Klassieker 55: Hester Knibbe – Vannacht

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 55

Volgens Joop Leibbrand is het oude Tachtiger adagium ‘Vorm en inhoud zijn één’ een kenmerk van alle goede poëzie. En hij acht het zeker van toepassing op het mooie, zuivere en aangrijpende ‘Vannacht’ van Hester Knibbe.

Vannacht

Vannacht twee kinderen gered.
Ze lagen onder dun, zwart ijs;
de één zag grijs, de ander blauw.
Ik heb ze op het gras gelegd,
dat hard onder mijn voeten brak,
hun lijfjes droog en warm gewreven
en ze mijn adem ingeblazen.

Daarna de ochtend ingekeken,
die lauw over het water lag,
een mouwloos T-shirt aangedaan,
wat grassen in een vaas geschikt,
twee kinderen uit hun slaap gevist.


Hester Knibbe (1946)

Uit: Een hemd van vlees (1994)
Uitgever: de Prom

Vaak is aan de vormkenmerken van een gedicht de inzet van de dichter af te lezen; de zorg die besteed werd aan rijm en metrum, aan strofebouw en regellengte, blijkt dan helder en direct te corresponderen met die voor de inhoud. In het oude Tachtiger adagium ‘Vorm en inhoud zijn één’ schuilt veel waars: wie de vorm beheerst, beheerst de inhoud. En omgekeerd. Hoe sterk dat voor alle goede poëzie geldt, blijkt uit het mooie, zuivere Vannacht van Hester Knibbe.

Er zijn twee strofen, die elkaar in tijd chronologisch opvolgen; de eerste beschrijft wat er ‘vannacht’ gebeurde, de tweede wat de ik ‘daarna’, toen het ‘ochtend’ was, deed. In die eerste strofe van zeven regels opent het gedicht met de belangrijkste mededeling: ‘Vannacht twee kinderen gered’. Een beknopte, éénregelige zin (onderwerp en persoonsvorm ontbreken), snel uitgesproken, letterlijk buiten adem; geen tijd om zelfs maar te zeggen wiens kinderen het zijn die hier gered worden. Ze leven, daar gaat het om. De tweede zin, die al niet meer beknopt is, bestaat uit twee regels waarin snel, nog altijd haast ademloos, verteld wordt wat de kinderen is overkomen en hoe de redding maar ternauwernood plaatsvond. De derde zin brengt rust; vier veel kalmere regels beschrijven met voldoening hoe de ik de uit het koude water geviste kinderen het leven teruggaf. De vierde zin van het gedicht vult vervolgens met vijf regels de gehele tweede strofe en daarin zijn spanning en onrust helemaal voorbij, de woorden staan er haast loom en landerig; alle tijd om zomaar wat te staren, een veldboeketje te maken (dat natuurlijk ook nog eerst geplukt moest worden), de kinderen te wekken, uit hun slaap te vissen, staat er met een mooie parallel. Zo verrassend direct als de eerste regel van het gedicht ons midden in de handeling plaatst, zo onverwacht is ook de laatste regel, zeker als er snel en oppervlakkig gelezen is en de signalen dat het anders is dan gesuggereerd, genegeerd werden: er is de kinderen helemaal niets ergs overkomen, ze hebben gewoon liggen slapen en worden nu wakker gemaakt.

De eerste strofe beschrijft natuurlijk geen reële gebeurtenis, maar een nachtmerrie van een moeder die bang is dat haar kinderen ooit iets heel ergs zal overkomen. ‘Vannacht’ heeft betrekking op het tijdstip van haar angstdroom, en niet op het moment waarop haar kinderen door het ijs gezakt zouden zijn. Dat laatste zou niet alleen gezien het nachtelijke tijdstip erg onwaarschijnlijk zijn geweest; de tweede strofe maakt duidelijk dat het geen winter is, maar zomer: de ochtend is lauw, bloeiend gras liet zich plukken, de kleding bereidt voor op een warme dag.
Hoewel de moeder in haar ijselijke droom juist in staat blijkt haar kinderen te redden, hen als bij een nieuwe geboorte levensadem kan geven, overheerst niet de opluchting, maar de blijvende schrik. Het is alsof zij zich er ineens – en blijvend – van bewust is, dat zij haar kinderen ooit door iets noodlottigs zou kunnen verliezen. Heel subtiel wordt dat duidelijk gemaakt met het unheimliche ‘de ochtend ingekeken,/ die lauw over het water lag’. Er gaat, voor wie het aanvoelt, een zekere dreiging van uit, een onbestemd gevoel van naderend onheil. In de droom werden de kinderen gered, want zij kwam op tijd en trad adequaat op. Maar kom je in de werkelijkheid ook op tijd, en is je handelen wel even effectief? Zijn er niet heel veel situaties waarin je niets kunt doen?
Het is misschien veelzeggend dat de moeder wel spreekt van ‘mijn adem’, maar niet van ‘mijn’ kinderen; zij houdt het bij het afstandelijke ‘twee kinderen’, alsof ze bewust of onbewust benadrukt, dat zij niet de zekerheid heeft hen voor altijd te bezitten.

De beeldspraak is in dit verband veelzeggend. Het gras, dat in beide strofen zo prominent voorkomt, is een oeroud, bijbels symbool voor de broosheid van het menselijk leven, voor vergankelijkheid en spoedig verderf. ‘Alle vlees is gras’, zegt Jesaja 40:6-8, om even verder de vergelijking te maken ‘een sterfelijk mens, […] een mensenkind, dat als gras wordt weggeworpen’. In een passage die duidelijk op Jesaja teruggrijpt, lezen wij in 1 Petr.1:24 ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af […]’, door Brahms schitterend verklankt in zijn Deutsches Requiem. Het is – maar dat wel in een érg subjectieve invalshoek – alsof je de muziek op de achtergrond hoort…

Dat dit gedicht in Een hemd van vlees staat is natuurlijk ook veelzeggend. In het titelgedicht van de bundel (zie hieronder) noemt zij de lichaamshuid ‘dat hemd rond je botten’. Etymologisch komt ‘lichaam’ van lika [vgl ‘lijk’] en haman [vgl. ‘haam’, een oud woord voor o.a. omhulling en bekleedsel]. De mens is een ‘vleselijk omhulsel’, met alle kwetsbaarheid van dien.

Terug naar de vorm van het gedicht. De tegenstelling tussen de twee strofen had voor een meer traditionele dichter reden geweest kunnen zijn te kiezen voor de sonnetvorm, met een octaaf en een sextet dus. Hier doen we het met respectievelijk zeven en vijf regels, wat eigenlijk nog veel functioneler is: de twee regels die het gedicht als het ware tekortkomt, corresponderen met de twee kinderen die zij niet wil missen.
Het metrische grondpatroon is de viervoetige jambe en vandaar dat alle regels acht of negen lettergrepen tellen. Met één uitzondering: de laatste regel, die niet alleen een lettergreep te veel telt (de klemtoon valt namelijk op gevist), maar zich helemaal aan het schema onttrekt. Het maakt extra duidelijk dat de veilige wereld verstoord is.
Heel subtiel ten slotte is het klankpatroon, waarbij opvalt hoe sterk het gedicht klaagt, in feite een klacht is. In de eerste strofe overheerst de [a]-klank, in de tweede is dat de [aa]. Fraai zorgen de assonanties voor verbindingen: ijs – grijs – lijfjeskinderen – ik -ingeblazen – geschikt – gevist. Voor de betekenis is de trits blauw – lauw – mouw het belangrijkst: onuitgesproken, maar sterk gesuggereerd, klinkt de echo van een gevreesde ‘rouw’.
Dat Hester Knibbe enige jaren terug een van haar kinderen verloor, zou je liever niet willen weten. Het maakt het te schrijnend.

Hieronder volgt nu nog het titelgedicht:

Een hemd van vlees

Zwarte staart van de winter, het vriest het
kraakt rond het wak. Ik sjor op leven
en dood, haal haar boven terwijl

zij zich snikkend laat zakken. Breek
het ijs van je lijf schreeuw ik, word
wakker, het is zomertijd over enkele

weken. Warmte genoeg dus op komst voor
dat hemd rond je botten. Houd het even
voorlopig nog aan. Nors zit de R in je leven.

Geplaatst in Klassiekers.