Klassieker 62: J.H. Leopold – Saadi

door Joop Leibbrand

Meander Klassieker 62

De Oosterse gedichten van J.H. Leopold (1865-1925) zijn voor het merendeel bewerkingen van eerdere vertalingen uit het Perzisch en Arabisch in het Engels, Duits en Frans. Toch eigende Leopold zich de gedichten qua taal en qua geest dusdanig toe, dat ze geheel en al tot zijn oorspronkelijke werk worden gerekend. Joop Leibbrand bespreekt het verstilde ‘Saadi’, dat zich in een nachtelijke tuin afspeelt.

Saadi

Nacht om den tuin en gij zijt neergezeten
onder den lommerboom, uw lieveling.
O bitterheid, die door het diepste ging:
eenzaam te zijn, alleen en zich miskend te weten.

En toch, in u ook stormt de aandrift op
tot groote dingen of ook maar tot dit:
de liefste te voldoen in stil bezit,
in stom geluk rustig gevoerd ten top.

Aanzie de bloemen van de struikjasmijn,
de bleeke sterren in den nacht der blaren,
aanzie het blank geheim, dat zij verklaren,
aanvaard de lessen, die hun gave zijn.


J.H. Leopold (1865 – 1925)

Uit: Verzamelde verzen I (1982)
Uitgever: Atheneum / Polak & Van Gennep

Alhoewel Leopolds Oosterse gedichten voor het merendeel bewerkingen zijn van eerdere vertalingen uit het Perzisch en Arabisch in het Engels, Duits en Frans – voor zijn versies van de kwatrijnen van Omar Khayyám maakte hij bijvoorbeeld gebruik van de Engelse vertaling van Whinfield uit 1904, de Duitse van Rosen uit 1909 en de Franse prozavertaling van Anet en Muhammad uit 1920, en veel kwatrijnen uit ‘Soefisch’ (‘Oostersch II’) schreef hij dankzij La Roseraie du Savoir; Choix de quatrains mystiques tirés des meilleurs auteurs Persans van Hocéÿne Azad, een prozaboek dat in 1906 verscheen – eigende hij zich de gedichten qua taal en qua geest dusdanig toe, dat ze geheel en al tot zijn oorspronkelijke werk worden gerekend, ook als er een titelaanduiding is als ‘Emir Khosrau’, ‘Hafiz’, ‘El-Ma’arri’ of ‘Mansoer El-Hallas’. Twee keer valt de naam van de Perzische dichter ‘Saadi’: in ‘Oostersch II’ met een vijftal kwatrijnen, en bij bovenstaand gedicht uit ‘Oostersch III’, dat een van de allermooiste gedichten uit Leopolds rijke oeuvre is.

In de eerste regel doet zich meteen het probleem voor wie de ‘gij’ is die hier wordt beschreven en later ook toegesproken. Het kan een ander zijn, een tweede persoon, maar ook de dichter zelf, die ‘gij’ en ‘u’ als een verhulde ik-vorm gebruikt en zijn eigen situatie beziet. Saadi die schrijft over zichzelf of zich inleeft in een goed gekende ander? Leopold die aan de hand van zijn lectuur een verondersteld moment uit het leven van Saadi weergeeft? De beschreven emoties maken duidelijk dat het in alle gevallen om Leopold zelf gaat, in ieder geval om een personage met wie hij zich sterk identificeert, want met de begrippen bitterheid, eenzaamheid, alleenzijn, miskenning en het mateloze verlangen naar een ‘liefste’ wordt een psychische realiteit beschreven die volledig de zijne is.
‘De grondslag van geheel zijn wezen is het verlangen naar de “ééne, onverschenene, ademloos gewacht”‘, schreef Knuvelder – slotregel van ‘Gij, eersteling, hebt neergezien’ uit ‘Scherzo’ (zie bijlage) – en het is hetzelfde in de tweede strofe geuite verlangen dat in ‘Saadi’ centraal staat. Een ander bekend Leopoldcitaat is nog kenmerkender voor dit gedicht, en wel ‘Alleen ben ik en zoek alleen te wezen’, uit zijn vertaling van een ballade van Christine de Pisan, waarin de regels steeds beginnen met ‘Alleen ben ik’ en aan het einde van iedere strofe de constatering is: ‘[…] en zonder vriend gebleven.’ Wie ‘Saadi’ metrisch leest, valt al snel op dat r. 4 de enige regel is met een extra versvoet, met 13 i.p.v. 11 lettergrepen: ‘alleen’ is het toegevoegde woord, en het krijgt daarmee alle nadruk van het gedicht.

In de eerste regel overheersen twee accentueringen: die op ‘Nacht’ en op ‘gij’, waarmee al direct het uiterlijke op het innerlijke betrokken wordt: een duistere buitenwereld lijkt te corresponderen met een duistere binnenwereld. Van een uitzichtloze somberheid is echter geen sprake (meer). Een tuin heeft immers geen enkele negatieve connotatie, de lommerboom is geenszins beangstigend of bedreigend, het donker bevindt zich óm de tuin en niet erin. Dankzij de sterren is er een schemerduister waarin nog veel zichtbaar is: natuurlijk de bloemen, maar vooral ook de gij, die hier zo duidelijk wordt uitgelicht en wiens bitterheid door het diepste ging. Kennelijk is er de mogelijkheid tot een zeker mentaal herstel, om vanuit de toestand van ‘eenzaam te zijn, alleen en zich miskend te weten’ als het ware geestelijk van het ‘lijdend individualisme’ te recupereren. De sleutel daartoe zit in het precieze weten waarin men hem miskent, dus onjuist kent en daarvoor is ‘niet op de juiste waarde geschat worden’ een te beperkte omschrijving. Het gaat er niet om dat men weet dat hij nooit iets groots tot stand heeft gebracht en geen ‘volmaakte’ liefdeservaring heeft gekend (r. 7 en 8 zijn schitterende erotische regels), maar dat niet gezien wordt dat hij daarnaar wel degelijk een zeer sterke innerlijke drang heeft. Of, en dat is de grootste miskenning, dat men niet begrijpt dat hij zelf wéét dat het altijd alleen bij verlangen zal blijven, omdat dat inherent is aan een door hem geaccepteerd levenslot. Dat zijn levensopdracht niet is te vervullen, maar te verlangen, te berusten, te aanvaarden en daaraan uiting te geven.

Strofe drie maakt dat in een driedubbele imperatief (‘Aanzie’, ‘aanzie’, ‘aanvaard’) duidelijk. Bloemen verklaren, waarmee de symbolische overeenkomsten tussen bloemen en sterren (die in de nachtelijke tuin niet alleen metaforisch in beeld zullen zijn, maar ook echt) nog eens extra wordt benadrukt. Traditioneel worden in allerlei culturen aan de witte bloemen van de struikjasmijn veel betekenissen toegekend, maar in het algemeen staan ze voor liefde, erotiek, vriendschap, naastenliefde, en natuurlijk reinheid en zuiverheid. Ze vullen de verlangens van de gij voor een groot deel in. De jasmijn bloeit echter maar kort, de bloemen vallen snel af. Daartegenover de sterren: eeuwig, vast, onveranderlijk.
Wat ‘verklaren’ de bloemen en de sterren, zo verschillend als ze gelijk zijn? Het ‘blank geheim’ leggen ze niet uit; integendeel, ze belichten het, zodanig dat het een zuiver en onaangetast geheim blijft, terwijl er toch ook de duidelijke suggestie is van iets essentieels, iets van een ultieme maar ongezegde waarheid: ‘lessen, die hun gave zijn.’ Het begrip ‘gave’ heeft daarbij duidelijk een metafysisch aspect.
Zie de gij in de tuin zitten: waarschijnlijk in wit gewaad, bleek belicht, tegen een boom in vol gebladerte. Een bloem, een ster, zichzelf. Sub specie aeternitatis hetzelfde. Bloemen en sterren verklaren en ook de gij ‘verklaart’, geeft ‘lessen’. Het is hem ‘gegeven’ te schrijven, woorden aan te bieden voor wat Lucebert in van de afgrond en de luchtmens zo formuleerde: ‘maar wat dan is deze eenzaamheid/ mijn bestemming en zuiver gestemd zijn zeggen de wijzen’ (‘Elegie’).

Wat verstechniek betreft is de wijze waarop Leopold rijm, klankkleur, metrum en ritme tot een eenheid smeedt ongeëvenaard. Let op het metrum, de vijfvoetige jambe, dat na de sterke afwijkingen in de eerste strofe steeds regelmatiger wordt, geheel in overeenstemming met de inhoud. Maar hoe dan bijvoorbeeld in r. 8 ‘rústig’ tegen de maat ingaat, wat meteen die rust creëert. Let op het rijmschema, dat telkens omarmend is, maar heel gevarieerd toegepast. De middelste, de ‘actiefste’ strofe, heeft uitsluitend mannelijk rijm, maar in de eerste strofe omsluit het vrouwelijke het mannelijke en in de laatste is dat – heel functioneel – juist omgekeerd.
Omdat Leopold zich bij lange na niet beperkt tot eindrijm alleen, maar zorgvuldig een fijnmazig netwerk van assonanties spant, is het gedicht een wonder van klank, waarbij het telkens zo is dat de inhoud erdoor ondersteund wordt. Hoor hoe de ie‘s en i‘s, extra versterkt door het dubbelrijm, in r. 2 en 3 de woorden ook qua betekenis bij elkaar houden. Hoe het drievoudige ‘in’ in de tweede strofe versterkt wordt door nog drie keer dezelfde klank en daarmee het willen indringen benadrukt; in de laatste strofe is de i vrijwel verdwenen, evenals de ee van ‘eenzaam’ en ‘alleen’, die in de eerste strofe nog zo domineert. In de derde strofe, die ‘opent’, overheerst ineens de aa, de meest open klinker die er is, en tevens wordt met het herhaalde ‘aanzie’ de titel gespiegeld.
Saadi, aanzie. Het is de poëzie.

____

Bijlage:

GIJ, eersteling, hebt neergezien
in mijne ziel; een dicht gehouên
menschenbestaan lag te aanschouwen,
voor u ook voor het eerst misschien.
“Ik heb gezien een smartelijk begeven,
ontsterven al achter den buitenschijn,
verlatenheid en een hooghartig streven
eenzamer dan den eenzame te zijn.”

Gij hebt geluisterd naar de taal
van mijn gedachten; wat de velen
in kronkelzinnen dicht verhelen,
werd u verstaanbaar deze maal.
“Ik heb vernomen woorden van hoovaarding
ruilend met kreten van verworpenheid
van zelfverheffing en van zelfontwaarding
de wanhoop en verloren wisselstrijd.”

En dit, wat duister in mij leeft,
mij zelven vreemd en toch mijn eigen,
wel zal uw mond het niet verzwijgen,
nu eenmaal zij gesproken heeft.
“Ik ken den grondslag van geheel uw wezen,
weet, dat uws levens rijke werken tracht,
dat het aan één’ mag weggegeven wezen,
ééne, onverschenene, ademloos gewacht.”


uit: Scherzo

Anton Korteweg had er in Geen beter leven (1985) deze reactie op:

Gekomen

Ach, Leopold,
Een’, onverschenen, ademloos verwacht, dat
hou je toch ook als ze eindelijk eindelijk,
stralend, gekomen, van
jou is geweest.

Aantekening:

Leopolds Saadi is Shaykh Sa’di of Sa’di Shirazi, voluit Muslihuddin Abu Muhammad Abdullah ibn Mushrifuddin Sa’di (en dat in talloze spellingvariaties), de Perzische arabist, wereldreiziger, dichter, prozaïst en denker die als tijdgenoot van Rumi leefde van ca. 1212 tot 1295. Hij was een moraliserend dichter, wiens mystieke inslag minder gekenmerkt werd door transcendentie dan wel door ‘buthaîne’, een in berusting ervaren bitterheid om het leven. Zijn belangrijkste werken zijn de Bustan (Vruchtentuin), elegante poëzie over wijsheid, rechtvaardigheid en goed bestuur, maar vooral over aardse liefde, en de Gulistan (Rozentuin), een met gedichten afgewisselde verzameling verhalen over mystiek en erotiek en over morele kwesties als oprechtheid en sociale rechtvaardigheid. Van dit eerste literaire werk uit Perzië dat in Europa bekend werd, verscheen dit jaar een vertaling door J.T.P. de Bruijn (uitg. Bulaaq, ISBN 9054600837). Hij schreef verder talloze losse gedichten in wisselende versvormen, werk dat in de 19e eeuw dankzij verschillende vertalingen volop toegankelijk was en hem tot FitzGeralds vertaling van Omar Khayyáms Rubáiyyát (1859) tot de belangrijkste Oosterse dichter maakte.

In de ontvangsthal van het gebouw van de VN in New York is van Sa’di deze tekst aangebracht:

Of one Essence is the human race,
Thusly has Creation put the Base;
One Limb impacted is sufficient,
For all Others to feel the Mace.

Geplaatst in Klassiekers.