Klassieker 52: H. Marsman – ‘Paradise regained’

door Joris Lenstra

Meander Klassieker 52

Joris Lenstra noemt ‘Paradise regained’ van H. Marsman een gedicht dat is ‘voorbestemd om niet vergeten te worden’. Het gedicht draagt een veelbelovende en hoopvolle titel: ‘Paradise Regained’. Maar wordt het paradijs wel hervonden? Of ligt het paradijs misschien in het schrijven van poëzie, en mogen wij als lezer daarin delen?

‘Paradise regained’

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ‘t water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water

een held’re, verruk’lijk-meeslepende wijs:

‘het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ‘t Paradijs’.


H. Marsman (1899 – 1940)
Uit: Verzamelde gedichten (1995 )
Uitgever: Querido

Sommige gedichten zijn voorbestemd om niet vergeten te worden. Ze worden jaar na jaar op scholen gelezen, uit het hoofd geleerd en voorgedragen. Hier en daar zullen ze zelfs een jeugdig hart doen ontbranden. Ze zijn opgegroeid om hun grote faam te behalen. Eén van zulke overbekende gedichten is ‘Paradise Regained’ van Hendrik Marsman, dat in zijn Verzamelde gedichten is opgenomen in de zesde afdeling van de ‘Eerste periode [1919 – 1926]’, waar het gezelschap heeft van bekende gedichten als ‘Salto mortale’, ‘Lex barbarorum’ en ‘Doodsstrijd’.
De jonggestorven Nederlandse dichter wordt vooral een belangrijke exponent van het Expressionisme genoemd, wat dat ook moge betekenen. [Zie de aantekening aan het eind van dit artikel.]

In 1940 werd de boot waarop hij Nederland ontvluchtte en waarmee hij op weg was naar Engeland, door een Duitse U-boot getorpedeerd. Het was de ironie van het lot: zijn poëzie had zoveel te danken aan het Duits Expressionisme, maar nu werd diezelfde Duitse cultuur zijn ondergang. Ironie was de dichter Marsman echter vreemd. In zijn gedichten bekommert hij zich niet om de taalgevoeligheid die voor ironie vereist is. Woorden en beelden hebben voor Marsman vooral een metaforische betekenis en ze dragen kosmische consequenties vergelijkbaar met die in de Bijbel. Het zal niet verbazen dat Marsman dan ook christelijk opgevoed was.
Hoewel het gedicht veel te interessant is om louter bij die Bijbelse referenties stil te staan, toch een kleine greep. Bijbelse referenties zijn onder andere: het Paradijs, Adam en Eva in de gedaante van de ‘blonde vrouw’ en de ‘ik’ (beide r.8), en het stormachtige begin van het gedicht dat iets weg heeft van Genesis, het scheppen van de wereld. Interessant detail om te zien is dat de vrouw – in de Bijbel de hoofdschuldige voor de verbanning uit het paradijs – in dit gedicht juist de gelukzalige wijs mag zingen dat ze weer op weg gaan naar het paradijs.
En natuurlijk is ook de titel Bijbels. Hoopvol begint het gedicht met: ‘Paradise Regained’. Maar poëzie liegt, ook hier. Het paradijs wordt hier helemaal niet hervonden. Een preciezere titel zou zijn: ‘To Maybe Regain Paradise’, maar dat zou te voorzichtig zijn voor de met zijn krachten smijtende Marsman. Zijn stijl staat bekend om zijn vitaliteit en hoogdravendheid – wie kent er niet zijn beroemde: ‘Groots en meeslepend wil ik leven’.

Het gedicht vervolgt in heerlijk-grillige regels van afwisselende lengte, waarbij iedere regellengte de lengte van de handelingen in het gedicht weergeeft. Dat het gedicht door deze onregelmatigheid niet uit elkaar valt, is te danken aan de terugkerende jambische versmaat die het hart van het gedicht vormt. Hieromheen gedrapeerd geeft het rijm vervolgens subtiele nuances weer. Zo sluit ‘voorbij’ (r.5), rijmend op ‘zij’ (r.2), zowel qua vorm als qua inhoud een strofe af. Het vormt zo een eigen eenheid binnen het gedicht. Het op elkaar spatten van het woord ‘water’ (r. 7 en 9) geeft de volheid aan van de ‘ik’ en de ‘blonde vrouw’, liefdevol omarmd door de twee regels van het ‘water’. Ze vullen elkaar niet aan zoals het traditionele liefdespaar, ze zijn allebei volledig en hun samenzijn is als het botsen van twee dezelfde, volledige entiteiten. Het fonetische aspect van het woord ‘water’ maakt de spetters die er bij zo’n botsing vanaf vliegen hoorbaar en dus tastbaar – het fonetisch aspect gaat over de klank van een woord en de mogelijke betekenissen ervan.

Het gedicht kent nog meer vormen van rijm. Zo is er alliteratie te vinden: ‘zorgeloos zingt’ (r.9). Deze rijmvorm zorgt ervoor dat het gedicht soepeler klinkt en versnelt de voordracht ervan iets. Het gaat als het ware zingen. Daarnaast is er de assonantie, of klankrijm, van: ‘het schip van de wind ligt’ (r.11). Assonantie zorgt er voor dat de snelheid van de voordracht iets vertraagd wordt doordat dat langgerekte klinkers benadrukt worden. Met name de klinker ‘a’ kan zo een gedicht tot stoppen dwingen. De door Marsman hier gebruikte ‘i’ benadrukt de stabiliteit van de ligging van het schip. Het ligt als het ware aan de kade te wachten. Kijken we nog even naar het subtiele metrische spel dat Marsman in deze regel heeft neergelegd. Het begint jambisch (‘het schip’) maar versnelt dan plots met een anapest (‘van den wind’). Onbeklemtoonde lettergrepen worden snel uitgesproken. De laatste klemtoon van de anapest wordt gevolgd door de klemtoon van ‘ligt’. Beklemtoonde lettergrepen worden benadrukt en vertragen daardoor de voordracht van een gedicht. Het resultaat is dat, op metrisch niveau, het schip van de wind opspringt door de anapest alsof het een woest paard is, maar nog vast ligt en tot stilte gedwongen wordt door de twee opeenvolgende klemtonen.

De climax van het gedicht ligt ingebed tussen de strofe met het water en de strofe met het schip. Het is slechts één regel (r.10) die vanwege zijn belangrijkheid een strofe op zich mag vormen.
Na de climax regel schiet echter de spanningsboog los, die door de grillige stijl zorgvuldig opgebouwd was. In plaats van het paradijs, het totale zijn, volgt een strofe die keurig rijmt, qua regellengte nagenoeg gelijk is en in een willekeurig sonnet had kunnen staan. Marsman en deze strakke, vormgerichte dichtvorm gaan niet goed samen. Het lijkt dan ook alsof het gedicht hier licht ontspoort.

Het meest interessante aspect van dit gedicht is het afwezige paradijs. Dit paradijs wordt opgeroepen met de titel en zo toegevoegd aan de tekst van het gedicht. Maar het wordt niet verder ingevuld. En het wordt ook niet bereikt in het gedicht. Wat wordt omschreven lijkt de tocht te zijn ondernomen om het paradijs te herwinnen. De beelden uit deze beschrijving kunnen verbonden worden met de elementen. Vuur is aanwezig, onder andere in de ‘zon’ (r.1) en het ‘vuur’ (r.2). Water is aanwezig, zie bijvoorbeeld de ‘zee’ (r.1.). De lucht verschijnt in de gedaante van de ‘wind’ (r.3) en meer verborgen in ‘zingt’ (r.9); zingen is immers niets meer dan het trillen van de lucht. Al deze beelden geven in essentie beweging en verandering weer. Zo is de ‘zee’ water in beweging en de ‘wind’ lucht in beweging. Wat echter ontbreekt is de stabiliteit, het element aarde. Kortom, het gedicht is één en al energie, beweging, maar: waar gaat het naartoe? Of, misschien: waar draait het omheen? En het antwoord is het niet beschreven maar wel geduide Paradijs. Het gedicht lijkt een rusteloze zoektocht zonder einde.

Dus is het gedicht dan een eeuwige tocht? Betekent het dan dat de zoektocht zelf het paradijs is? Nee, dat zou te gemakkelijk zijn. Marsman was wel degelijk op zoek naar dat stabiele paradijs. Vond hij die in de eeuwenoude poëtische traditie en was zijn vormvaste eindstrofe een ode aan de vorm van de poëzie? Zag hij in dat hij met zijn gedichten uiteindelijk toch onderdeel uitmaakte van het grotere geheel van de Poëzie en gedoemd was om te sterven en zich bij dat geheel te voegen?
Misschien. Maar hij geeft in de tekst een subtiele hint. Het woord ‘Rozen’ (r.12) is namelijk een beeld dat refereert aan de aarde: daar groeien ze immers op. De stabiliteit is er dus wel, maar verborgen: er wordt slechts naar verwezen; en wel in de vorm een roos. Dit beeld is zo het sleutelelement in het gedicht geworden. Laten we er daarom nog even bij stilstaan.
De roos, als bloem, ontstaat uit de aarde en streeft naar het hogere: hij groeit omhoog. Daarnaast is de roos een bloem die bekend staat om zijn schoonheid. En tot slot is de roos een symbool van de liefde. Hiermee wordt dus alsnog het paradijs enigszins beschreven.

We hebben de omschrijvingen: ‘streven naar het hogere’, ‘Schoonheid’, en ‘Liefde’. Het heeft er alle schijn van dat dit Paradijs is dat het voor Marsman de poëzie zelf moet zijn. De ‘held’re, verruk’lijk-meeslepende wijs’ (r.10) is niets anders dan het hele gedicht, en niet alleen de laatste strofe. Via de boot van de poëzie kunnen we dit paradijs bereiken. We zullen het gedicht wel moeten lezen. De ‘ik’ in het gedicht is niet meer de schrijver, maar de lezer geworden. En Marsman zelf mag één van de matrozen zijn, goedkeurend laverend tijdens weer een overtocht. Zijn pen heeft de boot gemaakt, maar de lezer maakt de overtocht en herschept zo het paradijs. ‘Paradise Regained’; het klopt dus toch.


Expressionisme is een moeilijk te duiden kunststroming waarvan de naam eigenlijk verkeerd gekozen is. Ieder kunstwerk en gedicht wil immers wel iets uitdrukken en dus expressief zijn. De naam is gekozen als tegenhanger van het Impressionisme, een kunststroming die in de tweede helft van de negentiende eeuw in West Europa belangrijk was en waar onder andere Franse meesters als Monet, Manet en Seurat toe gerekend worden. In deze stroming stond vooral de materiaalkeuze en de waarneming van de kunstenaar centraal. Als reactie hierop richten de kunstenaars die tot het Expressionisme gerekend kunnen worden, hun aandacht op het afbeelden van de innerlijke wereld van de kunstenaar. In plaats van de esthetisch verantwoorde afbeeldingen van de Impressionisten willen de Expressionisten hun innerlijke beroeringen laten zien. Hun afbeeldingen zijn daardoor vaak grillig en bont van aard en hebben niet de bedoeling om de toeschouwer te vermaken.
In principe zijn er twee vormen van Expressionisme. Enerzijds is er de historische kunststroming die het Expressionisme wordt genoemd. Deze ontstaat aan het einde van de negentiende eeuw maar bloeit pas echt op voor de eerste wereld oorlog. Bekend is met name de Duitse variant van het Expressionisme: het Duits Expressionisme, met schilders als Franz Marc en Emil Nolde. Er is ook een poëtische tak van het Duits Expressionisme. Deze streeft dezelfde doelstellingen na maar met talige middelen. Bekende namen zijn: Georg Trakl, August Stramm, Godfried Benn en Else Lasker-Schüler. De Nederlandse variant van het Expressionisme heeft als bekendste woordvoerders ‘onze’ Hendrik Marsman en de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen.
Tot slot is er anderzijds ook nog het kenmerk expressionistisch als karakterisering van een kunstwerk. Zo’n werk is dan vaak buitengewoon expressief. Het kunstwerk hoeft niet in de genoemde historische periode gemaakt te zin. Zo is het werk van Van Gogh en van Edvard Munch uitermate expressionistisch. Maar ook na de gedateerde expressionistische periode kunnen nog expressionistische kunstwerken en gedichten gemaakt zijn.

Geplaatst in Klassiekers.