Klassieker 53: Anna Enquist – Typologie van de drenkeling

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 53

Het is algemeen bekend, dat dichteres Anna Enquist in het dagelijks leven psychoanalytica is. Dat maakt het voor de hand liggend ‘Typologie van de drenkeling’ als een metafoor te lezen. Niet iedereen wil geholpen worden, niet iedereen wil een prijs voor zijn/haar genezing betalen. Joop Leibbrand besluit zijn analyse met het citeren van twee andere gedichten, die naar alle waarschijnlijkheid in dezelfde spreekkamer gesitueerd zijn.

Typologie van de drenkeling

Ze klimmen aan de uitgestoken hand de kant
op, kijken langs je heen; op weg weer, als zij
waren toen ze in dit nat abuis verzeilden. Dank-
bare schimmen die zich sluiten als het water zelf.

Soms brengt de dreg sereen en willoos materiaal
in vreemd geplooide stof. De dood als regisseur
van stilstaand beeld drapeert het water dat
vibreert boven die onbekend werd in elk element.

Dan nog: die schopt en spuugt en slaat en diep
gekrenkt zijn redding tegengaat. Die onvermoeibaar
stinkend water door de kamer waaiert: nee, niet
zo, niet met zo’n pijn wil hij gered zijn, nee.

Langs muren van vuur gaan wij op huis aan.


Anna Enquist (1945)

Uit: Jachtscènes (1992)
Uitgever: De Arbeiderspers

In de psychologie, meer in het bijzonder in de karakterologie, is vaak de poging ondernomen op grond van een aantal gemeenschappelijke geestelijke en ook wel lichamelijke eigenschappen bepaalde basistypen van de menselijke persoonlijkheid te onderscheiden. Na Galenus waren het in modernere tijden psychologen als Heymans, Klages, Jung, Jaensch, Kretschmer, Künkel en Sheldon die dachten met hun typologieën de individuele mens in stereotypen gevangen te hebben.

De titel van dit gedicht suggereert dat ook van ‘de drenkeling’ zo’n dwingende indeling in soorten te geven is. Omdat ‘drenkeling’ zowel de aanduiding is voor iemand die in verdrinkingsgevaar gered wordt, als voor iemand die het niet overleeft (strofe II), zijn hiermee de twee hoofdgroepen in deze tekst al gegeven. Alleen de geredden worden vervolgens nader ingedeeld.
In strofe I zijn dat degenen wier redding vlot en makkelijk gaat en die heb je in twee soorten. Allereerst zij die hun redding eigenlijk helemaal niet als redding zien, die de uitgestoken hand wel makkelijk vonden om zich aan op te trekken maar waarschijnlijk ook overbodig, die de hand ook helemaal niet verbinden aan de persoon van de redder – iedere andere hand was even effectief geweest – en die na dit ongelukkige, toevallige incident hun weg haast onverschillig vervolgen, zonder enige verplichting aan wie dan ook. Daarnaast zijn er de dankbaren, die hun redder dus wél (even) zien staan, maar toch ook snel verdwijnen en van wie het altijd wel onduidelijk zal blijven hoe ze zo ongelukkig te water zijn geraakt. Ze wensen er zelf niet bij stil te staan.
Strofe III behandelt twee andere categorieën, te beginnen met de drenkelingen die zich uit alle macht tegen hun redding verzetten, omdat ze kennelijk diep beledigd zijn door het idee gered te moeten worden. Waarbij het trouwens de vraag blijft of ze vinden dat ze er gemakkelijk op eigen kracht uit zullen kunnen komen, of dat ze zich geenszins in gevaar achten: waar bemoeit zo’n redder zich dus mee. Ten slotte heb je dan nog de drenkelingen voor wie een krachtdadige ingreep zo’n schrikbeeld geeft (en hoeveel pijnlijke inspanning wordt er niet ook van henzelf verwacht), dat ze hun redding zo lang mogelijk willen uitstellen, hun staat van ontreddering lijken te willen cultiveren, misschien zelfs wel liever ten onder gaan.  Maar wat is dat voor drenkeling die ‘stinkend water door de kamer waaiert’? Staan we dan niet aan de waterkant? Betreft het wel een drenkeling? En is het wel zo’n ‘toevallige’ redder? Met het woord ‘kamer’ is het scharnierpunt gegeven waarmee de beeldspraak van deze lang volgehouden metafoor op de eigenlijke betekenis van de tekst moet worden toegepast. En natuurlijk dwingt de indringende slotregel nog eens extra tot een andere leeswijze.

In zijn recensie van Een nieuw afscheid (Enquists derde bundel) schreef Maarten Doorman: ‘De poëzie van Enquist zou winnen, als ze tijdens het schrijven de deur naar de spreekkamer niet meer op een kier laat staan en al die ongetwijfeld authentieke emoties een ogenblik achter slot en grendel houdt.’ (de Volkskrant 15-4-’94.) Doorman kon zijn zure opmerking maken, omdat inmiddels bekend geworden was dat de maatschappelijke persoon achter de dichteres Anna Enquist in het dagelijks leven psycho-analytica was en dat de in haar debuut Soldatenliederen (1991) beschreven spreekkamer, waarvan ze in twee gedichten de deur wijd open had gezet, kennelijk die van haar zelf was. In deze zelfde kamer bevinden we ons in dit gedicht.
De professionele therapeut als redder, de patiënten c.q. cliënten als drenkelingen en het water als beeld voor psychisch verdronken zijn, het stramien is duidelijk. Het is daarbij opvallend, dat er over de disposities die iemand tot drenkeling maken, nauwelijks iets wordt gezegd. Alleen van degene die als verloren beschouwd moet worden, wordt vermeld dat hij ‘onbekend werd in elk element’. ‘Elk’ zal bij lezing nadruk moeten krijgen om de lezer erop te wijzen, dat dit kwam doordat deze ongelukkige van alle vier de elementen (aarde, water, vuur, lucht) – dus in overdrachtelijke zin van het hele leven – vervreemd was. Wie van deze geestelijke deformatie een volstrekt willoos slachtoffer is (‘willoos materiaal / in vreemd geplooide stof’), is wegens totale ontoegankelijkheid kennelijk onbehandelbaar.  Verder gaat het uitsluitend over de verschillende wijzen waarop de behandelden op therapie en therapeut reageren en alles wat eerder over de drenkelingen gezegd werd, kan zo worden toegepast.

De laatste regel vormt terecht een aparte strofe. Het waterbeeld wordt vervangen door ‘muren van vuur’ en de geobserveerde ‘ze’ worden vervangen door ‘wij’, wij die ‘op huis aan’ gaan: niet alleen al die verschillende ‘drenkelingen’, maar vooral ook de impliciet veronderstelde ik-figuur, de therapeut, die zich door zo nadrukkelijk tot ‘wij’ te behoren ook zelf min of meer tot ‘drenkeling’ maakt. Hij (of zij, als de altijd gewaagde identificatie met de persoon van de auteur mag worden doorgevoerd) heeft ‘vuur’ nodig om ‘water’ te bestrijden en spéélt daardoor ook als het ware met vuur. Er moet onder zoveel gevaarlijke spanning zoveel worden losgemaakt, er is bij alle betrokkenen zoveel emotie in het geding die afsluit van al het andere, dat de gedreven therapeut zich geen ander weet dan zijn cliënten.

In Karakterologie (Het Spectrum 1964) zegt Paul Helwig: ‘Het psychoanalytisch werk vergt een bijzonder hoog menselijk niveau, een veelzijdige gevormdheid, een zeer ruim menselijk begrip en psychologisch inlevingsvermogen. Het eist echter bovenal, dat de analyticus zelf vrij is van alles waarvan hij de patiënt bevrijden wil.’ Twijfel en onzekerheid daarover zijn de muren van vuur waarlangs hij gaat, zegt Enquist.

Wat de verstechniek betreft is de klankrijkheid van dit gedicht opvallend te noemen. De vele klinkers vlechten een assonerend netwerk van verbanden, waarbij de [aa], die achttien keer voorkomt en de [a] met veertien keer de dominerende klanken zijn; ze ondersteunen uiteraard het ‘nat abuis’ van het water, dat een viertal keren wordt genoemd, waarvan een keer in het hart van het gedicht: als de titel wordt meegerekend is ‘water’ in r. 7 namelijk precies het middelste woord.
De drie kwatrijnen tellen elk twee zinnen, die de strofegrens niet overschrijden en zo van ieder couplet een afgeronde eenheid maken. Het stellige karakter van de gegeven typologie wordt erdoor versterkt.

In Soldatenliederen (De Arbeiderspers, Amsterdam 1991) staan twee gedichten die ongetwijfeld in dezelfde spreekkamer gesitueerd zijn. Merk op hoezeer de kenschetsing van ‘redder’ en ‘drenkelingen’ overeen komt met het hierboven besproken gedicht.

Oedipus

In de behandelkamer is hij onze gids.
Op zijn geleide wordt wie is versteend
verstikt van woede. Vuur van haat
komt vrij. De loden schuld. De ogen
gaan kapot van afgunst. Razernij.

Dat hij zijn moeders blauwe schaduw
kent in elke vrouw wordt waar.
Het bitter huilen, knieën opgetrokken
van verdriet. Dat men zo hevig kan
verlangen, en dat niet, dat niet.

En wij, aan wie die op de bank ligt
traag geneest, zijn blind voor het begin
van het verhaal. Geen handboek dat vertelt
hoe iemand het zojuist geboren kind
heeft opgetild, op tafel heeft gelegd
en met een hand de voetjes vasthield.
Iemand heeft nagedacht, een priem
gepakt, heeft kracht gezet.

De spreekkamer

Er is een deur en nog een deur. Daarachter
wordt gezwegen en verteld. Verborgen
fantasieën worden woordenstroom.
Er gaat een taal ontstaan, ikonen
van verlangen en verzet worden herkend,
gedeeld, verschijnen in een droom.

Wanneer het oude ijs gaat smelten zwelt
de vloed. Ik controleer als dijkgraaf
van de werkelijkheid het waterschap:
hoe sterk de wallen, of de sluis het doet.
Wat echt is moet je zeulen over land, wat niet
gaat terug het water in. Hier wordt verloren.

Er gaat wel eens iets mis: het dak
schuift weg, ramen slaan open
in de scherpe wind. Een bergpad
voert de lucht in en ik ren naar huis,
naar huis, voorgoed. Zorgeloos spring ik
over de gemene valkuil van de genezing.

Zij die hier komen leren dat het is
zoals het is. Dienen zich te verzoenen
met de tijd. De angst verliest zijn geur,
woede haar giftigheid. Men leeft.
Dat er geen thuiskomst is begrijp ik zelf
pas als ik sterf: een deur en nog een deur.

Geplaatst in Klassiekers.