het gedicht dus over de onmogelijkheid van contact tussen een zoon en zijn ouders (waarbij met name de vader het contact tussen moeder en zoon lijkt te verhinderen en hoe die ‘relatie’ aan de ene kant gedomineerd wordt door irrationele angst en dreiging, aan de andere kant door een geheimzinnige noodzaak deze te weerstaan. En op het moment dat ze elkaar gevaarlijk dicht nabij komen, is de afstand in het niemandsland van het leven het grootst.

Zoals bij bijna alle gedichten die in de ikvorm geschreven zijn, is het ook hier verleidelijk om een autobiografische invalshoek te veronderstellen. ‘Romanschrijvers projecteren hun psychische omstandigheden op de personages van hun eigen romans”, zei Hermans ooit in een interview met G.H. ‘s-Gravesande. Voor dichters is dat ten aanzien van hun hoofdfiguren vaak niet anders en daarom is het niet zo moeilijk om een belangrijk deel van de inhoud op Hermans zelf te betrekken.
Toen hij dit gedicht schreef, was hij nog niet zo lang uit huis. In ieder geval woonde hij nog tot 1943 / ’44 bij zijn ouders, die bekend stonden om hun zuinigheid en angstvallige bekrompenheid. ‘Onze jeugd was niet vrolijk. Dit had allerlei oorzaken, algemene zoals de crisistijd, waardoor mijn vaders salaris achteruit ging, bijzondere, zoals het grote leeftijdsverschil tussen mijn ouders en hun kinderen’, verklaarde Hermans later. Vader Johannes (hoofdonderwijzer) was van 1879, moeder Hendrika Hillegonda Eggelte (onderwijzeres) van 1884. Zij overleed in 1967, zodat mocht het gedicht over de ‘echte’ moeder gaan, er geen sprake is van een contact met gene zijde. Over haar werd gezegd dat ze bangelijk van aard was en dat haar hele leven in het teken van de weigering stond. ‘Zij begon altijd met alles niet goed te vinden en kwam zelden of nooit tot andere gedachten. Ze had een heel gamma van ontkennende en verbiedende uitdrukkingen.’
‘Een onaangename jeugd heeft het voordeel dat je er niet naar terugverlangt, later, op een leeftijd waarop je niet zoveel neiging meer hebt veel van de toekomst te verlangen. Ik verlang naar niets wat voorbij is terug’, zei Hermans verder, maar toen had hij al ruim afstand kunnen nemen.
‘Bewaakte overweg’ zit nog heel dicht op zijn leven en het lijkt een mooi voorbeeld van hoe een dichter psychische spanning niet van zich af schrijft, maar omgekeerd, hoe hij zich er juist in schrijft.

In 1953 schreef Hermans een ander gedicht waarin een moeder voorkomt en dat eveneens gaat over de onmogelijkheid tot contact:

Moeder en zoon

Zij komt aangelopen,
maar het terrein is juist die dag verboden.
En zo gesloten als de gelederen
van de woorden waarmee hij haar heeft afgezworen.

Zij staat zo onbeholpen op het verlate strand
– Haar voet al in de branding –

Zij wil openen
Met een sleutel van chocolade
Die smelt in haar hand.


Nog enkele opmerkingen tot slot.

‘Bewaakte overweg’ is een mooi voorbeeld van hoe een dichter gebruik kan maken van ‘iconiciteit’, d.w.z. van het zich zo goed mogelijk in taal en vorm laten afspiegelen van de inhoud. Niet alleen geldt dat voor het ‘aftellen’ van de strofen, waarbij het in de laatste van vijf ‘duurt’ voor de trein voorbij is, het zit duidelijk ook in de klank van het gedicht, waarbij de vele [oo’s] en [aa’s] al vanaf de titel de expressie zijn van de raadselachtige maar gevaarvolle, verboden droom waarom het hier gaat.
In een interview met Fons Elders (1968) verklaarde Hermans, dat hoewel Freuds theorie is dat slaap behouden moet blijven en dat de droom er is om de slaap te beschermen, het precies omgekeerd is, dat de slaap dient om de droom te beschermen. Proefpersonen van wie men de slaap onderbrak telkens op het moment dat zij gingen dromen, werden binnen vijf dagen gek, dus dromen zijn essentieel voor het bestaan. Als hij anno 1946 al dezelfde mening was toegedaan, was de droom in ‘Bewaakte overweg’ dus in zekere zin levensreddend. In ieder geval een weg die hij moest gaan.

Geplaatst in Klassiekers.