Klassieker 54: Willem Jan Otten – Op zaal

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 54

Het gedicht ‘Op zaal’ van Willem Jan Otten gaat in eerste instantie over patiënten die herstellen van een operatie. Hoe om te gaan met de pijn? Joop Leibbrand wijst op de onderliggende laag, die mogelijk ook te maken heeft met Ottens bekering tot het katholicisme. Meegeven met de pijn, diep buigen: slechts de graankorrel die ‘sterft’, brengt vrucht voort.

Op zaal

Nadert er rinkelend glas,
en platte hakken, op de gang,
dan is dat iemand half dood
die terugkeert in zijn rijdend ledikant
van ergens waar men opensnijdt.

Zij die hem duwde glimlacht,
schuift hem bij ons vijven aan
en trekt gordijnen om hem dicht.

Straks komt hij bij. Begint de pijn
die ons al leerde mee te geven
als een halm. Het zal hem zijn
of hij de eerste is die zo diep buigt.

Klinkt morgen nieuw gerinkel,
en platte hakken op de gang,
dan is hij een van ons. Want ieder
was de enige die zo diep boog.


Willem Jan Otten (1951)

Uit: Eerdere gedichten (2000)
Uitgever: Van Oorschot

De eerste strofe van ‘Op zaal’ zet de lezer aanvankelijk op het verkeerde been door in regel 3 het woord iemand niet te laten slaan op de verpleegster die in de vorige regel wordt opgeroepen (platte hakken – blijkens de enkelvoudige persoonsvorm nadert kennelijk gezien als ‘eenheid’), maar op de patiënt die van de operatiekamer wordt teruggebracht naar zaal; terugkeert, staat er. Voor het moment zelf lijkt dat een veel te actieve omschrijving voor iemand die alleen maar wordt ‘afgeleverd’, maar het heeft natuurlijk ook al betrekking op het in gang gezette proces van ‘bijkomen’. Deze iemand, buiten bewustzijn, dus half dood, is op dit moment letterlijk gedepersonaliseerd, wat extra benadrukt wordt door het gebruik van dan is datergens en men. En daarbij komt dan nog het zorgeloze glimlachen van de zuster die het ‘pakketje’ efficiënt op de plaats van bestemming gebracht heeft.

In de tweede strofe blijkt dat het perspectief van de waarneming van de terugkerende patiënt ligt bij de vijf patiënten die al op zaal liggen: zij horen hoe hij aankomt, zien het bed binnengereden worden en hoe de bedgordijnen worden dichtgetrokken om hem te isoleren. Het is opvallend hoe sterk er met het herhaalde ons op gewezen wordt, dat de vijf anderen bij elkaar horen, één zijn.

De derde en vierde strofe blijven bij dit moment van terugkeer op zaal, er verloopt geen tijd. Straks en morgen worden vanuit het nu beleefd en centraal staat daarbij de beschrijving van de pijn die de patiënt zal dienen te verduren, een pijn waarvan hij het idee zal hebben, dat nooit eerder iemand zoiets ergs heeft moeten verdragen: Het zal hem zijn / of hij de eerste is die zo diep buigt. Het is een pijn die alleen te overleven valt, als je je er niet tegen verzet, je je eraan overgeeft, je er diep voor buigt. En – kennelijk essentieel – alsof je de eerste was en de enige.

De vierde strofe beschrijft in de eerste twee regels op identieke wijze hoe de volgende dag een nieuwe pas geopereerde patiënt op zaal gebracht zal worden. Deze nieuwe ‘iemand’ is echter niet dezelfde als hij uit regel 3: deze hij is nu een van ons, de nieuwe patiënt kan dat pas worden, als hij zijn eigen pijnervaring doorleefd heeft.

Is dit nu alleen maar een ziekenhuisgedicht over het feit dat een doorstane operatie tot een bepaalde onderlinge ‘patiëntensolidariteit’ leidt?
In Ottens bundel Na de nachttrein (Querido 1988) staan vier gedichten die zich in een ziekenhuis afspelen, waarvan ‘Op zaal’ het eerste is. Ze zijn alle vier opgenomen in zijn verzamelbundel Eerdere gedichten uit 2000, maar in een vroegere keuze uit eigen werk, Het was missen op het eerste gezicht (Van Oorschot 1994) stonden ze niet.
Vóór Ottens bekering tot het katholicisme deden de gedichten er kennelijk minder toe dan daarna en alleen al uit ‘Op zaal’ blijkt waarom: er is sprake van een soort initiatie, een diep doorleefde persoonlijke inwijding, die juist omdat zij ook door anderen beleefd werd, uniek is – het kenmerk van iedere authentieke geloofservaring.
In zieke, geschonden toestand is de mens niets, nietswaardig, een ‘on-persoon’, geïsoleerd, alleen; hij leeft amper, is half dood, is ‘geen mens’. De ervaring van hevige pijn, diepe smart, een groot lijden, waarin de mens zo klein is dat hij niet zijn kan, is een noodzakelijke voorwaarde om een levend mens te worden. Mits hij begrijpt dat het feit dat er in hem, in zijn bestaan, ‘gesneden’ moest worden, gebeurde met het oog op zijn uiteindelijke redding. Diep moet hij die is als gras of als een korenhalm buigen, wil hij leven. Slechts de graankorrel die ‘sterft’, brengt immers vrucht voort.
Voor Willem Jan Otten is het meer dan een strohalm. ‘Op zaal’ kan worden gelezen als een doop. Wie zou die zuster zijn?


Met dank aan Pim Heuvel, die het gedicht aanreikte. Het is i.v.m. met gezondheidsproblemen helaas tevens Pims laatste bijdrage aan de Klassiekers. Gelukkig blijven zijn analyses op de site te raadplegen en is er ook altijd nog Erwtjes blazen naar de zon, zijn voortreffelijke boek over het lezen van moderne poëzie (Dimensie Boeken, Leiden 1999, ISBN 90 6412-118-4).

Geplaatst in Klassiekers.